vrouwtjes Huismus

_TVS1297Het Vrouwtjes Huismus liet zich goed fotograferen, zo kun je zien dat ’t ook een mooi vogeltje is.

De huismus is 14 tot 16 cm lang en weegt maximaal 30 gram. Het mannetje heeft een grijze kruin en grijze wangen, een zwarte keel en borst, een zwart masker met witte stip achter het oog, een witte streep over de vleugels, en in het broedseizoen een zwarte snavel. Het vrouwtje heeft een minder contrastrijke tekening dan het mannetje, een lichte oogstreep, enige tekening op rug en vleugels en een effen licht grijs/bruine borst. In de ruitijd is hun verenkleed soms nauwelijks meer te herkennen als zijnde van een huismus.
Soorten die uiterlijk op de huismus lijken en daarmee verward kunnen worden, zijn de heggenmus, de ringmus, het vrouwtje vink en de Spaanse mus. Deze laatste komt zelden voor in Nederland en België.
_TVS1295Een mussenpaar bouwt gezamenlijk een nest, waarin het vrouwtje vier tot zeven eieren legt. Na ongeveer 12 dagen broeden komen de eieren uit. Als de kuikens uit het ei komen, zijn ze nog naakt (zie foto) en wegen niet meer dan 3 gram. Zodra er iemand in de buurt komt, sperren ze de nog relatief grote bek wijd open in de hoop voedsel te krijgen. Gedurende deze eerste dagen worden de kuikens door beide ouders met klein dierlijk voedsel gevoed, maar al snel wordt het dieet gevarieerder en plantaardiger. Na ongeveer twee weken vliegen de jongen uit. Ze blijven hierna nog enige tijd afhankelijk van de zorg van de ouders en worden nog regelmatig gevoed.
_TVS1296Volwassen huismussen zijn graan- en onkruidzaden eters en passen zich gemakkelijk aan aan wat beschikbaar is. Granen als haver, tarwe en gerst hebben de voorkeur. Omdat huismussen geen kiezen hebben wordt voor de vertering van de zaden grit gebruikt. Ook eten huismussen groenten, in de vorm van bladeren van diverse planten en gele krokus[2] , en fruit zoals appels en abrikozen. Jonge huismussen worden door de ouders vooral gevoerd met insecten zoals vliegen en muggen. Huismussen bijvoeren kan in principe het hele jaar door. Bijvoorbeeld met duiven- of kippenvoer, zoals het goedkope gemengd graan met gebroken mais. Oud brood is niet zo geschikt vanwege het extra zout dat daaraan wordt toegevoegd.
Roofvogels zoals de sperwer, ransuil en kerkuil, kraaiachtigen zoals de ekster, kauw en gaai, spechten en zoogdieren zoals de kat zijn (min of meer) natuurlijke vijanden van de huismus. Bron: Wikipedia
_TVS1292

 

Mantel Bavianen

_TVS1157De Mantel Bavianen in het Safaripark Beekse bergen hebben een mooi verblijf en er is altijd wel wat grappigs te zien met de jonge Baviaantjes.

De Mantelbaviaan (Papio hamadryas) is een aap uit het geslacht der bavianen (Papio). De Mantelbaviaan werd door de Oude Egyptenaren als een heilig dier beschouwd.

_DSC6470Beschrijving
Mannetjes worden 70 tot 95 centimeter lang, met een schouderhoogte van 50 tot 65 centimeter en een lichaamsgewicht van 15 tot 20 kilogram. Vrouwtjes worden 50 tot 65 centimeter lang, met een schouderhoogte van 40 tot 50 centimeter en een lichaamsgewicht van 10 tot 15 kilogram. De staart wordt tussen de 38,2 en de 61 centimeter lang.
De mantelbaviaan kent seksueel dimorfisme: de mannetjes zien er geheel anders uit dan de vrouwtjes. Vrouwtjes en mannetjes die niet seksueel actief zijn hebben een grijzige bruine vacht, met een kaal, roze gezicht en achterzijde. Volwassen, seksueel actieve mannetjes zijn daarentegen veel groter en hebben een lange, zilvergrijze vacht, die lichter is op de wangen, de staartpunt en rond het zitvlak. De handen en voeten zijn donkerder gekleurd. Op de nek en de schouders heeft het mannetje lange manen.

_DSC6463Leefwijze
De mantelbaviaan is een opportunistische omnivoor. Hij leeft van grassen, knoppen, vruchten, wortels, scheuten en ongewervelden. Voor voedsel kunnen de dieren wel 13 kilometer reizen. Ze zijn overdag actief; aan het eind van de middag verzamelen de bavianen zich op steile rotswanden, waar de dieren gezamenlijk slapen. Hier zijn ze relatief veilig voor luipaarden, hun grootste vijand.

_DSC6465Voortplanting en sociaal gedrag
Voortplanten gebeurt het gehele jaar door, alhoewel er in Ethiopië geboortepieken zijn in mei en juni en in november en december. Na een draagtijd van 170 tot 173 dagen wordt meestal één jong geboren. De zoogtijd duurt gemiddeld 239 dagen. Mannetjes verlaten na 2 jaar de geboortegroep, vrouwtjes na 3,5 jaar. Mannetjes blijven vaak hun hele leven in dezelfde clan (zie hieronder). Zij zijn na 7 jaar geslachtsrijp, vrouwtjes na 5 jaar. Mantelbavianen worden tussen de 20 tot 30 jaar oud.

_DSC6467Mantelbavianen leven in harems, bestaande uit één mannetje met 1 tot 10 vrouwtjes (gemiddeld 2) en hun jongen. Bijzonder aan de mantelbaviaan is dat verwante mannetjes (meestal broers) met hun harems naast elkaar leven en samenwerken in een zogenaamde clan. De broers helpen elkaar om vreemde mannetjes weg te jagen. De vrouwtjes worden zo goed bewaakt, dat het zelden een ander mannetje lukt om een vrouwtje weg te kapen. Mantelbavianen veroveren een harem door onvolwassen vrouwtjes (die niet worden bewaakt door de haremleiders en zijn broers) weg te lokken of te ontvoeren, of door oudere haremleiders aan te vallen en enkele of alle vrouwtjes over te nemen.
De clans voegen zich samen met andere clans in een band, waarin de dieren naar de voedselgronden trekken en samen slapen op een gedeelte van een rots. Ook haremloze mannetjes maken deel uit van deze bands. Een groep bands vormt samen weer een “troep”. Een troep kan bestaan uit enkele honderden dieren. Dit zijn alle dieren die op een bepaalde rotswand slapen. ’s Ochtends valt de troep uiteen in de verscheidene bands.

_DSC6471Verspreiding en leefgebied
Mantelbavianen komen voor in de steppen, halfwoestijnen, rotswanden en bergen langs de Rode Zee: ze worden aangetroffen in Somalië, Ethiopië, Eritrea, Djibouti en Soedan, en in het zuidwesten van het Arabisch Schiereiland, in Jemen en Saoedi-Arabië. De Arabische populaties zijn mogelijk ingevoerd. In Ethiopië komen kruisingen voor tussen mantelbavianen en groene bavianen, langs de grens van hun verspreidingsgebieden. Ook deelt de mantelbaviaan een gedeelte van zijn leefgebied met de gelada.
Vroeger kwam de aap waarschijnlijk ook in Egypte voor. Hier werd hij vereerd als een heilig dier, en geassocieerd met de god Thoth. In Ethiopië wordt de vacht van het mannetje verwerkt in ceremoniële kleding.

Gele Trilzwam

_TVS1029De Gele Trilzwam kwamen gisteren tegen tijdens een boswandeling door de Gaas, hij valt wel op tussen de bomen met zijn felle gele kleur.
_TVS1031De Gele Trilzwam zit op Schorszwammen uit het geslacht Peniophora. De Eikeschorszwam (P. quercina) is een geliefd slachtoffer. Let er maar eens op: als je een Gele trilzwam vindt op een eikentak dan zitten er meestal ook wel exemplaren van de Eikeschorszwam op diezelfde tak. Schorszwammen hebben zich ecologisch gespecialiseerd. Ze zitten vaak in takken die sterk aan uitdroging onderhevig zijn, zoals afgestorven takken die nog wel aan de boom vastzitten. Als zijn gastheer het hogerop zoekt, dan rest de parasiet niet veel keus.

_TVS1027Zo kan dus ook de Gele Trilzwam hoog in de boom terecht komen. Bij invallende vorst bevriezen ze daar makkelijk. De stuk gevroren vruchtlichamen laten los zodra het weer gaat dooien, en ploffen – met water verzadigd – onder de boom op de grond. Paddenstoelenzoekers hebben hun blik zelden omhoog gericht. Maar als je eens een Gele trilzwam op de grond ziet liggen, probeer dan eens uit te vogelen van hoe hoog hij kwam.

Tekst : Nico Dam, Nederlandse Mycologische Vereniging,

De Grote Bonte Specht

_TVS0971De grote Bonte Specht is al bezig met een nieuw nest te maken naast ons huis in een oude Berkenboom, dat is wel heel vroeg.

De grote bonte specht is de drummer van het bos; zowel mannetje als vrouwtje roffelen op takken om territorium en paarband te versterken. Grote bonte spechten hakken een nestholte uit in bomen, waarbij de voorkeur, begrijpelijk, uitgaat naar zachte houtsoorten. Berken zijn favoriet, maar andere boomsoorten worden ook gebruikt om een holte met rond gat in uit te hakken. Een specht krijgt daarbij geen hoofdpijn doordat de hersenen in een soort schokdempers zijn ingekleed. In de nestholte worden de eieren gewoon op het hout gelegd; de grote bonte specht maakt geen comfortabel nest voor de jongen.

_TVS0974De grote bonte specht komt overal in Europa voor waar bossen zijn: van de noordelijke naaldbossen, de taiga, tot in de lommerrijke mediterrane bossen. Het verspreidingsgebied reikt zelfs van in het Atlasgebergte in Marokko, Iran tot in Mongolië. In het ruime verspreidingsgebied worden maar liefst 27 ondersoorten gevonden!

Loof- en gemengde bossen met een diverse opbouw (jonge en oude bomen, dicht en open bos) is favoriet. Het nest wordt uitgehakt in een wat zachtere boomsoort, vanaf enkele meters hoogte aan te treffen.

_TVS0975Grote bonte spechten zijn het gehele jaar in de omgeving van hun broedgebied aanwezig, hoewel ze in de winter wel een ruimer gebied gebruiken op zoek naar voedsel. Bij die omzwervingen komen deze spechten ook regelmatig in (stads)tuinen terecht.

Mariakapel in Netersel

_TVS0872We zijn naar een bijzonder Mariakapel in Netersel geweest, het ontstaan van de Mariakapel vonden we heel aangrijpend, toen ik bij het lezen van het verhaal er achterkwam dat ook de naam van mijn man en de geboorte jaar gelijkenis vertoonde van de Verzetsstrijder kreeg ik daarbij wel even een heel apart gevoel.

Omdat wij Pater Pio heel bijzonder vinden gaan we elke maand naar de vriendendienst van Pater Pio in de kerk in de Wassenaerlaan in Tilburg, we hoorde daar dat er ook een groot Pater Pio beeld staat bij een Mariakapel in Netersel.

Dit is het verhaal,  De gedachtenis kapel voor Fons van der Heijden, verzetsstrijder 1896-1944, op 20 september 1944 in het zicht van de bevrijding op ongeveer 50 meter afstand van deze kapel door de nazi’s  gefusilleerd op de grond van Toon Goossens. Deze heeft een stukje van deze grond geschonken om de bouw van de kapel mogelijk te maken. Het is geworden een klein bakstenen kapelletje uit 1947 met een nis, waarin zich een mooi eenvoudig zandstenen Mariabeeld bevindt en enkele herinneringen van de vrienden.

De naam van de Verzetsstrijder is Fons van der Heijden overleden in 1944 in Netersel de naam van mijn man is Fons Verheijden Geboren in 1944 te Tilburg er zijn bepaalde overeenkomsten en dat doet je wel wat als je dat zo onverwacht leest.

Deze Kapel staat op de hoek De Hoeve en Beemke in Netersel ( gem. Bladel ) en is een initiatief van de heer Hems uit Netersel. Het beeld in de tuin van de kapel stelt pater Pio voor. Op het tekstbord in de kapel staat het volgende te lezen: Wij, stichting “Maria Rosa Mystica”, heten u van harte welkom in deze “Veldkapel” Deze kapel is dagelijks voor iedereen opengesteld. Onder het genot van een (gratis) kopje koffie of thee kunt u zich hier in alle stilte even onttrekken aan het drukke wereldse bestaan. Tevens kunt gratis gebruik maken van de sanitaire voorzieningen. Het enigste wat wij aan U vragen is om enige stilte in acht te nemen en respect te tonen voor andere aanwezige mensen. Daarnaast verzoeken wij u vriendelijk om deze Kapel netjes en opgeruimd achter te laten.. Ter volledigheid delen wij u mede dat het secretariaat van de stichting “Maria Rosa Mystica” gevestigd is op De Hoeve 22 te Netersel, tel. 0497 681814. Matt Claassen Penningmeester “Maria Rosa Mystica”

_TVS0858

_TVS0863 _TVS0861

_TVS0860

_TVS0859

 

 

 

Kerststal in Netersel

Wij gingen vanmorgen naar het dorp Netersel om de Mariakapel en het beeld van Pater Pio te bezoeken en foto’s te maken, we reden langs de kerk in het dorp en we zagen een prachtige grote kerststal te staan in Netersel, daar heb ik natuurlijk foto’s van gemaakt.
Op een brief stond geschreven hoe de Kerststal tot stand was gekomen.
De Kerststal in Netersel is in 1994 door een groep vrijwilligers gebouwd naar het voorbeeld van het Brabants ‘Schopke de afmetingen: 5 bij 3 1/2 meter. Het geraamte van de manshoge beelden is vervaardigd van betonijzer en gaas. De gezichten en handafdrukken zijn gipsafdrukken van verschillenden Neterselse mensen en gemaakt van gebakken klei. De aankleding van de kerstgroep is ook geheel door vrijwilligers tot stand gekomen.
Er wordt ook voor de kinderen in Ghana en Tefe een gift gevraagd door Pater ven Hoof en Zuster Barbara, veel succes met het ophalen van de donaties.

_TVS0887

_TVS0889

_TVS0899

_TVS0891

_TVS0897

_TVS0898

_TVS0895

_TVS0892

Rood Borstje en Staartmeesjes

_DSC0002Het Roodborstje en de Staartmeesje zijn weer aanwezig in de tuin, altijd mooi om naar te kijken.

Roodborst,

Veldkenmerken. 14 cm. Gemakkelijk te herkennen aan aardbruine bovendelen, witte buik en onderstaart, en oranje gezicht en borst die van bovendelen gescheiden zijn door grijze band. Oog groot en donker, opvallend in egaal oranje gezicht. Geslachten gelijk. Juveniel met oranjegele vlekken, als een juveniele lijster of Nachtegaal. Opgerichte houding. Doorgaans niet schuw en makkelijk te benaderen. In de zomer wordt territorium verdedigd door paar, in de winter hebben individuele vogels een voedselterritorium, dat met grote agressie wordt verdedigd. In de winter wordt aanwezigheid van territorium aangegeven door luide zang, ook door vrouwtje.

Geluid. Roep metalig ’tik tik’, soms kort ratelend. Zang wordt gehele jaar gehoord, luid, melodieus en parelend, vanaf verheven zangpost, maar vogel zit zelden geheel open.

Voorkomen. Algemene standvogel, maar in noorden en oosten zomergast.

_DSC0004

Habitat. Vochtige loofbossen met ondergroei. Vermijdt dicht bos, droog naaldbos en open gebieden als velden, woestijnen, etc. Op trek ook in geïsoleerde bosjes en heggen in open gebieden.

Voedsel. Ongewervelden, zaden en vruchten. Fourageert voornamelijk op de grond, pikt hierbij ook onstuimig in de grond om ondergrondse prooi op te sporen. Jaagt soms vanaf lage uitkijkpost. Bron: soortenbank.nl

Staartmeesjes,

_DSC0005

Staartmeesjes zijn mooie grappige vogeltjes

Veldkenmerken. 14 cm. Onmiskenbaar. Kleine mees; staart neemt de helft van de totale lichaamslengte in. Kop wit met brede zwarte oogstreep, zwarte rug met roze mantelzijden, handpennen zwart en wit, lange zwarte staart met witte zijden. Onderdelen wit met roze op onderstaart tot aan poten. Snavel zwart en zeer kort. Ondersoorten uit noorden en oosten missen zwart op kop, mediterrane ondersoort heeft vage oogstreep en grijze mantel. Vlucht vrij zwak, met opvallend lange staart. Buiten broedseizoen meestal in groepjes, vaak samen met andere mezen. Heeft acrobatisch gedrag.

Geluid. Hoog ’sisisi’, karakteristiek ’chirrup’.

Voorkomen. Algemeen.

Habitat. In loof- en gemengde bossen, parken, etc.

Voedsel. Voornamelijk kleine ongewervelden; fourageert op twijgen. Komt vrijwel nooit op de grond. Bron Soortenbank.nl

De eerst sneeuw in 2012


Vandaag De eerste sneeuw in 2012, de foto’s zijn vanuit mijn raam gemaakt.

Bij temperaturen onder het vriespunt vormt sneeuw zich wanneer waterdamp tot ijskristallen verrijpt. Dit proces vindt vooral plaats tussen -5 en -20 °C en optimaal bij een temperatuur rond -12 °C. Bij deze waarde is het verschil in de dampdruk ten opzichte van water en ijs het grootst en gaan watermoleculen van onderkoelde waterdruppels naar vrieskernen. Deze vrieskernen dienen als een soort katalysator en brengen de bevriezing versneld op gang. Door botsingen onderling en op de weg naar beneden groeien deze ijsdeeltjes geleidelijk aan tot sneeuwkristallen.

Wanneer het waait, klitten de sneeuwkristallen, vaak in de vorm van sterren, op hun weg naar de aarde samen en vormen een vlok. Zo’n vlok bestaat uit wat ijs en heel veel lucht tussen de ijsnaaldjes, zo ongeveer als een kussen vol veren met lucht ertussen. Vlokken zijn onregelmatig, klein of groot, maar wanneer het windstil is, dwarrelen ze één voor één naar beneden. Vlokken vormen zich met name in voldoende vochtige lucht die niet al te koud is. Bij vrij lage temperaturen in drogere lucht vallen dikwijls losse sneeuwkristallen. In de poolstreken komt dit vaak voor. Bron: Wikipedia

Gehakkelde Aurelia

De gehakkelde Aurelia heb ik nog in Oktober gefotografeerd, dit jaar niet zoveel gezien in de tuin.

Voorvleugellengte: 20-26 mm. De bovenkant van de vleugels heeft een oranje grondkleur met zwarte vlekken. De donkerbruine achterrand van zowel de voor- als de achtervleugel is sterk gekarteld. Op de onderkant van de achtervleugel bevindt zich een kleine witte C.

Gelijkende soorten
De grote vos heeft geen gekartelde achterrand.

Voorkomen
Een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt. Tot de jaren tachtig van de vorige eeuw werd de soort weinig waargenomen in het noorden en westen van het land, maar sinds die tijd heeft de gehakkelde aurelia zich steeds verder uitgebreid.

Habitat
Bosranden, open plekken in het bos, parken en tuinen.

Waardplanten
Vooral grote brandnetel; ook hop, iep, ribes en wilg.

Vliegtijd en gedrag
Maart-oktober in twee elkaar overlappende generaties. De vlinders voeden zich met nectar van verschillende planten en drinken ook van plassen of mest; in het najaar zijn ze geregeld aan te treffen op rottend fruit.

Levenscyclus
Rups: begin mei-oktober. De rupsen leven op de bovenkant van de bladeren, waar ze niet opvallen omdat ze net een vogelpoepje lijken. De verpopping vindt plaats in de vegetatie, op of in de buurt van de waardplant. De soort overwintert als vlinder vlak bij de grond, bijvoorbeeld aan de onderkant van boomwortels, in een holle boom of tussen takkenbossen of afgevallen bladeren; zelden in gebouwen. De eieren worden afgezet op een bladrand van de waardplant. Bron Vlindernet.nl

Kolibrievlinder

De Kolibrievlinder had ik nog in mijn voorraad foto’s zitten van afgelopen zomer, ze zijn ontzettend snel en blijven nooit lang boven een plek hangen, ze gaan ook nooit op een bloem zitten om nectar te drinken.

Borststuk en voorvleugels bruingrijs met vage dwarsstrepen, achtervleugels oranjegeel. Achterlijfspunt met karakteristieke zwart-wit geblokte tekening.

Voorkomen
In Zuid-Europa standvlinder. Sterke trekker, bereikt jaarlijks vanuit het zuiden heel Europa. De soort wordt de laatste jaren talrijker waargenomen dan voorheen, maar komt in Nederland en België meestal niet de winter door.


Levenswijze
Het aantal kolibrievlinders dat jaarlijks NW- en Midden-Europa bereikt is sterk wisselend. In tegenstelling tot vele andere pijlstaartvlinders is de kolibrievlinder dagactief. De vlinder wordt net als een kolibrie zwevend voor bloemen waargenomen en zuigt nectar met de lange tong zonder op de bloem te gaan zitten (366 3 g). Hij produceert een hoorbaar zoemgeluid. De soort wordt vaak in tuinen gezien. De rups is groen of bruin met aan weerzijde een witte en een gele lengtestreep. Voedselplant: walstro-achtigen, met name geel walstro, vroeger voor 1880 in zeeland op meekrap. De soort kan twee generaties per jaar realiseren. Een deel van de in noordelijke gebieden ontwikkelde vlinders vliegt in de herfst terug naar Zuid-Europa. Sommige, in Nederland overwinterde vlinders kunnen al in zachte december- of januari-maanden uitvliegen. Bron Soortenbank.nl

Ereprijsvedermot

De Ereprijsvedermot zat gisteravond tegen de raam hij lijkt wel op een tak, het is een nachtvlindertje.

Stenoptilia pterodactyla/ Ereprijsvedermot in Nederland

Door het gehele land waargenomen, maar nergens algemeen. Bij voorkeur op de groeiplaatsen van ereprijs, op vochtige weiden en langs bosranden.

Herkenning

Vleugelwijdte 20-26 mm De vliegtijd begin mei tot eind augustus, de hoofdperiode half juni tot half augustus.
De soort heeft een kenmerkende sterk ontwikkelde dubbele vlek aan de basis van de inkeping.

Levenswijze ‘biologie’

Rups op gewone ereprijs (Veronica chamaedrys). De eieren worden afgezet aan de onderzijde van het blad. De rupsen leven op de bladeren, bloemen en zaden. Overwintering in een overblijfsel van de steel.

Waardplanten of voedsel

Gewone ereprijs (Veronica chamaedrys). Bron: http://www.microlepidoptera.nl

De Vlaamse Gaai

De Vlaamse Gaai is een mooie vogel het is een jager die in het voorjaar achter de jonge vogeltjes aan jaagt, maar dat is de natuur. hij komt elke dag even langs voor de pinda’s.

Deze vogel komt voor in het cultuurland en de bossen. Hij is over heel Europa verspreid met uitzondering van het hoge noorden. In nieuwbouwwijken zie je in eerste instantie vaak de ekster, naarmate de bomen en struiken in het openbaar groen en in tuinen groter worden, wordt deze langzaamaan verdrongen door de gaai.

Voedsel

Voedsel vindt de gaai in bomen en struiken, in de lucht en op de grond; het betreft een breed spectrum van dierlijk en plantaardig dieet: insecten en ongewervelden (waaronder veel plaagdieren), eikels, beukennootjes, hazelnoten en andere zaden en noten, vruchten als bramen, frambozen en lijsterbessen. Ook kleine of jonge zangvogels en eieren behoren tot het dieet, evenals kleine knaagdieren. Met de sterke snavel hakt de gaai gaten in harde omhulsels als slakkenhuizen, notendoppen en eierschalen.

De eik is afhankelijk van de gaai voor het verspreiden van eikels: de gaai vervoert ze in zijn keel en tussen zijn snavel naar plaatsen met een zachte ondergrond, waarna hij ze in de aarde duwt. Zo legt hij een wintervoorraad aan. Hij vergeet alleen een aantal plekjes. Wat niet teruggevonden wordt, kan uitgroeien tot een nieuwe eik. Om deze reden wordt de gaai ook wel ‘de grootste bosbouwer’ genoemd. De Duitse naam voor de gaai (Eichelhäher) typeert het gedrag. Bron Wikipedia

Ibis


Een paar maanden geleden heb ik deze foto’s in het Safaripark Beekse Bergen van de ibissen, ze hebben een mooi verblijf in het Safaripark B.B

De scharlaken ibis (Eudocimus ruber) is te vinden in Zuid-Amerika, variërend van Trinidad en Tobago, naar beneden door Venezuela naar Brazilië, leven in zoet en zout water en moerassen. De scharlaken ibis is de nationale vogel van Trinidad en Tobago.

De rode ibis is zo door hun heldere kleur die door de schelpdieren ze eten genoemd. Beide geslachten zien er hetzelfde uit, hoewel mannetjes zijn groter. Ze hebben een lange gebogen snavel die niet alleen helpt hen terwijl op jacht naar voedsel in het water, maar ook kunnen ze schoon en glad hun veren. Lange benen hen in staat stellen om gemakkelijk waden door moerassen en moerassen. Ze zijn allebei sterke vliegers en zwemmers.

Hun belangrijkste bron van voedsel is te vinden in het water waar ze jagen krabben, vissen, insecten en garnalen. Maar ze eten ook vruchten en zaden.

Rode ibis wonen samen in grote groepen, nestelen in de bomen elkaar in de nacht. Tijdens het broedseizoen het mannetje op een display om een vrouw, eenmaal gekoppeld de twee zullen paren voor het leven te trekken.

Deze ibis lopen het risico niet alleen van het verlies van leefgebieden, maar ook vergiftiging door insecticiden die ook van invloed op hun bron van voedsel.

IUCN Rode Lijst categorie: Niet bedreigd Bron: Edinburgh Zoo

Vlaamse Gaai en Koolmees

De Vlaamse Gaai en de Koolmees zijn ook trouwe bezoekers voor de Pinda’s

Veldkenmerken. 34 cm. Onmiskenbaar. Verenkleed voornamelijk licht kaneelkleurig-roodbruin, met oprichtbare zwart en wit gestreepte kruinveren, zwarte mondstreep, blauw en zwart gebandeerde vleugeldekveren, witte keel, witte vlek op gesloten vleugels, en witte stuit en anaalstreek scherp contrasterend met donkere staart. Vliegt ’moeizaam’, springt vaak van tak tot tak.

Geluid. Indien opgeschrikt, een luid en schor ’skraaawk’; verder verschillende klikkende, miauwende en klokkende geluiden.

Voorkomen.Algemene standvogel in geheel Europa behalve nabij de Poolcirkel. Noordelijke vogels trekken ’s winters zuidwaarts.

Habitat. Meer boombewoner dan andere kraaien, altijd in de nabijheid van bomen, ’s winters vooral eiken. Nestelt laag in bomen of in hoge onderbegroeiing. Waakzame vogel, die echter tegenwoordig ook in steden voorkomt.

Voedsel. Voornamelijk allerlei soorten vruchten (vooral eikels); ook ongewervelde dieren en kleine zoogdieren. Een gerenommeerd nestrover. Bron: Soortenbank.nl

Koolmeesje,

Veldkenmerken. 14 cm. Grootste algemene mees. Kop zwart met witte wangen, bovendelen groen, onderdelen geel met brede zwarte streep van keel tot op onderstaartdekveren, vleugels groenblauw met witte vleugelstreep en witte punten aan tertials, staart zwartblauw met witte buitenste pennen, stevige zwarte snavel. Kleine gelige vlek in nek doet aan Zwarte Mees denken, maar bij deze is de vlek veel groter en witter. Mannetje heeftbredere zwarte band over buik dan vrouwtje; juveniel als adult maar doffer. Fourageert veel op de grond en in lagere delen van bomen en struiken. Broedt veel in nestkasten in nabijheid van mensen.

Geluid. Zeer variabel. Roep onder andere ’wiet’, tsjurrr’, ’pink’ (als Vink), ’tietja’, etc. Zang herhaald ’tie tie tèè’ en variaties hierop.

Voorkomen. Talrijk. Standvogel, maar noordelijke populaties trekken zuidwaarts in de winter. Bron: Soortenbank.nl