De blauwe Reiger

_TVS1120De blauwe Reiger is een van de grootste vogels van Nederland, deze heb ik gefotografeerd in het Safaripark de Beekse Bergen daar komen ze heel veel voor omdat ze makkelijk aan voedsel kunnen komen tijdens het voederen van de grote Vogels in het Safaripark.
_TVS1133De blauwe reiger is een grote vogel met een lengte van ongeveer 90 centimeter en kan een lichaamsgewicht bereiken van zo’n 2 kilogram. Er is geen seksuele dimorfie; het mannetje en het vrouwtje zien er ongeveer hetzelfde uit. Beide geslachten hebben een grijze bovenzijde, vleugels en staart en de vleugeleinden zijn zwart. De kop is wit met een zwarte band door het oog, die doorloopt in een kuif. Ook de hals heeft een witte kleur maar is voorzien van lengtestrepen aan de voorzijde. De buikzijde is grotendeels licht grijs van kleur. De kop draagt een gele, dolkvormige snavel, in de broedtijd kleurt deze soms roodachtig. De poten zijn lang en bruin van kleur en kleur en net als de snavel roodachtig.
De reiger heeft een matig snelle vlucht met langzame, zware en diepe vleugelslagen, maar soms wordt ook een kleine zweefvlucht uitgevoerd. De nek is hierbij s-vormig ingetrokken en de poten steken achter het lichaam uit. De vleugels zijn rond, met zwarte uiteinden en een zwarte band over de achtervleugel.
De blauwe reiger verschilt van andere soorten reigers door de relatief grote lichaamslengte, de grijze bovenzijde, de witte kop en hals met brede, zwarte streep van het oog naar de zwarte, sierlijk afhangende kuif.
_TVS1127Geluid
Een diep, rauw “schraatsj” in de vlucht (ook wel beschreven als “grrèngk”). Op het nest snavelgeklapper en verschillende rauwe, krassende en kokkerende geluiden, ook van de jongen.
Voedsel en jacht
Vissen van 10 tot 16 cm lengte vormen de hoofdschotel van het menu van de blauwe reiger, zoals voorn in rietvelden, forellen in stromend water, maar ook stekelbaars, paling, baars, snoek, grondel, zeelt, alver, karper en brasem. Verder eet hij amfibieën (kikkers), reptielen (ringslangen), insecten, wormen, rivierkreeften, slakken, steurgarnalen, jonge vogels. Ook wel kleine zoogdieren als mollen, (water-)ratten, veldmuizen, waterspitsmuizen en konijnen.
De blauwe reiger is een waadvogel, die voorzichtig door ondiep water schrijdt of doodstil wacht op een naderende prooi. Hij heeft een voorkeur voor een waterdiepte van 20 tot 40 cm. Als hij een prooi waarneemt schiet de kop met de lange snavel razendsnel vooruit. Bijzonder is dat hij daarbij blijkbaar precies met de breking van het licht op het grensvlak van lucht en water rekening houdt. In grasland jaagt hij op muizen, kikkers en sprinkhanen, kleine vogels en wormen. In de grassteppen van Midden-Azië op ziesels (grondeekhoorns, sprinkhanen en slangen).
Trek
Sommige blauwe reigers zijn standvogels; andere verlaten hun broedplaats en trekken naar streken met een milder klimaat (Zuid-Europa en Zuid-Afrika). In Nederland en België trekt de blauwe reiger door van half juli tot diep in de winter en in het voorjaar van begin maart tot in mei. Ook zijn er vogels die bij ons overwinteren, maar geen grote aantallen.

_DSC2643Voortplanting
Blauwe reigers op het nest.
De blauwe reiger broedt van februari tot in juni. De broedduur bedraagt ongeveer 23 tot 28 dagen. Zowel het mannetje als het vrouwtje broeden de eieren uit, vanaf het eerste ei. De jongen blijven zo’n 50 dagen op het nest.
De vogel is een solitaire soort, maar broedt in grotere of kleinere kolonies. De nesten worden hoog in de bomen gebouwd. Ze zijn vrij groot en plat en bestaan uit takken, gevoerd met takjes, gras en veertjes. Een enkele keer wordt in struiken of riet gebroed.
De vrouwtjes produceren een enkel legsel per jaar, gewoonlijk bestaande uit 3 tot 5 eieren, zelden 6. De eieren zijn ongevlekt, blauwgroen en zonder glans. Gemiddeld 60 bij 43 mm. De eieren zijn vaak bevuild.

_DSC2631De blauwe reiger en de mens
Er is al veel geschreven over de gespannen verhouding tussen de blauwe reiger en de mens. Over de rivaliteit tussen de vogel en de beroepsvisser; over de vervelende gewoonte van de vogel om met zijn uitwerpselen de bomen wit te kalken, bladerloos te maken en de grond te besmeuren; over de stank van over de nestrand gevallen visresten et cetera. In vroeger tijden werden de kolonies makkelijk het doelwit van verstoring en stroperij. Reigers werden gegeten en vormden de koninklijke prooien van de valkerij. Voous (1992) verhaalt van een reigerkolonie bij Burg Morstein in Württemberg, die in 1586 het voorwerp was van een oorlog tussen de Freiherr van Crailsheim en de Markgraaf van Amsbach. Hij beschrijft ook een feestmaal dat Hendrik VIII van Engeland in 1532 aanrichtte, waar 440 reigers werden geserveerd.
_TVS1133Bescherming
Blauwe reigers waren vroeger niet beschermd. Het gevolg daarvan was in de tijd van Thijsse (omstreeks 1900) dat ze zich “altijd nogal op een afstand” hielden. Thijsse meldt in Het Vogeljaar (7e druk, p. 294f):
Ze zijn geen al te beste bejegening gewoon, noch van mensen noch van dieren en zien daarom in ieder bewegend wezen een vijand, in iedere ongewone omstandigheid een gevaar.
Nestelen ze, dan is het in de toppen van de hoogste bomen of in het riet van ongenaakbare moerassen. Begeven ze zich van hun woonplaatsen naar hun jachtterrein, dan vliegen ze dadelijk de hoogte in en trekken van veilig en wel voort, honderden meters boven de begane grond en goed buiten schot. Zetten ze zich neer om te vissen, dan doen ze dat ’t liefst op plekken, waar ze een vrij uitzicht hebben naar alle zijden en telkens steken ze de nek in de hoogte en kijken rond, om te zien, of er gevaar dreigt. Bespeuren ze onraad, dan staan ze plotseling doodstil, de nek uitgestrekt, de kop recht vooruit en dat kunnen ze dan wel een half uur uithouden.
Men moet ze dan ook formeel besluipen, om ze goed te zien en dat is in natte weilanden, die niet meer dan enkele decimeters boven het grondwater liggen, niet zo gemakkelijk.
Sinds 1963 is de blauwe reiger in Nederland volledig beschermd. Dit heeft tot een aanpassing aan de mens geleid. Bovendien worden ze steeds vaker gevoerd, waardoor ze minder gevoelig zijn voor strenge winters en steeds vroeger gaan broeden. In de steden soms al eind januari. In de jaren zestig werden ook beschermingsmaatregelen van kracht in Engeland en Duitsland. In de jaren zeventig in Frankrijk en België. Bron: Wikipedia

Vinken in de tuin

_TVS1581Mannetjes Vink

De vinken in de tuin zijn op zoek naar voedsel zowel de mannetjes vink als het vrouwtje, in deze tijd zijn ze op zijn mooist van kleur en bij de meeste vogels zijn de mannetjes het mooist van kleur.

_TVS1582Vrouwtjes Vink

Lengte ca. 15 cm. Poten bruin.
Volwassen exemplaar♂ (man) onderzijde wijnrood, buik wat lichter. Kruin en nek lei blauw, voorhoofd zwart. Rug donkerrood bruin. Vleugel met twee witte banden. Groenachtige stuit. Staart met witte rand.
Volwassen exemplaar ♀ (vrouw) vleugel en staart bruiner; onderzijde lichtgrijsbruin; rug donkerder olijfgroen.
Jong als volwassen exemplaar ♀.
In de trektijd kleine of grote groepen van soortgenoten, soms bestaande uit één sekse. Zeer vaak met verwante kepen. Ook met andere zaadeters als groenling en geelgors, verder met piepers en leeuweriken.
In de winter kunnen vinken zich op de voedertafel agressief gedragen t.o.v. andere bezoekers.
Vlucht:  Wit schild en witte band op vleugel. Veel wit in staart. Golvende vlucht.
Lokroep: Een herhaald en helder pink, ook wiet en tsjwit. In vlucht en tijdens de trek een zacht tjuub-tjuub.
Zang: Heftig, melodieus “tsitsitsitsitsitsitsi-tjoe-ie-ò”. De zang is te horen van februari tot in september. Het liedje duurt maximaal 5 seconden en wordt makkelijk 10 keer per minuut herhaald. In Vlaanderen wordt het liedje ook wel “suskewiet” genoemd (en de vink ook).

_TVS1590Mannetjes Vink

Biotoop: Middelhoge bomen in loof-, gemengde en naaldbossen, parklandschap, parken, tuinen, lanen; in halfopen cultuurlandschap en in steden. In streken met weinig oude bomen treffen we ook weinig vinken. In Nederland zijn dit de kleigebieden van Groningen, Friesland, Noord-Holland en de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden.

Voedsel: Allerlei zaden, vooral oliehoudende; kiemend zaad, vruchten en bessen, knoppen, insecten. Jongen worden met insecten grootgebracht.

_TVS1510Vrouwtjes Vink

Broedgegevens: De vink broedt van half april tot juli. Nesten van deze “randbroeder” vindt men op verschillende hoogtes aan de rand van een bos, open plek of weg. De broedduur bedraagt 12 – 15 dagen. Hoofdzakelijk broedt het ♀, dat soms door het ♂ gevoerd wordt, vanaf het laatste ei. Beide vogels verzorgen de jongen, die het nest na 13 – 14 dagen verlaten, waarna ze nog enige tijd gevoerd worden. Meestal 2 legsels per jaar. Bigamie. Legsel: gewoonlijk 4 – 5 eieren, soms 6 of 7. Lichtblauwgroen tot roodbruin met donkerbruine vlekjes en streepjes, grijze ondervlekken. Gemiddeld 19 x 15 mm.

_TVS1519Mannetjes Vink

Broedgebied: Groot-Brittannië en Ierland, Faeröer, Europa van Middellandse Zee tot 70º NB. Azië tot Tomsk. N.W.-Afrika.

Voorkomen: Zeer talrijke broedvogel in Nederland en België (60.000 – 90.000 broedparen volgens een schatting in 1979). Broedvogels hier zijn grotendeels standvogels.

_TVS1508Vrouwtjes Vink

Trek: De vink is een van de talrijkste trekvogels. Trekrichting is west tot zuidwest richting Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten, met stuwing aan de kust. Om in Engeland, of Ierland te overwinteren steken ze de Noordzee rechtstreeks over of bij Cap Gris Nez.
Najaarstrek is van september tot december. Voorjaarstrek begint in februari en gaat door tot mei. Veel hangt af van de breedtegraad en het weer.
De vink is een dagtrekker, en vliegt vooral in de vroege ochtenduren. Sommige vinken zijn standvogels. Hun slag is anders dan bij trekkende soortgenoten en wordt “bogaardzang” of “Vlaamse zang” genoemd. Bron: Wikipedia

 

Pimpelmees in de sneeuw

_TVS1627Pimpelmees in de sneeuw het was vandaag extra druk met vogels vanwege de sneeuw 12 verschillende vogelsoorten heb ik vandaag geteld het viel wel op dat er heel vinken aanwezig waren.
Het pimpelmeesje en twee Merels hadden het heel druk met ’n appeltje.

_TVS1608Veldkenmerken:
11,5 cm Opvallendste kleuren blauw en geel. Kleine beweeglijke mees. Kruin, vleugels en staart blauw, oorstreek wit, bovendelen groen en onderdelen geel. Zwarte omlijning van blauw en wit op kop geven kenmerkende uitdrukking. Zwarte lengtestreep over buik, maar minder duidelijk dan bij Koolmees. Juvenielen in zomer en vroege najaar zijn vager gekleurd, met blauwe delen van adulten groeniger en geel vager. Buiten broedseizoen vaak samen met andere mezen. Vaak in steden en dorpen, waar vooral in nestkasten wordt gebroed.

_TVS1628Geluid:
Veel variatie. Kenmerkende zang helder ’tsie tsie tsie tirrrr’. Roep ’tsie’, ’sisisi’ en hardere roepen die op die van Koolmees lijken.

_TVS1626Voorkomen:
Algemeen. Hoofdzakelijk standvogel, maar noordelijke populaties trekken. Bron: Wikipedia

vrouwtjes Huismus

_TVS1297Het Vrouwtjes Huismus liet zich goed fotograferen, zo kun je zien dat ’t ook een mooi vogeltje is.

De huismus is 14 tot 16 cm lang en weegt maximaal 30 gram. Het mannetje heeft een grijze kruin en grijze wangen, een zwarte keel en borst, een zwart masker met witte stip achter het oog, een witte streep over de vleugels, en in het broedseizoen een zwarte snavel. Het vrouwtje heeft een minder contrastrijke tekening dan het mannetje, een lichte oogstreep, enige tekening op rug en vleugels en een effen licht grijs/bruine borst. In de ruitijd is hun verenkleed soms nauwelijks meer te herkennen als zijnde van een huismus.
Soorten die uiterlijk op de huismus lijken en daarmee verward kunnen worden, zijn de heggenmus, de ringmus, het vrouwtje vink en de Spaanse mus. Deze laatste komt zelden voor in Nederland en België.
_TVS1295Een mussenpaar bouwt gezamenlijk een nest, waarin het vrouwtje vier tot zeven eieren legt. Na ongeveer 12 dagen broeden komen de eieren uit. Als de kuikens uit het ei komen, zijn ze nog naakt (zie foto) en wegen niet meer dan 3 gram. Zodra er iemand in de buurt komt, sperren ze de nog relatief grote bek wijd open in de hoop voedsel te krijgen. Gedurende deze eerste dagen worden de kuikens door beide ouders met klein dierlijk voedsel gevoed, maar al snel wordt het dieet gevarieerder en plantaardiger. Na ongeveer twee weken vliegen de jongen uit. Ze blijven hierna nog enige tijd afhankelijk van de zorg van de ouders en worden nog regelmatig gevoed.
_TVS1296Volwassen huismussen zijn graan- en onkruidzaden eters en passen zich gemakkelijk aan aan wat beschikbaar is. Granen als haver, tarwe en gerst hebben de voorkeur. Omdat huismussen geen kiezen hebben wordt voor de vertering van de zaden grit gebruikt. Ook eten huismussen groenten, in de vorm van bladeren van diverse planten en gele krokus[2] , en fruit zoals appels en abrikozen. Jonge huismussen worden door de ouders vooral gevoerd met insecten zoals vliegen en muggen. Huismussen bijvoeren kan in principe het hele jaar door. Bijvoorbeeld met duiven- of kippenvoer, zoals het goedkope gemengd graan met gebroken mais. Oud brood is niet zo geschikt vanwege het extra zout dat daaraan wordt toegevoegd.
Roofvogels zoals de sperwer, ransuil en kerkuil, kraaiachtigen zoals de ekster, kauw en gaai, spechten en zoogdieren zoals de kat zijn (min of meer) natuurlijke vijanden van de huismus. Bron: Wikipedia
_TVS1292

 

Mantel Bavianen

_TVS1157De Mantel Bavianen in het Safaripark Beekse bergen hebben een mooi verblijf en er is altijd wel wat grappigs te zien met de jonge Baviaantjes.

De Mantelbaviaan (Papio hamadryas) is een aap uit het geslacht der bavianen (Papio). De Mantelbaviaan werd door de Oude Egyptenaren als een heilig dier beschouwd.

_DSC6470Beschrijving
Mannetjes worden 70 tot 95 centimeter lang, met een schouderhoogte van 50 tot 65 centimeter en een lichaamsgewicht van 15 tot 20 kilogram. Vrouwtjes worden 50 tot 65 centimeter lang, met een schouderhoogte van 40 tot 50 centimeter en een lichaamsgewicht van 10 tot 15 kilogram. De staart wordt tussen de 38,2 en de 61 centimeter lang.
De mantelbaviaan kent seksueel dimorfisme: de mannetjes zien er geheel anders uit dan de vrouwtjes. Vrouwtjes en mannetjes die niet seksueel actief zijn hebben een grijzige bruine vacht, met een kaal, roze gezicht en achterzijde. Volwassen, seksueel actieve mannetjes zijn daarentegen veel groter en hebben een lange, zilvergrijze vacht, die lichter is op de wangen, de staartpunt en rond het zitvlak. De handen en voeten zijn donkerder gekleurd. Op de nek en de schouders heeft het mannetje lange manen.

_DSC6463Leefwijze
De mantelbaviaan is een opportunistische omnivoor. Hij leeft van grassen, knoppen, vruchten, wortels, scheuten en ongewervelden. Voor voedsel kunnen de dieren wel 13 kilometer reizen. Ze zijn overdag actief; aan het eind van de middag verzamelen de bavianen zich op steile rotswanden, waar de dieren gezamenlijk slapen. Hier zijn ze relatief veilig voor luipaarden, hun grootste vijand.

_DSC6465Voortplanting en sociaal gedrag
Voortplanten gebeurt het gehele jaar door, alhoewel er in Ethiopië geboortepieken zijn in mei en juni en in november en december. Na een draagtijd van 170 tot 173 dagen wordt meestal één jong geboren. De zoogtijd duurt gemiddeld 239 dagen. Mannetjes verlaten na 2 jaar de geboortegroep, vrouwtjes na 3,5 jaar. Mannetjes blijven vaak hun hele leven in dezelfde clan (zie hieronder). Zij zijn na 7 jaar geslachtsrijp, vrouwtjes na 5 jaar. Mantelbavianen worden tussen de 20 tot 30 jaar oud.

_DSC6467Mantelbavianen leven in harems, bestaande uit één mannetje met 1 tot 10 vrouwtjes (gemiddeld 2) en hun jongen. Bijzonder aan de mantelbaviaan is dat verwante mannetjes (meestal broers) met hun harems naast elkaar leven en samenwerken in een zogenaamde clan. De broers helpen elkaar om vreemde mannetjes weg te jagen. De vrouwtjes worden zo goed bewaakt, dat het zelden een ander mannetje lukt om een vrouwtje weg te kapen. Mantelbavianen veroveren een harem door onvolwassen vrouwtjes (die niet worden bewaakt door de haremleiders en zijn broers) weg te lokken of te ontvoeren, of door oudere haremleiders aan te vallen en enkele of alle vrouwtjes over te nemen.
De clans voegen zich samen met andere clans in een band, waarin de dieren naar de voedselgronden trekken en samen slapen op een gedeelte van een rots. Ook haremloze mannetjes maken deel uit van deze bands. Een groep bands vormt samen weer een “troep”. Een troep kan bestaan uit enkele honderden dieren. Dit zijn alle dieren die op een bepaalde rotswand slapen. ’s Ochtends valt de troep uiteen in de verscheidene bands.

_DSC6471Verspreiding en leefgebied
Mantelbavianen komen voor in de steppen, halfwoestijnen, rotswanden en bergen langs de Rode Zee: ze worden aangetroffen in Somalië, Ethiopië, Eritrea, Djibouti en Soedan, en in het zuidwesten van het Arabisch Schiereiland, in Jemen en Saoedi-Arabië. De Arabische populaties zijn mogelijk ingevoerd. In Ethiopië komen kruisingen voor tussen mantelbavianen en groene bavianen, langs de grens van hun verspreidingsgebieden. Ook deelt de mantelbaviaan een gedeelte van zijn leefgebied met de gelada.
Vroeger kwam de aap waarschijnlijk ook in Egypte voor. Hier werd hij vereerd als een heilig dier, en geassocieerd met de god Thoth. In Ethiopië wordt de vacht van het mannetje verwerkt in ceremoniële kleding.

Gele Trilzwam

_TVS1029De Gele Trilzwam kwamen gisteren tegen tijdens een boswandeling door de Gaas, hij valt wel op tussen de bomen met zijn felle gele kleur.
_TVS1031De Gele Trilzwam zit op Schorszwammen uit het geslacht Peniophora. De Eikeschorszwam (P. quercina) is een geliefd slachtoffer. Let er maar eens op: als je een Gele trilzwam vindt op een eikentak dan zitten er meestal ook wel exemplaren van de Eikeschorszwam op diezelfde tak. Schorszwammen hebben zich ecologisch gespecialiseerd. Ze zitten vaak in takken die sterk aan uitdroging onderhevig zijn, zoals afgestorven takken die nog wel aan de boom vastzitten. Als zijn gastheer het hogerop zoekt, dan rest de parasiet niet veel keus.

_TVS1027Zo kan dus ook de Gele Trilzwam hoog in de boom terecht komen. Bij invallende vorst bevriezen ze daar makkelijk. De stuk gevroren vruchtlichamen laten los zodra het weer gaat dooien, en ploffen – met water verzadigd – onder de boom op de grond. Paddenstoelenzoekers hebben hun blik zelden omhoog gericht. Maar als je eens een Gele trilzwam op de grond ziet liggen, probeer dan eens uit te vogelen van hoe hoog hij kwam.

Tekst : Nico Dam, Nederlandse Mycologische Vereniging,

De Grote Bonte Specht

_TVS0971De grote Bonte Specht is al bezig met een nieuw nest te maken naast ons huis in een oude Berkenboom, dat is wel heel vroeg.

De grote bonte specht is de drummer van het bos; zowel mannetje als vrouwtje roffelen op takken om territorium en paarband te versterken. Grote bonte spechten hakken een nestholte uit in bomen, waarbij de voorkeur, begrijpelijk, uitgaat naar zachte houtsoorten. Berken zijn favoriet, maar andere boomsoorten worden ook gebruikt om een holte met rond gat in uit te hakken. Een specht krijgt daarbij geen hoofdpijn doordat de hersenen in een soort schokdempers zijn ingekleed. In de nestholte worden de eieren gewoon op het hout gelegd; de grote bonte specht maakt geen comfortabel nest voor de jongen.

_TVS0974De grote bonte specht komt overal in Europa voor waar bossen zijn: van de noordelijke naaldbossen, de taiga, tot in de lommerrijke mediterrane bossen. Het verspreidingsgebied reikt zelfs van in het Atlasgebergte in Marokko, Iran tot in Mongolië. In het ruime verspreidingsgebied worden maar liefst 27 ondersoorten gevonden!

Loof- en gemengde bossen met een diverse opbouw (jonge en oude bomen, dicht en open bos) is favoriet. Het nest wordt uitgehakt in een wat zachtere boomsoort, vanaf enkele meters hoogte aan te treffen.

_TVS0975Grote bonte spechten zijn het gehele jaar in de omgeving van hun broedgebied aanwezig, hoewel ze in de winter wel een ruimer gebied gebruiken op zoek naar voedsel. Bij die omzwervingen komen deze spechten ook regelmatig in (stads)tuinen terecht.

Mariakapel in Netersel

_TVS0872We zijn naar een bijzonder Mariakapel in Netersel geweest, het ontstaan van de Mariakapel vonden we heel aangrijpend, toen ik bij het lezen van het verhaal er achterkwam dat ook de naam van mijn man en de geboorte jaar gelijkenis vertoonde van de Verzetsstrijder kreeg ik daarbij wel even een heel apart gevoel.

Omdat wij Pater Pio heel bijzonder vinden gaan we elke maand naar de vriendendienst van Pater Pio in de kerk in de Wassenaerlaan in Tilburg, we hoorde daar dat er ook een groot Pater Pio beeld staat bij een Mariakapel in Netersel.

Dit is het verhaal,  De gedachtenis kapel voor Fons van der Heijden, verzetsstrijder 1896-1944, op 20 september 1944 in het zicht van de bevrijding op ongeveer 50 meter afstand van deze kapel door de nazi’s  gefusilleerd op de grond van Toon Goossens. Deze heeft een stukje van deze grond geschonken om de bouw van de kapel mogelijk te maken. Het is geworden een klein bakstenen kapelletje uit 1947 met een nis, waarin zich een mooi eenvoudig zandstenen Mariabeeld bevindt en enkele herinneringen van de vrienden.

De naam van de Verzetsstrijder is Fons van der Heijden overleden in 1944 in Netersel de naam van mijn man is Fons Verheijden Geboren in 1944 te Tilburg er zijn bepaalde overeenkomsten en dat doet je wel wat als je dat zo onverwacht leest.

Deze Kapel staat op de hoek De Hoeve en Beemke in Netersel ( gem. Bladel ) en is een initiatief van de heer Hems uit Netersel. Het beeld in de tuin van de kapel stelt pater Pio voor. Op het tekstbord in de kapel staat het volgende te lezen: Wij, stichting “Maria Rosa Mystica”, heten u van harte welkom in deze “Veldkapel” Deze kapel is dagelijks voor iedereen opengesteld. Onder het genot van een (gratis) kopje koffie of thee kunt u zich hier in alle stilte even onttrekken aan het drukke wereldse bestaan. Tevens kunt gratis gebruik maken van de sanitaire voorzieningen. Het enigste wat wij aan U vragen is om enige stilte in acht te nemen en respect te tonen voor andere aanwezige mensen. Daarnaast verzoeken wij u vriendelijk om deze Kapel netjes en opgeruimd achter te laten.. Ter volledigheid delen wij u mede dat het secretariaat van de stichting “Maria Rosa Mystica” gevestigd is op De Hoeve 22 te Netersel, tel. 0497 681814. Matt Claassen Penningmeester “Maria Rosa Mystica”

_TVS0858

_TVS0863 _TVS0861

_TVS0860

_TVS0859

 

 

 

Kerststal in Netersel

Wij gingen vanmorgen naar het dorp Netersel om de Mariakapel en het beeld van Pater Pio te bezoeken en foto’s te maken, we reden langs de kerk in het dorp en we zagen een prachtige grote kerststal te staan in Netersel, daar heb ik natuurlijk foto’s van gemaakt.
Op een brief stond geschreven hoe de Kerststal tot stand was gekomen.
De Kerststal in Netersel is in 1994 door een groep vrijwilligers gebouwd naar het voorbeeld van het Brabants ‘Schopke de afmetingen: 5 bij 3 1/2 meter. Het geraamte van de manshoge beelden is vervaardigd van betonijzer en gaas. De gezichten en handafdrukken zijn gipsafdrukken van verschillenden Neterselse mensen en gemaakt van gebakken klei. De aankleding van de kerstgroep is ook geheel door vrijwilligers tot stand gekomen.
Er wordt ook voor de kinderen in Ghana en Tefe een gift gevraagd door Pater ven Hoof en Zuster Barbara, veel succes met het ophalen van de donaties.

_TVS0887

_TVS0889

_TVS0899

_TVS0891

_TVS0897

_TVS0898

_TVS0895

_TVS0892

Rood Borstje en Staartmeesjes

_DSC0002Het Roodborstje en de Staartmeesje zijn weer aanwezig in de tuin, altijd mooi om naar te kijken.

Roodborst,

Veldkenmerken. 14 cm. Gemakkelijk te herkennen aan aardbruine bovendelen, witte buik en onderstaart, en oranje gezicht en borst die van bovendelen gescheiden zijn door grijze band. Oog groot en donker, opvallend in egaal oranje gezicht. Geslachten gelijk. Juveniel met oranjegele vlekken, als een juveniele lijster of Nachtegaal. Opgerichte houding. Doorgaans niet schuw en makkelijk te benaderen. In de zomer wordt territorium verdedigd door paar, in de winter hebben individuele vogels een voedselterritorium, dat met grote agressie wordt verdedigd. In de winter wordt aanwezigheid van territorium aangegeven door luide zang, ook door vrouwtje.

Geluid. Roep metalig ’tik tik’, soms kort ratelend. Zang wordt gehele jaar gehoord, luid, melodieus en parelend, vanaf verheven zangpost, maar vogel zit zelden geheel open.

Voorkomen. Algemene standvogel, maar in noorden en oosten zomergast.

_DSC0004

Habitat. Vochtige loofbossen met ondergroei. Vermijdt dicht bos, droog naaldbos en open gebieden als velden, woestijnen, etc. Op trek ook in geïsoleerde bosjes en heggen in open gebieden.

Voedsel. Ongewervelden, zaden en vruchten. Fourageert voornamelijk op de grond, pikt hierbij ook onstuimig in de grond om ondergrondse prooi op te sporen. Jaagt soms vanaf lage uitkijkpost. Bron: soortenbank.nl

Staartmeesjes,

_DSC0005

Staartmeesjes zijn mooie grappige vogeltjes

Veldkenmerken. 14 cm. Onmiskenbaar. Kleine mees; staart neemt de helft van de totale lichaamslengte in. Kop wit met brede zwarte oogstreep, zwarte rug met roze mantelzijden, handpennen zwart en wit, lange zwarte staart met witte zijden. Onderdelen wit met roze op onderstaart tot aan poten. Snavel zwart en zeer kort. Ondersoorten uit noorden en oosten missen zwart op kop, mediterrane ondersoort heeft vage oogstreep en grijze mantel. Vlucht vrij zwak, met opvallend lange staart. Buiten broedseizoen meestal in groepjes, vaak samen met andere mezen. Heeft acrobatisch gedrag.

Geluid. Hoog ’sisisi’, karakteristiek ’chirrup’.

Voorkomen. Algemeen.

Habitat. In loof- en gemengde bossen, parken, etc.

Voedsel. Voornamelijk kleine ongewervelden; fourageert op twijgen. Komt vrijwel nooit op de grond. Bron Soortenbank.nl

De eerst sneeuw in 2012


Vandaag De eerste sneeuw in 2012, de foto’s zijn vanuit mijn raam gemaakt.

Bij temperaturen onder het vriespunt vormt sneeuw zich wanneer waterdamp tot ijskristallen verrijpt. Dit proces vindt vooral plaats tussen -5 en -20 °C en optimaal bij een temperatuur rond -12 °C. Bij deze waarde is het verschil in de dampdruk ten opzichte van water en ijs het grootst en gaan watermoleculen van onderkoelde waterdruppels naar vrieskernen. Deze vrieskernen dienen als een soort katalysator en brengen de bevriezing versneld op gang. Door botsingen onderling en op de weg naar beneden groeien deze ijsdeeltjes geleidelijk aan tot sneeuwkristallen.

Wanneer het waait, klitten de sneeuwkristallen, vaak in de vorm van sterren, op hun weg naar de aarde samen en vormen een vlok. Zo’n vlok bestaat uit wat ijs en heel veel lucht tussen de ijsnaaldjes, zo ongeveer als een kussen vol veren met lucht ertussen. Vlokken zijn onregelmatig, klein of groot, maar wanneer het windstil is, dwarrelen ze één voor één naar beneden. Vlokken vormen zich met name in voldoende vochtige lucht die niet al te koud is. Bij vrij lage temperaturen in drogere lucht vallen dikwijls losse sneeuwkristallen. In de poolstreken komt dit vaak voor. Bron: Wikipedia

Gehakkelde Aurelia

De gehakkelde Aurelia heb ik nog in Oktober gefotografeerd, dit jaar niet zoveel gezien in de tuin.

Voorvleugellengte: 20-26 mm. De bovenkant van de vleugels heeft een oranje grondkleur met zwarte vlekken. De donkerbruine achterrand van zowel de voor- als de achtervleugel is sterk gekarteld. Op de onderkant van de achtervleugel bevindt zich een kleine witte C.

Gelijkende soorten
De grote vos heeft geen gekartelde achterrand.

Voorkomen
Een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt. Tot de jaren tachtig van de vorige eeuw werd de soort weinig waargenomen in het noorden en westen van het land, maar sinds die tijd heeft de gehakkelde aurelia zich steeds verder uitgebreid.

Habitat
Bosranden, open plekken in het bos, parken en tuinen.

Waardplanten
Vooral grote brandnetel; ook hop, iep, ribes en wilg.

Vliegtijd en gedrag
Maart-oktober in twee elkaar overlappende generaties. De vlinders voeden zich met nectar van verschillende planten en drinken ook van plassen of mest; in het najaar zijn ze geregeld aan te treffen op rottend fruit.

Levenscyclus
Rups: begin mei-oktober. De rupsen leven op de bovenkant van de bladeren, waar ze niet opvallen omdat ze net een vogelpoepje lijken. De verpopping vindt plaats in de vegetatie, op of in de buurt van de waardplant. De soort overwintert als vlinder vlak bij de grond, bijvoorbeeld aan de onderkant van boomwortels, in een holle boom of tussen takkenbossen of afgevallen bladeren; zelden in gebouwen. De eieren worden afgezet op een bladrand van de waardplant. Bron Vlindernet.nl

Kolibrievlinder

De Kolibrievlinder had ik nog in mijn voorraad foto’s zitten van afgelopen zomer, ze zijn ontzettend snel en blijven nooit lang boven een plek hangen, ze gaan ook nooit op een bloem zitten om nectar te drinken.

Borststuk en voorvleugels bruingrijs met vage dwarsstrepen, achtervleugels oranjegeel. Achterlijfspunt met karakteristieke zwart-wit geblokte tekening.

Voorkomen
In Zuid-Europa standvlinder. Sterke trekker, bereikt jaarlijks vanuit het zuiden heel Europa. De soort wordt de laatste jaren talrijker waargenomen dan voorheen, maar komt in Nederland en België meestal niet de winter door.


Levenswijze
Het aantal kolibrievlinders dat jaarlijks NW- en Midden-Europa bereikt is sterk wisselend. In tegenstelling tot vele andere pijlstaartvlinders is de kolibrievlinder dagactief. De vlinder wordt net als een kolibrie zwevend voor bloemen waargenomen en zuigt nectar met de lange tong zonder op de bloem te gaan zitten (366 3 g). Hij produceert een hoorbaar zoemgeluid. De soort wordt vaak in tuinen gezien. De rups is groen of bruin met aan weerzijde een witte en een gele lengtestreep. Voedselplant: walstro-achtigen, met name geel walstro, vroeger voor 1880 in zeeland op meekrap. De soort kan twee generaties per jaar realiseren. Een deel van de in noordelijke gebieden ontwikkelde vlinders vliegt in de herfst terug naar Zuid-Europa. Sommige, in Nederland overwinterde vlinders kunnen al in zachte december- of januari-maanden uitvliegen. Bron Soortenbank.nl

Ereprijsvedermot

De Ereprijsvedermot zat gisteravond tegen de raam hij lijkt wel op een tak, het is een nachtvlindertje.

Stenoptilia pterodactyla/ Ereprijsvedermot in Nederland

Door het gehele land waargenomen, maar nergens algemeen. Bij voorkeur op de groeiplaatsen van ereprijs, op vochtige weiden en langs bosranden.

Herkenning

Vleugelwijdte 20-26 mm De vliegtijd begin mei tot eind augustus, de hoofdperiode half juni tot half augustus.
De soort heeft een kenmerkende sterk ontwikkelde dubbele vlek aan de basis van de inkeping.

Levenswijze ‘biologie’

Rups op gewone ereprijs (Veronica chamaedrys). De eieren worden afgezet aan de onderzijde van het blad. De rupsen leven op de bladeren, bloemen en zaden. Overwintering in een overblijfsel van de steel.

Waardplanten of voedsel

Gewone ereprijs (Veronica chamaedrys). Bron: http://www.microlepidoptera.nl