Ooievaars in de blauwe lucht

_TVS2341 Afgelopen dinsdag was het een mooie lente dag met een mooie strakke blauwe lucht, boven de Neushoorns zweefde de Ooievaars in die blauwe lucht. prachtig te zien.

In Afrika leven grote groepen ooievaars. Het opvallende aan deze vogelsoort is dat men in Afrika nooit nesten ziet met jonge ooievaars. Daar is een logische reden voor. Afrika wordt namelijk in feite in Nederland geboren.

_TVS2346De dieren trekken namelijk speciaal naar Europa, waaronder ook veel naar Safaripark Beekse Bergen, om daar te broeden in grote nesten. Dit jaar zijn er al tien ooievaars uit het ei gekropen. In het najaar vliegen de ooievaars weer terug naar Afrika. Eerstejaars jongen gaan allemaal op trek en blijven in hun overwintering gebied tot ze geslachtsrijp zijn. Afrika wordt dus eigenlijk in Nederland geboren.
_TVS2345Op kraamvisite
De bezoekers van het safaripark kunnen dagelijks in mei op kraamvisite bij de ooievaars. De ooievaars hebben door het hele park heen nesten gebouwd voor hun kroost. Het best bezochte nest is gebouwd op 5 meter hoogte, pal boven de ingang van het park. Het nest heeft een diameter van 1,5 meter.

_TVS2344Vliegoefeningen
In de maand mei is een bezoek aan het nest bij de ingang extra interessant. Een van de jongen doet dan dagelijks een vliegoefeningen onder toeziend oog van een volwassen ooievaar. Bron: Safaripark Beekse Bergen

Okapi in Safaripark Beekse Bergen

_TVS2468Gisteren 5 maart 2013 was een mooie lente dag om weer eens een bezoekje te brengen aan het Safaripark Beekse Bergen, en de nieuwe aanwinst te gaan bewonderen zijn naam is Zukuma.
Sinds 9 februari 2013 is er een nieuwe zeldzame bewoner in Safaripark Beekse Bergen een Okapi, Een tweede okapi komt hem zo snel mogelijk vergezellen,

_TVS2471.1Er wordt een groep okapi’s gehouden voor gedragsstudies en fok. Ook worden zieke dieren en wezen opgevangen. Door het beschermen van dit grote natuurgebied, met de okapi als mascotte, worden ook de overige dieren en planten in het gebied beschermd.

De okapi (Okapia johnstoni) is de nauwste nog levende verwant van de giraffe. Het dier komt in het wild voor in de regenwouden in het noordoosten van de Democratische Republiek Congo. De okapi werd pas in 1901 formeel voor de wetenschap beschreven door Philip Lutley Sclater.

_TVS2472De lichaamsbouw van de okapi is vergelijkbaar met die van de giraffe, met een lange tong, kleine hoorntjes en grote oren. De okapi is echter kleiner, met een (ook in verhouding) veel kortere, dikke nek.
De okapi heeft een kastanjebruin tot chocoladebruin lichaam, met zwarte en witte strepen en vlekken op de poten en een witte strepentekening op de achterzijde. Deze tekening is voor elk dier uniek, vergelijkbaar met een vingerafdruk. Het gebied rond de mond is zwart, met een witte kaaklijn en wangen en een bruinig voorhoofd.
Met de lange blauwe tong kan de okapi bladeren en knoppen van takken halen. De tong is zo lang, dat de okapi zijn eigen oren kan schoonlikken. Het mannetje heeft korte, met huid bedekte hoorntjes. Mannetjes worden niet zo groot als vrouwtjes, en zijn vaak donkerder gekleurd.
De okapi wordt 190 tot 215 centimeter lang, waarvan de staart 30 tot 42 centimeter lang wordt, en 150 tot 180 centimeter hoog. Volwassen okapi’s wegen tussen de 210 en de 250 kilogram. Vrouwtjes zijn over het algemeen 25 tot 50 kilogram zwaarder dan mannetjes.

_TVS2468.1Verspreiding en leefgebied

De okapi komt voor in het noordoosten van de Democratische Republiek Congo en (vroeger) in Oeganda. Hij is voornamelijk te vinden in met dicht ondergroei begroeid regenwoud langs zijrivieren van de Kongo. Meestal houden ze zich op in de valleien langs de rivieren, boven de 500 meter hoogte. In 2006, bijna vijftig jaar na de laatste observatie in het wild, werd de soort herontdekt in het Virunga Nationaal Park in het oosten van de Democratische Republiek Congo.

Voedsel en gedrag

De okapi leeft voornamelijk van bladeren, twijgen en knoppen, maar ook varens, vruchten en paddenstoelen.
Okapi’s leven solitair, en mannetjes zijn waarschijnlijk territoriaal tegenover andere mannetjes. Ze vechten door met hun nekken tegen elkaar te slaan. Een vrouwtje is meestal een maand lang in oestrus. Als een vrouwtje in oestrus is, wordt ze vergezeld door een mannetje. Dit is de enige periode in het volwassen leven van een okapi dat hij wordt vergezeld door een ander volwassen dier.
Na een draagtijd van 425 tot 491 dagen wordt één kalf geboren, die de eerste maanden verborgen blijft in het struikgewas, en alleen door de moeder wordt bezocht bij het zogen. De zoogtijd duurt zes maanden. Het vrouwtje werpt tussen augustus en oktober.
Vrouwtjes zijn na 1,5 tot 3 jaar geslachtsrijp. De hoorntjes ontwikkelen zich bij mannetjes na één tot vijf jaar. Okapi’s worden 15 tot 20 jaar oud.

_TVS2470Bedreiging

Okapi’s zijn niet bedreigd, maar habitatvernietiging en de handel in bushmeat kunnen een bedreiging worden. Ook burgeroorlogen vormen een mogelijke bedreiging voor het voortbestaan van de soort. De Antwerpse Zoo in België was de eerste dierentuin ter wereld die okapi’s in het bezit had (sinds 1919) en beheert wereldwijd het stamboek van deze diersoort om de instandhouding te verzekeren. Bron Wikipedia

Sijsjes en Pimpelmees

Het is ook mooi om te zien hoe de Sijsjes en de pimpelmees samen gebroederlijk eten. Sinds drie dagen zijn de Sijsjes weer aanwezig opzoek naar voedsel,

_TVS2148
Veldkenmerken. 12 cm. Mannetje makkelijk te herkennen door groen en geel verenkleed, zwarte kop en kin, gele vleugelstreep, stuit en zijden van staartbasis. Vrouwtje zonder zwart op kop, minder geel, meer grijsgroen en wit en meer gestreept op bovendelen, borst en flanken. Staart gevorkt, snavel grijsachtig, vrij lang en puntig. Juveniel nog meer gestreept en met minder geel. Meestal in troepen in bomen, maar ook op de grond. Vaak met andere vinken, vooral Barmsijzen.

Geluid. Roep ’tsie zi’ of ’tsoe ie’. Zang kwetterend en met nasale tonen, zingt vaak in troepen vanuit boomtoppen.

Voorkomen. Vrij algemene standvogel. Zwerft ’s winters over groot deel van het gebied.
_TVS2247Habitat. In broedtijd in gemengde of naaldbossen, ’s winters vooral in berken en elzen.

Voedsel. ’s Zomers insecten en zaden, ’s winters vooral zaden. Hangt bij foerageren op zaden vaak als een mees ondersteboven aan takken. info Bron Soortenbank.nl

 

Witkraag IJsvogel

Afbeelding-164.1Deze foto van de Witkraag IJsvogel heb ik een Dierenpark in Spanje genomen, het is een (Todiramphus chloris).

De witkraagijsvogel (Todiramphus chloris) is een wijdverspreide ijsvogelsoort die voorkomt van Noordoost-Afrika via Zuidoost-China, de Filipijnen, Indonesië tot in Nieuw-Guinea en Australië. Van deze ijsvogel worden door de IOC 50 verschillende ondersoorten onderscheiden.

Afbeelding-164Uiterlijke kenmerken

De witkraagijsvogel is een gemiddeld grote ijsvogel die zo’n 22 tot 29 centimeter lang kan worden en een gewicht van 50 tot 90 gram kan bereiken. De kleuren van de veren variëren per ondersoort. De kleur van de bovendelen varieert van blauw tot groen, terwijl de onderzijde meestal wit of vaalgeel is. Ovallend is verder de witte kraag rond de nek. Sommige ondersoorten hebben een witte of vaalwitte gekleurde streep ter hoogte van de ogen. Andere soorten hebben weer een witte plek tussen de ogen en de snavel. Het bovendeel van de grote snavel is zwart. De onderzijde vaalgeel.
De vrouwtjes zijn gewoonlijk groener van kleur dan de mannetjes. Juveniele exemplaren zijn valer van kleur dan volwassen exemplaren en vertonen schubachtige schakeringen op de nek en borst. Bron: Wikipedia

Passiebloemvlinder

benalmadena-14-april-2011-014Deze foto’s van de Passiebloemvlinder heb ik gemaakt in een vlindertuin vlakbij Benalmadena in Spanje. de vlindertuin was pas geopend bovenin de bergen naast een boeddhistische Tempel.

benalmadena-14-april-2011-028WAAR VOELT HIJ ZICH OP ZIJN BEST?
De passiebloemvlinder leeft in tropische en subtropische gebieden in Zuid- en Midden-Amerika en in het zuiden van de VS. Tegen de avond verzamelen de passiebloemvlinders zich op gemeenschappelijke slaapplaatsen. Grote aantallen hangen dan ondersteboven in bomen bij elkaar. De vlinder die als eerste wakker wordt, vliegt op om de rest te wekken.

benalmadena-14-april-2011-031WAT EET HIJ GRAAG?
Zijn dieet bestaat uit nectar en stuifmeel. De bladeren van de passiebloem dienen als voedsel voor de rups. Daar zitten stoffen in die voor andere dieren dodelijk zijn, maar in het lichaam van de rups worden deze stoffen opgeslagen als lichaamsvet. Het maakt hem zelf giftig en dus oneetbaar. Ook de volwassen vlinder is giftig. Zijn felle kleuren op de vleugels waarschuwen zijn vijanden.

benalmadena-14-april-2011-052GOED KIJKEN
Een vrouwtje dat wil paren, zit met opgeklapte vleugels te wachten. Zodra er een mannetje overvliegt, klapt ze haar vleugels uit, zodat hij kan zien of het vrouwtje van dezelfde soort is. De schubben op haar vleugels reflecteren gepolariseerd licht. Bij elke soort wordt het net even anders weerkaatst; handig voor het mannetje.Bron www.artis.nl

benalmadena-14-april-2011-071

Brandganzen

_DSC6389Deze foto’s heb ik in juni 2012 gemaakt in de het Safaripark Beekse Bergen, een paartje Brandganzen hadden 4 jongen en het andere paartje Brandganzen maar een jong.

Het is een sterke vogelsoort die weinig of geen last ondervindt van vriesweer. Ze zijn een circa 60 cm grote gans. Met geelachtige witte kop, waarvan de achterzijde zwart is, met een zwarte nek en bovenborst. Als deze gans tijdens de winter aan de Nederlandse kust opduikt, worden ze al vlug verraden door het wit van hun wangen dat fel afsteekt op het zwart van de kop en hals.

_DSC6383Voorkomen

Hun verspreidingsgebied is het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan, van de oostkust van Groenland tot Spitsbergen en het zuiden van Nova Zembla. In de zomer broeden de vogels rond de poolcirkel, waar ze door de extreem lange daglengte bijna 24 uur per dag zicht hebben en zo in staat zijn hun eieren en kuikens te beschermen. Belangrijke predatoren, zoals poolvossen, hebben zo aanzienlijk minder kans om de brandganzen te bedreigen. Het wintergebied bevindt zich vooral aan de kusten van Ierland, de westkust van Schotland en de Noordzeekust van Duitsland en Nederland. Tijdens zeer strenge winters dalen ze af tot België en Frankrijk. Over het algemeen volgen deze dieren de zogenaamde vorstlijn en trekken ze met dit vorstgebied mee. Hiermee weten ze een aantal van hun natuurlijke vijanden te ontlopen. De laatste jaren blijven grote groepen brandganzen in Nederland en zijn dus het hele jaar door op Nederlandse graslanden te vinden.

_DSC6381Voedsel

Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit gras, maar ook nuttigen ze diverse mossoorten en ander groen. Ook eten ze naast gras en zeegras ook veel zaden en dit is zeer ongewoon bij ganzen. Het zoeken naar voedsel vindt doorgaans plaats bij daglicht en ze begeven zich bij de dageraad en tegen het vallen van de avond naar veilige gelegen rustplaatsen, bij vollemaanlicht kunnen ze het voedselzoeken de hele nacht voortzetten. Tijdens de poolzomer, wanneer het helemaal niet meer donker wordt, eten ze ook de hele dag door, om zich vet te mesten voor de trek naar het zuiden in de winter. De brandgans eet voornamelijk eiwitrijke jonge scheuten gras, die tamelijk kort worden afgegraasd. Het eiwit wordt verteerd, en het groene gras zelf wordt via de ontlasting weer uitgescheiden.

Nest

De nesten worden minstens een meter van elkaar af gebouwd. Een legsel bestaat uit drie tot zeven eieren van grijsachtig-witte kleur welke gedurende 24 à 25 dagen bebroed wordt.

_DSC6376Opvoeding

Na het uitvliegen der jongen vormen ze groepen van meerdere families.

_DSC6380Gevangenschap

De Brandgans is een veel gehouden sierwatervogel. Zij wordt beschermd door de Flora- en faunawet en mag dus enkel worden gehouden indien ze is gekweekt. In gevangenschap moeten ze kunnen beschikken over zwemwater en een grasveld daar ze in hoofdzaak veel gras eten. Het menu in gevangenschap bestaat verder voornamelijk uit speciaal watervogelvoer. Bron Wikipedia

Keep

_CSC0206Keep, soms komt er wel een ander soort vinkachtige op bezoek samen met de vinken en dan wordt het even puzzelen wat voor soort het is.

Kepen zijn de noordelijke tegenhangers van ‘onze gewone’ vink. In Nederland broeden jaarlijks enkele kepen, maar om meer dan drie tot vijf paren lijkt het niet te gaan. Hoe anders is het in Fenno-Scandinavië, waar de keep een van de meest talrijke broedvogel is. Daar echter ontbreekt de ‘gewone’ vink weer bijna helemaal. In de winter verblijven grote aantallen Scandinavische kepen in Nederland. De zang van de keep is vol van dissonanten en andere onplezierig klinkende tonen, en lijkt wel wat op de zang van de groenling. Vinken en kepen houden zich ’s winters vaak op in gemengde groepen. Ze kunnen gemakkelijk worden waargenomen in beukenbossen, waar ze de afgevallen beukenootjes eten. Ze zijn net zo groot als de vink, maar hebben een witte bovenstaart en veel meer oranje in het verenkleed. Bij het opvliegen is de witte stuit erg opvallend.

_DSC0065Algemeen
Overige namen Brambling , Fringilla montifringilla OrdePasseriformesFamilieVinken (Fringillidae)StatusJaargast. Uiterst schaarse broedvogel; zomergast in zeer klein aantal; doortrekker en wintergast in (zeer) groot aantalEuropese verspreidingKepen broeden vrijwel uitsluitend in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland. Oostwaards komen ze voor tot aan Moskou, de zuidgrens van het verspreidingsgebied wordt gevormd door Nederland, Denemarken en de Baltische Staten. Langs deze zuidgrens wordt nauwelijks nog gebroed, maar in de winter zijn kepen er talrijk.Naar boven

_DSC0068Leefomgeving en voedsel
Biotoop Bos, park en tuin Voedsel- en broedbiotoopDe broedgebieden van kepen zijn meestal gemengde bosen en de randen van naaldbossen. Het nest wordt in een boom gemaakt, meestal op vrij lage hoogte (tot 9 meter maar meestal veel lager). Het nest is een diepe, goed gevoerde kom van mos, gras, haren en spinnenwebben. In de winter kunnen kepen vooral gevonden worden op akkers langs bosranden, beukenbossen en parken met beukenbomen. De zaden van de beuk vormen een van de belangrijkste voedselbronnen voor deze vinkachtige.VoedselIn de zomer worden insecten en zaden gegeten, ’s winters uitsluitend zaden (o.a. beukennootjes._DSC0069Broeden
BroedperiodeVanaf medio mei in het zuiden, vanaf begin juli in het noordenKoloniebroederNeeAantal legselsEén, soms twee legsels per jaarAantal eieren5 – 7, soms 4 – 8

_DSC0066Vogeltrek
OverwinteringsgebiedHet overwinteringsgebied van kepen strekt zich uit van het zuiden van Fenno-Scandinavië tot aan het Middellandse Zeegebied. Bron: Vogelbescherming.nl

Ooievaars in januari

_TVS1214De ooievaars zitten in januari in het Safaripark Beekse Bergen al op hun nesten, jammer dat de lucht niet blauw was.

_TVS1232Informatie
Met weinig vogels heeft de mens zo’n sterke band als met de ooievaar. Het is dan ook de enige grote en opvallende vogelsoort die al sinds mensenheugenis dorp, stad en veld met zijn aanwezigheid opfleurt, en bij voorkeur menselijke bouwsels als broedplaats verkiest. Volksverhalen over de ooievaar als brenger van geluk en nieuw leven maken duidelijk, dat het een graag geziene gast is. De oorspronkelijk in Nederland broedende ooievaars waren trekvogels, die van maart tot in september in ons land verbleven. Ze leefden vooral van muizen, regenwormen en grote insecten. De ooievaars uit het westen des lands overwinterden in de savanne van West-Afrika, die uit de noordelijke landsdelen vooral in Oostelijk Afrika, van Kenia tot in Zuid-Afrika. Midden jaren ’70 was de ooievaar zo goed als verdwenen uit Nederland. Voor Vogelbescherming Nederland was deze enorme afname de reden in 1969 een reddingsprogramma te starten, en met succes. In 2000 broedden er 396 paren in ons land en in 2007 waren er 600 paren. Vanuit de speciale ‘ooievaars-buiten stations’ weten ooievaars zich weer te redden en worden steeds minder afhankelijk van de buitenstations. De toekomst voor de ooievaar lijkt daarmee, althans voorlopig, veilig gesteld.

_TVS1228Algemeen
Overige namen White Stork , Ciconia ciconia Orde Ciconiiformes Familie Ooievaars (Ciconiidae) Status Jaarvogel. Schaarse broedvogel; door trekker in klein aantal; wintervogel in klein aantal Europese verspreiding Oost-Europa en Spanje herbergen de grootste aantallen Ooievaars. In Polen bijvoorbeeld, zijn ooievaars een echt karakteristiek onderdeel van het landschap. Er zijn taferelen te zien zoals die vroeger ook in Nederland gemeengoed geweest zijn. Ooievaars zijn echte liefhebbers van een warm tot gematigd klimaat; ik koudere gebieden (Scandinavië, IJsland, het Verenigd Koninkrijk en Ierland) worden ze niet of nauwelijks aangetroffen.

_TVS1231Leefomgeving en voedsel
Biotoop Graslanden, oevers, weiden (kleinschalig) Voedsel- en broedbiotoop Het voedsel, dat bestaat uit kikkers, muizen, mollen en insecten, wordt vooral gezocht in weilanden en hooilanden. Hoe gevarieerder deze weilanden, hoe meer prooidieren er te vinden zijn, en dus hoe geschikter het gebied is voor de ooievaar. Oorspronkelijk broeden ooievaars in bomen in natte gebieden, maar deze broedplaatsen hebben ze al zeer lang geleden verruild voor menselijke bebouwing en broedgelegenheid op palen. Voedsel gevarieerd dieet van insecten, kleine zoogdieren en kikkers Naar boven

_TVS1213Vogeltrek
Trekroute Nederlandse ooievaars volgen vooral de trekroute via Spanje en maken via Gibraltar de oversteek naar Afrika (de westelijke route). De meeste andere (vooral Oost-Europese) ooievaars maken gebruik van de oostelijke route, via Turkije en Israël.Overwinteringsgebied Tropisch (West-) Afrika. Bron: Vogelbescherming.nl

Helleborus Niger

_TVS1912De Helleborus Niger staat prachtig in bloei in de sneeuw, altijd mooi om al een bloeiende plant te zien in januari in je tuin.

De kerstroos is een vaste plant van ongeveer 30 cm hoogte. De wintergroene; handvormige bladeren hebben zeven tot negen donkergroene, leerachtige blaadjes, die een paar tanden hebben in hun bovenste helft. De nieuwe bladeren verschijnen samen met de bloemstengels.
De plant bloeit met één of een paar witte of roze bloemen. De bloemen verkleuren naar roze na de bevruchting. Na de bloei verschijnt de vrucht, die uit een paar kokervruchten bestaat.
De kerstroos komt in het wild voor op de hellingen van de Oostelijke Noord- en Zuid alpen.
De ondersoort Helleborus niger subsp. macranthus, die men aantreft in de Julische Alpen (noordoosten van Italië en aangrenzende streek van Slovenië), heeft minder getande bladeren, die soms een metaalglans hebben, en grotere bloemen (doorsnede tot 9 cm).

Giftigheid
De kerstroos werd beschouwd als zeer giftig door helleborine, een diglycoside dat bitter smaakt. Bij onderzoek in de jaren 70 bleek helleborine echter niet aanwezig in de wortels van H niger[1]. Verdere aanwezige gifstoffen zijn saponine en protoanemonine.
Medicinale toepassingen
De gemalen en gedroogde wortels werden vroeger als niespoeder gebruikt. Verder werd de kerstroos als braakmiddel en middel tegen obstipatie gebruikt.

_TVS1907Mythologie
In de mythologie van de Oude Grieken werd Helleborus door Melampus van Pylos gebruikt voor het redden van de dochters van koning Argus, die gek gemaakt door Dionysus naakt, huilend en schreeuwend door de straten van de stad renden.

_TVS1908Kweek
De kerstroos is geen gemakkelijke plant om te kweken. De plant groeit traag, en gedijt alleen in kalk- en humusrijke, goed doorlatende grond in de halfschaduw.
Hoewel de naam kerstroos suggereert dat de plant rond de kerst bloeit, komt deze pas in februari in bloei en bloeit tot april. Zij bloeit rond Kerstmis slechts binnenhuis in potten, die op kamertemperatuur gehouden worden.
Er werden enkele grootbloemige selecties gewonnen. De cultivar Helleborus niger ‘Potter’s Wheel’ heeft bloemen met een doorsnede van 10-12,5 cm. Helleborus niger ‘Marion’ is een selectie met dubbele bloemen.
Van de plant kan gemakkelijk zaad worden gewonnen. De moederplant moet door scheuren vermeerderd worden.
De purperen kerstroos Helleborus ‘Early Purple’, een vroegbloeiende selectie van Helleborus orientalis subsp. abchasicus, is te verkiezen boven de gewone kerstroos, omdat deze gemakkelijker te kweken is en wanneer het weer mild is, zij vanaf midden december bloeit.

_TVS1911Plagen
Helleborus niger kan aangetast worden door bladluizen. Zij is ook vatbaar voor schimmelziekten, die zwarte vlekken op de bladeren veroorzaken. Wanneer de besmetting ernstig is, kan ze de dood van de plant veroorzaken. Bron: Wikipedia

Sijsjes

_DSC0003Vrouwtjes Sijs

Altijd mooi als de Sijsjes een bezoek brengen in de tuin, het zijn drukke bazige vogeltjes als er maar ’n ander soort vogel in de buurt komt zetten ze hun vleugels wijd open of ze doen hun bekje wijd open.

De sijs (Carduelis spinus) is een zangvogel van de familie der vinkachtige. In Nederland is de sijs vooral een wintergast, maar tegenwoordig broedt hij ook in Nederland.
In de winter kunnen we de sijs regelmatig aantreffen op vetbollen en netjes met pinda’s die we in de tuin hebben opgehangen. Sijzen opereren dan veelal in kleine troepjes, en gedragen zich enigszins als mezen: ondersteboven aan de vetbollen hangend. Ze zijn zo groot als een pimpelmees, maar veel duidelijker geelgroen gekleurd, vooral de volwassen mannetjes, die een zwarte kruin hebben. De vlucht is opvallend: gele vleugelstreep en gevorkte zwarte staart, met geel aan de zijden.

SijsjeMannetjes Sijs

Veldkenmerken
De lengte van kop tot staart is ongeveer 12 centimeter.
Volwassen mannetjes zijn geelgroen met een zwarte kruin en kin, de rug is geelgroen zwart gestreept. De buik heeft in tegenstelling tot de groenling een duidelijk onderbroken gestreept uiterlijk. De streep achter het oog en de stuit zijn geel. De gevorkte staart is zwart met geel aan zijden. De vleugel heeft een gele vleugelstreep.
Het volwassen vrouwtje is veel minder geelgroen en de onderzijde is lichter en meer gestreept, de kop heeft geen zwart.
De juveniel is qua kleur gelijk aan het volwassen vrouwtje.
Ze leven meestal in troepjes, dikwijls samen met barm sijs en putter.

_DSC0001Vrouwtjes Sijs

Voedsel
De sijs zoekt voedsel op de mezenmanier, en hangt dikwijls ondersteboven. Hij slaapt soms ook zo. Hij eet zaden van naaldbomen, elzen, berken en andere bomen, knoppen en insecten.
Vlucht
De sijs heeft een korte golvende vlucht. Een troepje maakt een warrelende indruk.
Geluid
Hij roept voortdurend, in vlucht ‘pie-ip’, in zit helder ‘tsie-si’ of ‘trii-u’. Alarmroep, vóór opvliegen ‘tje-klie’. Zang lang, vlug en muzikaal gekwetter.
Biotoop
In broedtijd naaldbossen met veel sparren, maar ook in gemengde bossen en parklandschap. In de winter vooral in elzen.

_DSC0036Vrouwtjes Sijs en een Boomklever
Broedgegevens
In goede voedseljaren (veel sparrenkegels) broedt de sijs in maart en april; in slechte jaren later, tot in juni. Het nest is gemaakt van fijne takjes, mos en haar zit hoog in naaldhout en is moeilijk te vinden. De broedduur bedraagt 11 – 13 dagen. Het vrouwtje broedt alleen en wordt door het mannetje gevoerd. Beide vogels verzorgen de jongen, die na 13 – 15 dagen het nest verlaten. Twee broedsels per jaar. Het legsel bestaat gewoonlijk uit 4 – 5 eieren. Lichtblauw met zeer veel fijne roodbruine stipjes en streepjes en een enkel donker vlekje. Gemiddeld 16 x 12 mm.
Broedgebied
Het broedgebied bevindt zich voornamelijk ten noordoosten van de Alpen, maar ook Schotland, Ierland en in delen van Servië.

sijsje.7.jpgMannetjes Sijs

Voorkomen in Nederland
In de zeventiger jaren broedden in Nederland enkele tientallen exemplaren. Rond 1990 was dit aantal 1800 – 2400 paren.
Trek
Doortrek van midden september, vooral in oktober en november. Een groot deel blijft in de winter. Terugtrek van einde januari tot in mei. De aanwezigheid in de winter is wisselvallig, waarschijnlijk speelt voedsel hierbij wel een belangrijke rol. Voorkomen draagt soms invasie achtig karakter. Bron : Wikipedia

Kleine Pelikaan of Roodrugpelikaan

_TVS1131Kleine Pelikaan of Roodrugpelikaan is de hele de dag bezig om zijn veren te poetsen in Safaripark Beekse Bergen, heel mooi om te zien.

(Pelecanus rufescens) is een soort uit de familie van de pelikanen De soort broedt in Afrika, het Zuid-Arabisch Schiereiland en Madagaskar in moerassen en ondiepe meertjes.

_TVS1130Hoewel de soort, zoals haar naam al aangeeft, een kleine pelikanensoort is is de spanwijdte van de vleugels nog altijd zo’n 2,4 meter. De veren van de kleine pelikaan zijn grijs met wat wit met een rozerode rug waaraan het zijn alternatieve naam te danken heeft. Het uiteinde van de snavel is geel en de krop is normaal gesproken grijs. Broedende volwassen exemplaren hebben lange veren op het hoofd.
Voortplanting Het nest van een kleine pelikaan is samengesteld uit een grote berg takken. Ze leggen 2 tot 3 eieren per keer.

_TVS1129Het voedsel van de kleine pelikaan bestaat meestal uit vis en amfibieën. Gewoonlijk gaan kleine pelikanen in groepjes op zoek naar voedsel. Jonge kleine pelikanen eten door hun hoofd diep in de krop van hun ouders te steken en de gedeeltelijk verteerde vis te pakken. Bron: Wikipedia

De blauwe Reiger

_TVS1120De blauwe Reiger is een van de grootste vogels van Nederland, deze heb ik gefotografeerd in het Safaripark de Beekse Bergen daar komen ze heel veel voor omdat ze makkelijk aan voedsel kunnen komen tijdens het voederen van de grote Vogels in het Safaripark.
_TVS1133De blauwe reiger is een grote vogel met een lengte van ongeveer 90 centimeter en kan een lichaamsgewicht bereiken van zo’n 2 kilogram. Er is geen seksuele dimorfie; het mannetje en het vrouwtje zien er ongeveer hetzelfde uit. Beide geslachten hebben een grijze bovenzijde, vleugels en staart en de vleugeleinden zijn zwart. De kop is wit met een zwarte band door het oog, die doorloopt in een kuif. Ook de hals heeft een witte kleur maar is voorzien van lengtestrepen aan de voorzijde. De buikzijde is grotendeels licht grijs van kleur. De kop draagt een gele, dolkvormige snavel, in de broedtijd kleurt deze soms roodachtig. De poten zijn lang en bruin van kleur en kleur en net als de snavel roodachtig.
De reiger heeft een matig snelle vlucht met langzame, zware en diepe vleugelslagen, maar soms wordt ook een kleine zweefvlucht uitgevoerd. De nek is hierbij s-vormig ingetrokken en de poten steken achter het lichaam uit. De vleugels zijn rond, met zwarte uiteinden en een zwarte band over de achtervleugel.
De blauwe reiger verschilt van andere soorten reigers door de relatief grote lichaamslengte, de grijze bovenzijde, de witte kop en hals met brede, zwarte streep van het oog naar de zwarte, sierlijk afhangende kuif.
_TVS1127Geluid
Een diep, rauw “schraatsj” in de vlucht (ook wel beschreven als “grrèngk”). Op het nest snavelgeklapper en verschillende rauwe, krassende en kokkerende geluiden, ook van de jongen.
Voedsel en jacht
Vissen van 10 tot 16 cm lengte vormen de hoofdschotel van het menu van de blauwe reiger, zoals voorn in rietvelden, forellen in stromend water, maar ook stekelbaars, paling, baars, snoek, grondel, zeelt, alver, karper en brasem. Verder eet hij amfibieën (kikkers), reptielen (ringslangen), insecten, wormen, rivierkreeften, slakken, steurgarnalen, jonge vogels. Ook wel kleine zoogdieren als mollen, (water-)ratten, veldmuizen, waterspitsmuizen en konijnen.
De blauwe reiger is een waadvogel, die voorzichtig door ondiep water schrijdt of doodstil wacht op een naderende prooi. Hij heeft een voorkeur voor een waterdiepte van 20 tot 40 cm. Als hij een prooi waarneemt schiet de kop met de lange snavel razendsnel vooruit. Bijzonder is dat hij daarbij blijkbaar precies met de breking van het licht op het grensvlak van lucht en water rekening houdt. In grasland jaagt hij op muizen, kikkers en sprinkhanen, kleine vogels en wormen. In de grassteppen van Midden-Azië op ziesels (grondeekhoorns, sprinkhanen en slangen).
Trek
Sommige blauwe reigers zijn standvogels; andere verlaten hun broedplaats en trekken naar streken met een milder klimaat (Zuid-Europa en Zuid-Afrika). In Nederland en België trekt de blauwe reiger door van half juli tot diep in de winter en in het voorjaar van begin maart tot in mei. Ook zijn er vogels die bij ons overwinteren, maar geen grote aantallen.

_DSC2643Voortplanting
Blauwe reigers op het nest.
De blauwe reiger broedt van februari tot in juni. De broedduur bedraagt ongeveer 23 tot 28 dagen. Zowel het mannetje als het vrouwtje broeden de eieren uit, vanaf het eerste ei. De jongen blijven zo’n 50 dagen op het nest.
De vogel is een solitaire soort, maar broedt in grotere of kleinere kolonies. De nesten worden hoog in de bomen gebouwd. Ze zijn vrij groot en plat en bestaan uit takken, gevoerd met takjes, gras en veertjes. Een enkele keer wordt in struiken of riet gebroed.
De vrouwtjes produceren een enkel legsel per jaar, gewoonlijk bestaande uit 3 tot 5 eieren, zelden 6. De eieren zijn ongevlekt, blauwgroen en zonder glans. Gemiddeld 60 bij 43 mm. De eieren zijn vaak bevuild.

_DSC2631De blauwe reiger en de mens
Er is al veel geschreven over de gespannen verhouding tussen de blauwe reiger en de mens. Over de rivaliteit tussen de vogel en de beroepsvisser; over de vervelende gewoonte van de vogel om met zijn uitwerpselen de bomen wit te kalken, bladerloos te maken en de grond te besmeuren; over de stank van over de nestrand gevallen visresten et cetera. In vroeger tijden werden de kolonies makkelijk het doelwit van verstoring en stroperij. Reigers werden gegeten en vormden de koninklijke prooien van de valkerij. Voous (1992) verhaalt van een reigerkolonie bij Burg Morstein in Württemberg, die in 1586 het voorwerp was van een oorlog tussen de Freiherr van Crailsheim en de Markgraaf van Amsbach. Hij beschrijft ook een feestmaal dat Hendrik VIII van Engeland in 1532 aanrichtte, waar 440 reigers werden geserveerd.
_TVS1133Bescherming
Blauwe reigers waren vroeger niet beschermd. Het gevolg daarvan was in de tijd van Thijsse (omstreeks 1900) dat ze zich “altijd nogal op een afstand” hielden. Thijsse meldt in Het Vogeljaar (7e druk, p. 294f):
Ze zijn geen al te beste bejegening gewoon, noch van mensen noch van dieren en zien daarom in ieder bewegend wezen een vijand, in iedere ongewone omstandigheid een gevaar.
Nestelen ze, dan is het in de toppen van de hoogste bomen of in het riet van ongenaakbare moerassen. Begeven ze zich van hun woonplaatsen naar hun jachtterrein, dan vliegen ze dadelijk de hoogte in en trekken van veilig en wel voort, honderden meters boven de begane grond en goed buiten schot. Zetten ze zich neer om te vissen, dan doen ze dat ’t liefst op plekken, waar ze een vrij uitzicht hebben naar alle zijden en telkens steken ze de nek in de hoogte en kijken rond, om te zien, of er gevaar dreigt. Bespeuren ze onraad, dan staan ze plotseling doodstil, de nek uitgestrekt, de kop recht vooruit en dat kunnen ze dan wel een half uur uithouden.
Men moet ze dan ook formeel besluipen, om ze goed te zien en dat is in natte weilanden, die niet meer dan enkele decimeters boven het grondwater liggen, niet zo gemakkelijk.
Sinds 1963 is de blauwe reiger in Nederland volledig beschermd. Dit heeft tot een aanpassing aan de mens geleid. Bovendien worden ze steeds vaker gevoerd, waardoor ze minder gevoelig zijn voor strenge winters en steeds vroeger gaan broeden. In de steden soms al eind januari. In de jaren zestig werden ook beschermingsmaatregelen van kracht in Engeland en Duitsland. In de jaren zeventig in Frankrijk en België. Bron: Wikipedia

Vinken in de tuin

_TVS1581Mannetjes Vink

De vinken in de tuin zijn op zoek naar voedsel zowel de mannetjes vink als het vrouwtje, in deze tijd zijn ze op zijn mooist van kleur en bij de meeste vogels zijn de mannetjes het mooist van kleur.

_TVS1582Vrouwtjes Vink

Lengte ca. 15 cm. Poten bruin.
Volwassen exemplaar♂ (man) onderzijde wijnrood, buik wat lichter. Kruin en nek lei blauw, voorhoofd zwart. Rug donkerrood bruin. Vleugel met twee witte banden. Groenachtige stuit. Staart met witte rand.
Volwassen exemplaar ♀ (vrouw) vleugel en staart bruiner; onderzijde lichtgrijsbruin; rug donkerder olijfgroen.
Jong als volwassen exemplaar ♀.
In de trektijd kleine of grote groepen van soortgenoten, soms bestaande uit één sekse. Zeer vaak met verwante kepen. Ook met andere zaadeters als groenling en geelgors, verder met piepers en leeuweriken.
In de winter kunnen vinken zich op de voedertafel agressief gedragen t.o.v. andere bezoekers.
Vlucht:  Wit schild en witte band op vleugel. Veel wit in staart. Golvende vlucht.
Lokroep: Een herhaald en helder pink, ook wiet en tsjwit. In vlucht en tijdens de trek een zacht tjuub-tjuub.
Zang: Heftig, melodieus “tsitsitsitsitsitsitsi-tjoe-ie-ò”. De zang is te horen van februari tot in september. Het liedje duurt maximaal 5 seconden en wordt makkelijk 10 keer per minuut herhaald. In Vlaanderen wordt het liedje ook wel “suskewiet” genoemd (en de vink ook).

_TVS1590Mannetjes Vink

Biotoop: Middelhoge bomen in loof-, gemengde en naaldbossen, parklandschap, parken, tuinen, lanen; in halfopen cultuurlandschap en in steden. In streken met weinig oude bomen treffen we ook weinig vinken. In Nederland zijn dit de kleigebieden van Groningen, Friesland, Noord-Holland en de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden.

Voedsel: Allerlei zaden, vooral oliehoudende; kiemend zaad, vruchten en bessen, knoppen, insecten. Jongen worden met insecten grootgebracht.

_TVS1510Vrouwtjes Vink

Broedgegevens: De vink broedt van half april tot juli. Nesten van deze “randbroeder” vindt men op verschillende hoogtes aan de rand van een bos, open plek of weg. De broedduur bedraagt 12 – 15 dagen. Hoofdzakelijk broedt het ♀, dat soms door het ♂ gevoerd wordt, vanaf het laatste ei. Beide vogels verzorgen de jongen, die het nest na 13 – 14 dagen verlaten, waarna ze nog enige tijd gevoerd worden. Meestal 2 legsels per jaar. Bigamie. Legsel: gewoonlijk 4 – 5 eieren, soms 6 of 7. Lichtblauwgroen tot roodbruin met donkerbruine vlekjes en streepjes, grijze ondervlekken. Gemiddeld 19 x 15 mm.

_TVS1519Mannetjes Vink

Broedgebied: Groot-Brittannië en Ierland, Faeröer, Europa van Middellandse Zee tot 70º NB. Azië tot Tomsk. N.W.-Afrika.

Voorkomen: Zeer talrijke broedvogel in Nederland en België (60.000 – 90.000 broedparen volgens een schatting in 1979). Broedvogels hier zijn grotendeels standvogels.

_TVS1508Vrouwtjes Vink

Trek: De vink is een van de talrijkste trekvogels. Trekrichting is west tot zuidwest richting Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten, met stuwing aan de kust. Om in Engeland, of Ierland te overwinteren steken ze de Noordzee rechtstreeks over of bij Cap Gris Nez.
Najaarstrek is van september tot december. Voorjaarstrek begint in februari en gaat door tot mei. Veel hangt af van de breedtegraad en het weer.
De vink is een dagtrekker, en vliegt vooral in de vroege ochtenduren. Sommige vinken zijn standvogels. Hun slag is anders dan bij trekkende soortgenoten en wordt “bogaardzang” of “Vlaamse zang” genoemd. Bron: Wikipedia

 

Pimpelmees in de sneeuw

_TVS1627Pimpelmees in de sneeuw het was vandaag extra druk met vogels vanwege de sneeuw 12 verschillende vogelsoorten heb ik vandaag geteld het viel wel op dat er heel vinken aanwezig waren.
Het pimpelmeesje en twee Merels hadden het heel druk met ’n appeltje.

_TVS1608Veldkenmerken:
11,5 cm Opvallendste kleuren blauw en geel. Kleine beweeglijke mees. Kruin, vleugels en staart blauw, oorstreek wit, bovendelen groen en onderdelen geel. Zwarte omlijning van blauw en wit op kop geven kenmerkende uitdrukking. Zwarte lengtestreep over buik, maar minder duidelijk dan bij Koolmees. Juvenielen in zomer en vroege najaar zijn vager gekleurd, met blauwe delen van adulten groeniger en geel vager. Buiten broedseizoen vaak samen met andere mezen. Vaak in steden en dorpen, waar vooral in nestkasten wordt gebroed.

_TVS1628Geluid:
Veel variatie. Kenmerkende zang helder ’tsie tsie tsie tirrrr’. Roep ’tsie’, ’sisisi’ en hardere roepen die op die van Koolmees lijken.

_TVS1626Voorkomen:
Algemeen. Hoofdzakelijk standvogel, maar noordelijke populaties trekken. Bron: Wikipedia