Gehakkelde Aurelia

De gehakkelde Aurelia heb ik nog in Oktober gefotografeerd, dit jaar niet zoveel gezien in de tuin.

Voorvleugellengte: 20-26 mm. De bovenkant van de vleugels heeft een oranje grondkleur met zwarte vlekken. De donkerbruine achterrand van zowel de voor- als de achtervleugel is sterk gekarteld. Op de onderkant van de achtervleugel bevindt zich een kleine witte C.

Gelijkende soorten
De grote vos heeft geen gekartelde achterrand.

Voorkomen
Een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt. Tot de jaren tachtig van de vorige eeuw werd de soort weinig waargenomen in het noorden en westen van het land, maar sinds die tijd heeft de gehakkelde aurelia zich steeds verder uitgebreid.

Habitat
Bosranden, open plekken in het bos, parken en tuinen.

Waardplanten
Vooral grote brandnetel; ook hop, iep, ribes en wilg.

Vliegtijd en gedrag
Maart-oktober in twee elkaar overlappende generaties. De vlinders voeden zich met nectar van verschillende planten en drinken ook van plassen of mest; in het najaar zijn ze geregeld aan te treffen op rottend fruit.

Levenscyclus
Rups: begin mei-oktober. De rupsen leven op de bovenkant van de bladeren, waar ze niet opvallen omdat ze net een vogelpoepje lijken. De verpopping vindt plaats in de vegetatie, op of in de buurt van de waardplant. De soort overwintert als vlinder vlak bij de grond, bijvoorbeeld aan de onderkant van boomwortels, in een holle boom of tussen takkenbossen of afgevallen bladeren; zelden in gebouwen. De eieren worden afgezet op een bladrand van de waardplant. Bron Vlindernet.nl

Kolibrievlinder

De Kolibrievlinder had ik nog in mijn voorraad foto’s zitten van afgelopen zomer, ze zijn ontzettend snel en blijven nooit lang boven een plek hangen, ze gaan ook nooit op een bloem zitten om nectar te drinken.

Borststuk en voorvleugels bruingrijs met vage dwarsstrepen, achtervleugels oranjegeel. Achterlijfspunt met karakteristieke zwart-wit geblokte tekening.

Voorkomen
In Zuid-Europa standvlinder. Sterke trekker, bereikt jaarlijks vanuit het zuiden heel Europa. De soort wordt de laatste jaren talrijker waargenomen dan voorheen, maar komt in Nederland en België meestal niet de winter door.


Levenswijze
Het aantal kolibrievlinders dat jaarlijks NW- en Midden-Europa bereikt is sterk wisselend. In tegenstelling tot vele andere pijlstaartvlinders is de kolibrievlinder dagactief. De vlinder wordt net als een kolibrie zwevend voor bloemen waargenomen en zuigt nectar met de lange tong zonder op de bloem te gaan zitten (366 3 g). Hij produceert een hoorbaar zoemgeluid. De soort wordt vaak in tuinen gezien. De rups is groen of bruin met aan weerzijde een witte en een gele lengtestreep. Voedselplant: walstro-achtigen, met name geel walstro, vroeger voor 1880 in zeeland op meekrap. De soort kan twee generaties per jaar realiseren. Een deel van de in noordelijke gebieden ontwikkelde vlinders vliegt in de herfst terug naar Zuid-Europa. Sommige, in Nederland overwinterde vlinders kunnen al in zachte december- of januari-maanden uitvliegen. Bron Soortenbank.nl

Ereprijsvedermot

De Ereprijsvedermot zat gisteravond tegen de raam hij lijkt wel op een tak, het is een nachtvlindertje.

Stenoptilia pterodactyla/ Ereprijsvedermot in Nederland

Door het gehele land waargenomen, maar nergens algemeen. Bij voorkeur op de groeiplaatsen van ereprijs, op vochtige weiden en langs bosranden.

Herkenning

Vleugelwijdte 20-26 mm De vliegtijd begin mei tot eind augustus, de hoofdperiode half juni tot half augustus.
De soort heeft een kenmerkende sterk ontwikkelde dubbele vlek aan de basis van de inkeping.

Levenswijze ‘biologie’

Rups op gewone ereprijs (Veronica chamaedrys). De eieren worden afgezet aan de onderzijde van het blad. De rupsen leven op de bladeren, bloemen en zaden. Overwintering in een overblijfsel van de steel.

Waardplanten of voedsel

Gewone ereprijs (Veronica chamaedrys). Bron: http://www.microlepidoptera.nl

De Vlaamse Gaai

De Vlaamse Gaai is een mooie vogel het is een jager die in het voorjaar achter de jonge vogeltjes aan jaagt, maar dat is de natuur. hij komt elke dag even langs voor de pinda’s.

Deze vogel komt voor in het cultuurland en de bossen. Hij is over heel Europa verspreid met uitzondering van het hoge noorden. In nieuwbouwwijken zie je in eerste instantie vaak de ekster, naarmate de bomen en struiken in het openbaar groen en in tuinen groter worden, wordt deze langzaamaan verdrongen door de gaai.

Voedsel

Voedsel vindt de gaai in bomen en struiken, in de lucht en op de grond; het betreft een breed spectrum van dierlijk en plantaardig dieet: insecten en ongewervelden (waaronder veel plaagdieren), eikels, beukennootjes, hazelnoten en andere zaden en noten, vruchten als bramen, frambozen en lijsterbessen. Ook kleine of jonge zangvogels en eieren behoren tot het dieet, evenals kleine knaagdieren. Met de sterke snavel hakt de gaai gaten in harde omhulsels als slakkenhuizen, notendoppen en eierschalen.

De eik is afhankelijk van de gaai voor het verspreiden van eikels: de gaai vervoert ze in zijn keel en tussen zijn snavel naar plaatsen met een zachte ondergrond, waarna hij ze in de aarde duwt. Zo legt hij een wintervoorraad aan. Hij vergeet alleen een aantal plekjes. Wat niet teruggevonden wordt, kan uitgroeien tot een nieuwe eik. Om deze reden wordt de gaai ook wel ‘de grootste bosbouwer’ genoemd. De Duitse naam voor de gaai (Eichelhäher) typeert het gedrag. Bron Wikipedia

Ibis


Een paar maanden geleden heb ik deze foto’s in het Safaripark Beekse Bergen van de ibissen, ze hebben een mooi verblijf in het Safaripark B.B

De scharlaken ibis (Eudocimus ruber) is te vinden in Zuid-Amerika, variërend van Trinidad en Tobago, naar beneden door Venezuela naar Brazilië, leven in zoet en zout water en moerassen. De scharlaken ibis is de nationale vogel van Trinidad en Tobago.

De rode ibis is zo door hun heldere kleur die door de schelpdieren ze eten genoemd. Beide geslachten zien er hetzelfde uit, hoewel mannetjes zijn groter. Ze hebben een lange gebogen snavel die niet alleen helpt hen terwijl op jacht naar voedsel in het water, maar ook kunnen ze schoon en glad hun veren. Lange benen hen in staat stellen om gemakkelijk waden door moerassen en moerassen. Ze zijn allebei sterke vliegers en zwemmers.

Hun belangrijkste bron van voedsel is te vinden in het water waar ze jagen krabben, vissen, insecten en garnalen. Maar ze eten ook vruchten en zaden.

Rode ibis wonen samen in grote groepen, nestelen in de bomen elkaar in de nacht. Tijdens het broedseizoen het mannetje op een display om een vrouw, eenmaal gekoppeld de twee zullen paren voor het leven te trekken.

Deze ibis lopen het risico niet alleen van het verlies van leefgebieden, maar ook vergiftiging door insecticiden die ook van invloed op hun bron van voedsel.

IUCN Rode Lijst categorie: Niet bedreigd Bron: Edinburgh Zoo

Vlaamse Gaai en Koolmees

De Vlaamse Gaai en de Koolmees zijn ook trouwe bezoekers voor de Pinda’s

Veldkenmerken. 34 cm. Onmiskenbaar. Verenkleed voornamelijk licht kaneelkleurig-roodbruin, met oprichtbare zwart en wit gestreepte kruinveren, zwarte mondstreep, blauw en zwart gebandeerde vleugeldekveren, witte keel, witte vlek op gesloten vleugels, en witte stuit en anaalstreek scherp contrasterend met donkere staart. Vliegt ’moeizaam’, springt vaak van tak tot tak.

Geluid. Indien opgeschrikt, een luid en schor ’skraaawk’; verder verschillende klikkende, miauwende en klokkende geluiden.

Voorkomen.Algemene standvogel in geheel Europa behalve nabij de Poolcirkel. Noordelijke vogels trekken ’s winters zuidwaarts.

Habitat. Meer boombewoner dan andere kraaien, altijd in de nabijheid van bomen, ’s winters vooral eiken. Nestelt laag in bomen of in hoge onderbegroeiing. Waakzame vogel, die echter tegenwoordig ook in steden voorkomt.

Voedsel. Voornamelijk allerlei soorten vruchten (vooral eikels); ook ongewervelde dieren en kleine zoogdieren. Een gerenommeerd nestrover. Bron: Soortenbank.nl

Koolmeesje,

Veldkenmerken. 14 cm. Grootste algemene mees. Kop zwart met witte wangen, bovendelen groen, onderdelen geel met brede zwarte streep van keel tot op onderstaartdekveren, vleugels groenblauw met witte vleugelstreep en witte punten aan tertials, staart zwartblauw met witte buitenste pennen, stevige zwarte snavel. Kleine gelige vlek in nek doet aan Zwarte Mees denken, maar bij deze is de vlek veel groter en witter. Mannetje heeftbredere zwarte band over buik dan vrouwtje; juveniel als adult maar doffer. Fourageert veel op de grond en in lagere delen van bomen en struiken. Broedt veel in nestkasten in nabijheid van mensen.

Geluid. Zeer variabel. Roep onder andere ’wiet’, tsjurrr’, ’pink’ (als Vink), ’tietja’, etc. Zang herhaald ’tie tie tèè’ en variaties hierop.

Voorkomen. Talrijk. Standvogel, maar noordelijke populaties trekken zuidwaarts in de winter. Bron: Soortenbank.nl

 

 

Eekhoorns

In het Vennebos zijn de eekhoorns erg tam ze komen ’s morgens al vroeg voor pinda’s en ze laten zich helemaal fotograferen.

De eekhoorn is 18 tot 24 centimeter lang en 250 tot 350 gram zwaar. De borstelige pluimstaart is van 14 tot 20 centimeter lang. Het is een omnivoor, die tot de knaagdieren behoort.
Anders dan de naam doet vermoeden, kan de kleur variëren van zwart tot gelig, met allerlei tinten rood en bruin daartussen. Melanisme komt voor, maar de mate waarin individuen melanistisch zijn verschilt per regio. Gewoonlijk zijn de dieren roodbruin met een witte buikzijde, ’s winters meer grijzig donkerbruin. De kleur wordt ook grijsachtiger naarmate de eekhoorn ouder wordt. De oorpluimen vallen vooral in de winter op. Een eekhoorn kan de haren op de pluimstaart opzetten.
Met zijn lange, gekromde klauwen kan hij makkelijk in bomen klimmen en van tak naar tak springen. Tijdens een sprong spreidt hij zijn ledematen, waarbij de losse huid op de flanken het dier helpt in de lucht te blijven. De pluimstaart dient als roer, waarmee hij zijn sprong kan sturen. Ook kan hij goed zwemmen. De lange staart, de elegante wijze van voortbewegen en de pluimpjes op de oren geven hem een hoge aaibaarheidsfactor.

De eekhoorn voedt zich met name met plantaardig materiaal als noten en zaden van sparren en pijnbomen. Verder eten ze knoppen, paddenstoelen, stukken boomschors, en soms dierlijk materiaal, als insecten, eieren en zelfs jonge vogels. Ook eten ze aarde om mineralen binnen te krijgen. De eekhoorn eet dagelijks vijf procent van zijn lichaamsgewicht aan voedsel. Net als veel andere knaagdieren leggen eekhoorns wintervoorraden aan.
De eekhoorn is een dag dier, dat zich meestal vlak na zonsopgang al laat zien. Ze zijn voornamelijk na zonsopgang en vlak voor zonsondergang actief. ’s Winters laten ze zich alleen ’s ochtends zien. De eekhoorn houdt geen winterslaap. In plaats daarvan houdt hij zich bij gure dagen in zijn nest verborgen, en bezoekt hij op betere dagen ’s ochtends zijn wintervoorraad.


Nest
De eekhoorn maakt gebruik van andere eekhoorns. Een eekhoornnest is rond met een diameter van dertig centimeter, en bevindt zich in een boom, op minstens zes meter hoogte, vlakbij de boomstam. Soms wordt een nest op een tak gemaakt, of in een holle boom. De buitenste zijde van het nest wordt gemaakt van twijgen, en de binnenzijde wordt bekleed met mos en gras. Nesten waarin de jongen worden geboren, zijn bekleed met een dikkere laag.
Levensverwachting
Eekhoorns worden 3 tot 7 jaar in het wild, en tot tien jaar in gevangenschap. De belangrijkste natuurlijke vijanden zijn marters, roofvogels en huishonden en -katten. Ook sterven dieren door verhongering en auto-ongelukken. Vooral in hun eerste jaar sterven veel dieren. Om aan zijn vijanden te ontkomen rent de eekhoorn spiraalsgewijs omhoog tegen een boom.

Sociaal gedrag en voortplanting
De woongebieden overlappen elkaar. Vooral in de winter, waarin de woongebieden groter zijn, is er veel overlap tussen de woongebieden. Vrouwtjes wonen meer verspreid van elkaar dan mannetjes, waardoor overlap tussen de woongebieden van vrouwtjes minder voorkomt. In de paartijd jagen de mannetjes achter elkaar aan, mogelijk om een hiërarchie tussen de mannetjes vast te stellen en zo het recht om te mogen paren te verwerven.
De paartijd is op zijn hoogtepunt tussen januari en maart. De draagtijd duurt 38 dagen. Meestal worden de jongen tussen maart en mei geboren, mits er voldoende goede dennenappels zijn. Anders worden de jongen tussen juli en september geboren.
Per worp krijgt een vrouwtje één tot acht jongen (gemiddeld drie). De jongen zijn bij de geboorte tien tot vijftien gram zwaar. Alleen het vrouwtje zorgt voor de jongen. Bij verstoring draagt het vrouwtje de jongen uit het nest. Na zeven tot acht weken begeven ze zich voor het eerst buiten het nest, en na zeven tot tien weken worden ze gespeend. Als de jongen tien tot zestien weken oud zijn, zijn ze onafhankelijk. De dieren zijn over het algemeen na tien tot twaalf maanden geslachtsrijp.

Roodkopgier

Tijdens een vogelshow in het Safaripark Beekse Bergen heb ik deze foto’s van de Roodkopgier gemaakt ook wel Kalkoengier genoemd.

De roodkopgier of kalkoengier (Cathartes aura) is een roofvogel van de familie Cathartidae uit Noord-, Midden- en Zuid-Amerika. Deze soort is nauw verwant aan de geelkopgier.

Lengte: 64-81 cm. Spanwijdte: 140-180 cm. Gewicht: 0.8-2 kg.
Het is een zwarte of grijsbruine vogel met een vuurrode kop en nek. Daarnaast zitten er aan de kop rode kwabben, net als bij een mannelijke kalkoen. De vleugels zijn breed en de staart is lang.

Levensduur
Roodkopgieren kunnen 12-17 jaar oud worden.

Leefomgeving
Roodkopgieren kunnen zich goed aanpassen en leven dan ook in uiteenlopende gebieden zoals graslanden, bossen en stedelijke gebieden. Droge bossen, akkerland en savannes zijn echter favoriet. Dit dier is samen met de zwarte gier één van de meest algemene Amerikaanse roofvogelsoorten.

Voedsel
Net als andere gieren is de roodkopgier een afvalopruimer en eet hij aangespoelde vis, dode en rottende dieren en fruit. Hij heeft een voorkeur voor klein karkassen, maar ook op grotere dode dieren zal de roodkopgier af komen. Roodkopgieren gaan regelmatig langs snelwegen op zoek naar dieren die slachtoffer zijn geworden van het verkeer. Daarnaast staan ook eieren van andere vogels en kleine diertjes zoals hagedissen en insecten op het menu.

Leefwijze
De roodkopgier leeft in grote groepen van ongeveer dertig exemplaren, waaronder mannetjes, vrouwtjes en jonge vogels. In gebieden met veel prooi en veel broedplaatsen nestelen, slapen en jagen roodkopgieren vaak samen met zwarte gieren. Vaak zit de roodkopgier in een boom of zweeft hij boven de omgeving op zoek naar voedsel. Dankzij het grote vleugeloppervlak in combinatie met zijn lage gewicht en zijn gevingerde vleugelpunten is de roodkopgier een goede zwever. Tijdens het zweven worden de vleugels in een ondiepe V-vorm gehouden. De roodkopgier kan zijn voedsel, behalve met zijn scherpe ogen, ook vinden door het op een grote afstand te ruiken. Er zijn maar weinig vogels waarvan bekend is dat ze goed kunnen ruiken.

Voortplanting

Het nest van de roodkopgier bestaat meestal uit een holte in een rots of boom. Soms nestelt deze roofvogel ook op gebouwen. Het nest wordt bekleed met takjes, veren en stukjes huid, die de gier van dode dieren aftrekt. Met behulp van gedroogde uitwerpselen wordt het nest verstevigd. Het vrouwtje legt één tot drie eieren, waarop beide geslachten om de beurt broeden. Na circa 42 dagen komen de eieren uit en de jongen worden gevoed met opgebraakt voedsel uit de krop. Na drie maanden kunnen de jonge roodkopgieren vliegen. Bron: Wikipedia

Paddenstoelen in de Herfst

Een herfstwandeling gemaakt door het bos en de paddenstoelen gefotografeerd, en een collage van verschillende paddenstoelen gemaakt.

Herfstwandeling

Een wandeling door het bos

afgevallen bladeren bedekken het zachte mos…

Het plezier van ontdekken in alle rust

hoe de herfstzon ons zachtjes kust….

Wat is dit alles toch mooi

in het bos in zijn herfst-tooi……

Johah 1958

Siphona Geniculala Sluipvlieg

Zaterdagmiddag tijdens het zoeken naar vlinders kwam ik een heel klein vliegje tegen, als hem met een macrofoto ziet is hij heel eng.

De sluipvliegen (Tachinidae) zijn een familie in de orde van de Diptera (tweevleugeligen), onderorde Brachycera (vliegen). Met meer dan 8000 beschreven soorten is deze familie een van de grotere vliegenfamilies. In Nederland komen 337 soorten voor.
De soorten kunnen onderling erg verschillen: sommige lijken veel op de gewone huisvlieg, anderen hebben oppervlakkig het uiterlijk van wespen of zweefvliegen (zie en:Tachinid).
De volwassen vliegen voeden zich met honingdauw en nectar; de larven zijn altijd parasitair in de larven of poppen van vlinders, kevers, sprinkhanen en andere insecten. Bij sommige soorten worden de eieren direct op het lichaam van de gastheer gelegd. De larfjes komen bijna onmiddellijk uit en boren zich naar binnen. Andere soorten leggen het ei via een wondje in het lichaam van de gastheer. Weer anderen leggen eieren van heel klein formaat en in enorme hoeveelheden op het substraat in de buurt van de gastheer. De eieren komen uit zodra de gastheer ze inslikt en de larfjes boren zich door de darmwand naar binnen.


Sluipvliegen zijn over het algemeen zeer nuttige insecten. Er zijn heel wat soorten die parasitoïde zijn van plaaginsecten en die daarom in biologische bestrijdingsprogramma’s gebruikt worden. Enkele soorten zijn echter schadelijk en worden in India en andere Aziatische landen als een ware plaag van de zijdeproductie gezien, met name Exorista bombycis (=E. sorbillans) die zijderupsen belaagt.

De laatste Vlinders van het seizoen

Gisteren was het een goede dag om weer eens naar het klaverveldje te gaan om te kijken of er nog kleine vuurvlinders en icarusvlinders rondvlogen de laatste vlinders in het seizoen, ik ben het vuurvlindertje en een icarusvlndertje tegengekomen ze waren al ver afgevlogen.

Het icarusblauwtje is een veel voorkomende vlindersoort. Het lijkt op het esparcetteblauwtje, maar onderscheidt zich van deze door twee wortelvlekken op de onderkant van de voorvleugels. Het komt voor op de meeste typen graslanden, van vrij droge schrale graslanen tot matig vochtige hooilanden. Het vrouwtje zet de eitjes af op veel soorten vlinderbloemigen, onder andere Lotus corniculatus (gewone rolklaver). De rups voedt zich met de bladeren. Ze wordt veelvuldig bezocht door mieren van de geslachten Lasius , Formica , Myrmica , Tapinoma en Plagiolepis . Als ze halfvolgroeid is, kan ze in de strooisellaag overwinteren. In hete klimaten vindt ook overzomering als ei of rups plaats. De verpopping gebeurt in de strooisellaag. Het icarusblauwtje vliegt afhankelijk va de geografische ligging en de hoogte van het vliegterrein in een tot drie generaties per jaar.

De Kleine Vuurvlinder

Spanwijdte vleugels 22-27 mm, april-oktober

Kenmerken
Bovenzijde voorvleugels oranje met brede, donkere zoom en donkere vlekken, in beide seksen gelijk. Achtervleugels bruin met rode zoom en blauwe puntjes (384 2 g). Onderzijde achtervleugels effen lichtbruin met zwarte stipjes.

Voorkomen
Algemeen op open terreinen, in (half)natuurlijke gras- en droge hooilanden, op de heide.

Levenswijze
Vliegt bijna het gehele jaar in 3-4, onder gunstige omstandigheden in 5-6 generaties per jaar. Rups groen met 3 rode lengtestrepen, leeft van zuringsoorten (Polygonaceae: Rumex), vooral kleine planten van schapezuring en veldzuring.

 

Grote bonte Specht en de Boomklever

De grote bonte Specht en de Boomklever brachten vanmiddag een bezoek voor de pinda’s. het zijn mooie vogels maar allebei erg schuw.

Veldkenmerken. 23 cm. Zwartwitte specht, veel kleiner dan Groene Specht. Smal wit voorhoofd, zwarte kap en zwarte baardstreep, die van snavelbasis doorloopt over oorstreek tot in nek. Mannetje heeft rode achterkop. Zwarte rug met grote witte schoudervlekken, vleugels zwart met veel witte vlekken, onderstaart rood, rest van onderdelen wit. Staart zwart met witte zijden. Juveniel heeft rode in plaats van zwarte kopkap (beide sexen). Golvende vlucht.


Geluid. Roep luid, enkel ’kik’ of ’kiek’, bij verstoring herhaald. Trommelt vaker dan andere spechten op dood hout.

Boomklever.

Veldkenmerken. 14 cm. Een gedrongen, plompe, actieve vogel met een stevige, puntige snavel. Blauwgrijze kruin en bovendelen, isabelkleurige onderdelen met roodbruine flanken, wangen en keel wit, zwarte streep door oog. Juveniel zonder roodbruin. Beweegt over boomstammen en takken met kleine, schokkerige sprongen, in alle richtingen met evenveel gemak, zonder staart te gebruiken. Noten en zaden worden vastgezet tussen boomschors en met de snavel opengehakt. Golvende vlucht, als spechten. Nestelt in boomholten. Ingang wordt soms verkleind met modder. ’s Winters vaak rondtrekkend met groepen mezen.

Geluid. Een luid, metalig ’twiet-twiet-twiet’, en varianten daarop; ook en schel ’tsit’, een herhaald, luid, helder en fluitend ’twie’ en een zeer snelle triller. Bron Soortenbank.nl

Quakerpapegaai

Vorig jaar in Benalmadena Spanje langs de boulevard zaten we op een bankje en de papegaaien vlogen boven ons hoofd in de bomen voor zaad.

De monniksparkiet (Myiopsitta monachus) is een parkiet uit Argentinië en het zuidelijke deel van Brazilië in Zuid-Amerika. Het dier is ook bekend onder de naam muisparkiet. Als exoot doen deze vogels het goed in Europa en Noord-Amerika.
De monniksparkiet bouwt zijn nest in vogelkolonies met vele parkieten. Het is voorgekomen dat een dergelijke “parkietenflat” het formaat had van een kleine auto. Dit gedrag is vrij ongewoon voor een papegaai en is waarschijnlijk geëvolueerd omdat op de pampas weinig bomen groeien en de aanwezige nestruimte efficiënt moest worden gebruikt.


Monniksparkieten in Nederland

Ook in Nederland is deze soort verwilderd. Zo is in 2003 een grote zwerm aangetroffen in Wageningen.
Het komt voor dat monniksparkieten “halfwild” leven. Dat wil zeggen dat ze vrij kunnen vliegen (en meestal nestelen) maar dat ze voor voedsel bij hun eigenaar terecht kunnen.
De gangbare methode is om dieren eerst in een volière aan de omgeving (bijvoorbeeld de achtertuin) te laten wennen en hen na een aantal maanden pas los te laten. De kans is groot dat de dieren terug blijven komen voor voedsel. Die kans wordt groter als meerdere dieren samenwerken en gezamenlijk vrij vliegen. De monniksparkiet is een sociaal dier en zal anders op zoek gaan naar een andere kolonie. Bovendien zorgt het vrijlaten in groepen ervoor dat de dieren gaan nestelen. Hierdoor kunnen het er snel meer worden.
In Apeldoorn leeft sinds het begin van het millennium een vrij grote groep monniksparkieten halfwild; Er worden steeds meer broedgevallen gerapporteerd, dus geleidelijkaan is het een zelfstandige wilde populatie aan het worden.


Ouwehands Dierenpark in Rhenen had een grote zwerm vrijvliegende monniksparkieten, echter na opmerkingen over hun bijdrage aan faunavervalsing heeft men de kolonie succesvol weer weggevangen. Bron Wikipedia.nl

Icarusblauwtje

Op deze foto kun je goed de roltong van Icarusblauwtje zien

Vanmiddag zat er een Icarusblauwtje (mannetje) op de Verbena in de tuin, het is de eerst keer, de andere keren ben ik hem tegengekomen op het klaverveldje.

Icarusblauwtje

Beschrijving: 
Het icarusblauwtje is een veel voorkomende vlindersoort. Het lijkt op het esparcetteblauwtje, maar onderscheidt zich van deze door twee wortelvlekken op de onderkant van de voorvleugels. Het komt voor op de meeste typen graslanden, van vrij droge schrale graslanen tot matig vochtige hooilanden. Het vrouwtje zet de eitjes af op veel soorten vlinderbloemigen, onder andere Lotus corniculatus (gewone rolklaver). De rups voedt zich met de bladeren. Ze wordt veelvuldig bezocht door mieren van de geslachten Lasius , Formica , Myrmica , Tapinoma en Plagiolepis . Als ze halfvolgroeid is, kan ze in de strooisellaag overwinteren. In hete klimaten vindt ook overzomering als ei of rups plaats. De verpopping gebeurt in de strooisellaag. Het icarusblauwtje vliegt afhankelijk va de geografische ligging en de hoogte van het vliegterrein in een tot drie generaties per jaar.


Leefgebied: 
Droge zure graslanden
Droog kalkgrasland en steppe
Matig voedselrijk grasland. Bron: Soortenbank.nl