Ibis


Een paar maanden geleden heb ik deze foto’s in het Safaripark Beekse Bergen van de ibissen, ze hebben een mooi verblijf in het Safaripark B.B

De scharlaken ibis (Eudocimus ruber) is te vinden in Zuid-Amerika, variërend van Trinidad en Tobago, naar beneden door Venezuela naar Brazilië, leven in zoet en zout water en moerassen. De scharlaken ibis is de nationale vogel van Trinidad en Tobago.

De rode ibis is zo door hun heldere kleur die door de schelpdieren ze eten genoemd. Beide geslachten zien er hetzelfde uit, hoewel mannetjes zijn groter. Ze hebben een lange gebogen snavel die niet alleen helpt hen terwijl op jacht naar voedsel in het water, maar ook kunnen ze schoon en glad hun veren. Lange benen hen in staat stellen om gemakkelijk waden door moerassen en moerassen. Ze zijn allebei sterke vliegers en zwemmers.

Hun belangrijkste bron van voedsel is te vinden in het water waar ze jagen krabben, vissen, insecten en garnalen. Maar ze eten ook vruchten en zaden.

Rode ibis wonen samen in grote groepen, nestelen in de bomen elkaar in de nacht. Tijdens het broedseizoen het mannetje op een display om een vrouw, eenmaal gekoppeld de twee zullen paren voor het leven te trekken.

Deze ibis lopen het risico niet alleen van het verlies van leefgebieden, maar ook vergiftiging door insecticiden die ook van invloed op hun bron van voedsel.

IUCN Rode Lijst categorie: Niet bedreigd Bron: Edinburgh Zoo

Vlaamse Gaai en Koolmees

De Vlaamse Gaai en de Koolmees zijn ook trouwe bezoekers voor de Pinda’s

Veldkenmerken. 34 cm. Onmiskenbaar. Verenkleed voornamelijk licht kaneelkleurig-roodbruin, met oprichtbare zwart en wit gestreepte kruinveren, zwarte mondstreep, blauw en zwart gebandeerde vleugeldekveren, witte keel, witte vlek op gesloten vleugels, en witte stuit en anaalstreek scherp contrasterend met donkere staart. Vliegt ’moeizaam’, springt vaak van tak tot tak.

Geluid. Indien opgeschrikt, een luid en schor ’skraaawk’; verder verschillende klikkende, miauwende en klokkende geluiden.

Voorkomen.Algemene standvogel in geheel Europa behalve nabij de Poolcirkel. Noordelijke vogels trekken ’s winters zuidwaarts.

Habitat. Meer boombewoner dan andere kraaien, altijd in de nabijheid van bomen, ’s winters vooral eiken. Nestelt laag in bomen of in hoge onderbegroeiing. Waakzame vogel, die echter tegenwoordig ook in steden voorkomt.

Voedsel. Voornamelijk allerlei soorten vruchten (vooral eikels); ook ongewervelde dieren en kleine zoogdieren. Een gerenommeerd nestrover. Bron: Soortenbank.nl

Koolmeesje,

Veldkenmerken. 14 cm. Grootste algemene mees. Kop zwart met witte wangen, bovendelen groen, onderdelen geel met brede zwarte streep van keel tot op onderstaartdekveren, vleugels groenblauw met witte vleugelstreep en witte punten aan tertials, staart zwartblauw met witte buitenste pennen, stevige zwarte snavel. Kleine gelige vlek in nek doet aan Zwarte Mees denken, maar bij deze is de vlek veel groter en witter. Mannetje heeftbredere zwarte band over buik dan vrouwtje; juveniel als adult maar doffer. Fourageert veel op de grond en in lagere delen van bomen en struiken. Broedt veel in nestkasten in nabijheid van mensen.

Geluid. Zeer variabel. Roep onder andere ’wiet’, tsjurrr’, ’pink’ (als Vink), ’tietja’, etc. Zang herhaald ’tie tie tèè’ en variaties hierop.

Voorkomen. Talrijk. Standvogel, maar noordelijke populaties trekken zuidwaarts in de winter. Bron: Soortenbank.nl

 

 

Eekhoorns

In het Vennebos zijn de eekhoorns erg tam ze komen ’s morgens al vroeg voor pinda’s en ze laten zich helemaal fotograferen.

De eekhoorn is 18 tot 24 centimeter lang en 250 tot 350 gram zwaar. De borstelige pluimstaart is van 14 tot 20 centimeter lang. Het is een omnivoor, die tot de knaagdieren behoort.
Anders dan de naam doet vermoeden, kan de kleur variëren van zwart tot gelig, met allerlei tinten rood en bruin daartussen. Melanisme komt voor, maar de mate waarin individuen melanistisch zijn verschilt per regio. Gewoonlijk zijn de dieren roodbruin met een witte buikzijde, ’s winters meer grijzig donkerbruin. De kleur wordt ook grijsachtiger naarmate de eekhoorn ouder wordt. De oorpluimen vallen vooral in de winter op. Een eekhoorn kan de haren op de pluimstaart opzetten.
Met zijn lange, gekromde klauwen kan hij makkelijk in bomen klimmen en van tak naar tak springen. Tijdens een sprong spreidt hij zijn ledematen, waarbij de losse huid op de flanken het dier helpt in de lucht te blijven. De pluimstaart dient als roer, waarmee hij zijn sprong kan sturen. Ook kan hij goed zwemmen. De lange staart, de elegante wijze van voortbewegen en de pluimpjes op de oren geven hem een hoge aaibaarheidsfactor.

De eekhoorn voedt zich met name met plantaardig materiaal als noten en zaden van sparren en pijnbomen. Verder eten ze knoppen, paddenstoelen, stukken boomschors, en soms dierlijk materiaal, als insecten, eieren en zelfs jonge vogels. Ook eten ze aarde om mineralen binnen te krijgen. De eekhoorn eet dagelijks vijf procent van zijn lichaamsgewicht aan voedsel. Net als veel andere knaagdieren leggen eekhoorns wintervoorraden aan.
De eekhoorn is een dag dier, dat zich meestal vlak na zonsopgang al laat zien. Ze zijn voornamelijk na zonsopgang en vlak voor zonsondergang actief. ’s Winters laten ze zich alleen ’s ochtends zien. De eekhoorn houdt geen winterslaap. In plaats daarvan houdt hij zich bij gure dagen in zijn nest verborgen, en bezoekt hij op betere dagen ’s ochtends zijn wintervoorraad.


Nest
De eekhoorn maakt gebruik van andere eekhoorns. Een eekhoornnest is rond met een diameter van dertig centimeter, en bevindt zich in een boom, op minstens zes meter hoogte, vlakbij de boomstam. Soms wordt een nest op een tak gemaakt, of in een holle boom. De buitenste zijde van het nest wordt gemaakt van twijgen, en de binnenzijde wordt bekleed met mos en gras. Nesten waarin de jongen worden geboren, zijn bekleed met een dikkere laag.
Levensverwachting
Eekhoorns worden 3 tot 7 jaar in het wild, en tot tien jaar in gevangenschap. De belangrijkste natuurlijke vijanden zijn marters, roofvogels en huishonden en -katten. Ook sterven dieren door verhongering en auto-ongelukken. Vooral in hun eerste jaar sterven veel dieren. Om aan zijn vijanden te ontkomen rent de eekhoorn spiraalsgewijs omhoog tegen een boom.

Sociaal gedrag en voortplanting
De woongebieden overlappen elkaar. Vooral in de winter, waarin de woongebieden groter zijn, is er veel overlap tussen de woongebieden. Vrouwtjes wonen meer verspreid van elkaar dan mannetjes, waardoor overlap tussen de woongebieden van vrouwtjes minder voorkomt. In de paartijd jagen de mannetjes achter elkaar aan, mogelijk om een hiërarchie tussen de mannetjes vast te stellen en zo het recht om te mogen paren te verwerven.
De paartijd is op zijn hoogtepunt tussen januari en maart. De draagtijd duurt 38 dagen. Meestal worden de jongen tussen maart en mei geboren, mits er voldoende goede dennenappels zijn. Anders worden de jongen tussen juli en september geboren.
Per worp krijgt een vrouwtje één tot acht jongen (gemiddeld drie). De jongen zijn bij de geboorte tien tot vijftien gram zwaar. Alleen het vrouwtje zorgt voor de jongen. Bij verstoring draagt het vrouwtje de jongen uit het nest. Na zeven tot acht weken begeven ze zich voor het eerst buiten het nest, en na zeven tot tien weken worden ze gespeend. Als de jongen tien tot zestien weken oud zijn, zijn ze onafhankelijk. De dieren zijn over het algemeen na tien tot twaalf maanden geslachtsrijp.

Roodkopgier

Tijdens een vogelshow in het Safaripark Beekse Bergen heb ik deze foto’s van de Roodkopgier gemaakt ook wel Kalkoengier genoemd.

De roodkopgier of kalkoengier (Cathartes aura) is een roofvogel van de familie Cathartidae uit Noord-, Midden- en Zuid-Amerika. Deze soort is nauw verwant aan de geelkopgier.

Lengte: 64-81 cm. Spanwijdte: 140-180 cm. Gewicht: 0.8-2 kg.
Het is een zwarte of grijsbruine vogel met een vuurrode kop en nek. Daarnaast zitten er aan de kop rode kwabben, net als bij een mannelijke kalkoen. De vleugels zijn breed en de staart is lang.

Levensduur
Roodkopgieren kunnen 12-17 jaar oud worden.

Leefomgeving
Roodkopgieren kunnen zich goed aanpassen en leven dan ook in uiteenlopende gebieden zoals graslanden, bossen en stedelijke gebieden. Droge bossen, akkerland en savannes zijn echter favoriet. Dit dier is samen met de zwarte gier één van de meest algemene Amerikaanse roofvogelsoorten.

Voedsel
Net als andere gieren is de roodkopgier een afvalopruimer en eet hij aangespoelde vis, dode en rottende dieren en fruit. Hij heeft een voorkeur voor klein karkassen, maar ook op grotere dode dieren zal de roodkopgier af komen. Roodkopgieren gaan regelmatig langs snelwegen op zoek naar dieren die slachtoffer zijn geworden van het verkeer. Daarnaast staan ook eieren van andere vogels en kleine diertjes zoals hagedissen en insecten op het menu.

Leefwijze
De roodkopgier leeft in grote groepen van ongeveer dertig exemplaren, waaronder mannetjes, vrouwtjes en jonge vogels. In gebieden met veel prooi en veel broedplaatsen nestelen, slapen en jagen roodkopgieren vaak samen met zwarte gieren. Vaak zit de roodkopgier in een boom of zweeft hij boven de omgeving op zoek naar voedsel. Dankzij het grote vleugeloppervlak in combinatie met zijn lage gewicht en zijn gevingerde vleugelpunten is de roodkopgier een goede zwever. Tijdens het zweven worden de vleugels in een ondiepe V-vorm gehouden. De roodkopgier kan zijn voedsel, behalve met zijn scherpe ogen, ook vinden door het op een grote afstand te ruiken. Er zijn maar weinig vogels waarvan bekend is dat ze goed kunnen ruiken.

Voortplanting

Het nest van de roodkopgier bestaat meestal uit een holte in een rots of boom. Soms nestelt deze roofvogel ook op gebouwen. Het nest wordt bekleed met takjes, veren en stukjes huid, die de gier van dode dieren aftrekt. Met behulp van gedroogde uitwerpselen wordt het nest verstevigd. Het vrouwtje legt één tot drie eieren, waarop beide geslachten om de beurt broeden. Na circa 42 dagen komen de eieren uit en de jongen worden gevoed met opgebraakt voedsel uit de krop. Na drie maanden kunnen de jonge roodkopgieren vliegen. Bron: Wikipedia

Paddenstoelen in de Herfst

Een herfstwandeling gemaakt door het bos en de paddenstoelen gefotografeerd, en een collage van verschillende paddenstoelen gemaakt.

Herfstwandeling

Een wandeling door het bos

afgevallen bladeren bedekken het zachte mos…

Het plezier van ontdekken in alle rust

hoe de herfstzon ons zachtjes kust….

Wat is dit alles toch mooi

in het bos in zijn herfst-tooi……

Johah 1958

Siphona Geniculala Sluipvlieg

Zaterdagmiddag tijdens het zoeken naar vlinders kwam ik een heel klein vliegje tegen, als hem met een macrofoto ziet is hij heel eng.

De sluipvliegen (Tachinidae) zijn een familie in de orde van de Diptera (tweevleugeligen), onderorde Brachycera (vliegen). Met meer dan 8000 beschreven soorten is deze familie een van de grotere vliegenfamilies. In Nederland komen 337 soorten voor.
De soorten kunnen onderling erg verschillen: sommige lijken veel op de gewone huisvlieg, anderen hebben oppervlakkig het uiterlijk van wespen of zweefvliegen (zie en:Tachinid).
De volwassen vliegen voeden zich met honingdauw en nectar; de larven zijn altijd parasitair in de larven of poppen van vlinders, kevers, sprinkhanen en andere insecten. Bij sommige soorten worden de eieren direct op het lichaam van de gastheer gelegd. De larfjes komen bijna onmiddellijk uit en boren zich naar binnen. Andere soorten leggen het ei via een wondje in het lichaam van de gastheer. Weer anderen leggen eieren van heel klein formaat en in enorme hoeveelheden op het substraat in de buurt van de gastheer. De eieren komen uit zodra de gastheer ze inslikt en de larfjes boren zich door de darmwand naar binnen.


Sluipvliegen zijn over het algemeen zeer nuttige insecten. Er zijn heel wat soorten die parasitoïde zijn van plaaginsecten en die daarom in biologische bestrijdingsprogramma’s gebruikt worden. Enkele soorten zijn echter schadelijk en worden in India en andere Aziatische landen als een ware plaag van de zijdeproductie gezien, met name Exorista bombycis (=E. sorbillans) die zijderupsen belaagt.

De laatste Vlinders van het seizoen

Gisteren was het een goede dag om weer eens naar het klaverveldje te gaan om te kijken of er nog kleine vuurvlinders en icarusvlinders rondvlogen de laatste vlinders in het seizoen, ik ben het vuurvlindertje en een icarusvlndertje tegengekomen ze waren al ver afgevlogen.

Het icarusblauwtje is een veel voorkomende vlindersoort. Het lijkt op het esparcetteblauwtje, maar onderscheidt zich van deze door twee wortelvlekken op de onderkant van de voorvleugels. Het komt voor op de meeste typen graslanden, van vrij droge schrale graslanen tot matig vochtige hooilanden. Het vrouwtje zet de eitjes af op veel soorten vlinderbloemigen, onder andere Lotus corniculatus (gewone rolklaver). De rups voedt zich met de bladeren. Ze wordt veelvuldig bezocht door mieren van de geslachten Lasius , Formica , Myrmica , Tapinoma en Plagiolepis . Als ze halfvolgroeid is, kan ze in de strooisellaag overwinteren. In hete klimaten vindt ook overzomering als ei of rups plaats. De verpopping gebeurt in de strooisellaag. Het icarusblauwtje vliegt afhankelijk va de geografische ligging en de hoogte van het vliegterrein in een tot drie generaties per jaar.

De Kleine Vuurvlinder

Spanwijdte vleugels 22-27 mm, april-oktober

Kenmerken
Bovenzijde voorvleugels oranje met brede, donkere zoom en donkere vlekken, in beide seksen gelijk. Achtervleugels bruin met rode zoom en blauwe puntjes (384 2 g). Onderzijde achtervleugels effen lichtbruin met zwarte stipjes.

Voorkomen
Algemeen op open terreinen, in (half)natuurlijke gras- en droge hooilanden, op de heide.

Levenswijze
Vliegt bijna het gehele jaar in 3-4, onder gunstige omstandigheden in 5-6 generaties per jaar. Rups groen met 3 rode lengtestrepen, leeft van zuringsoorten (Polygonaceae: Rumex), vooral kleine planten van schapezuring en veldzuring.

 

Grote bonte Specht en de Boomklever

De grote bonte Specht en de Boomklever brachten vanmiddag een bezoek voor de pinda’s. het zijn mooie vogels maar allebei erg schuw.

Veldkenmerken. 23 cm. Zwartwitte specht, veel kleiner dan Groene Specht. Smal wit voorhoofd, zwarte kap en zwarte baardstreep, die van snavelbasis doorloopt over oorstreek tot in nek. Mannetje heeft rode achterkop. Zwarte rug met grote witte schoudervlekken, vleugels zwart met veel witte vlekken, onderstaart rood, rest van onderdelen wit. Staart zwart met witte zijden. Juveniel heeft rode in plaats van zwarte kopkap (beide sexen). Golvende vlucht.


Geluid. Roep luid, enkel ’kik’ of ’kiek’, bij verstoring herhaald. Trommelt vaker dan andere spechten op dood hout.

Boomklever.

Veldkenmerken. 14 cm. Een gedrongen, plompe, actieve vogel met een stevige, puntige snavel. Blauwgrijze kruin en bovendelen, isabelkleurige onderdelen met roodbruine flanken, wangen en keel wit, zwarte streep door oog. Juveniel zonder roodbruin. Beweegt over boomstammen en takken met kleine, schokkerige sprongen, in alle richtingen met evenveel gemak, zonder staart te gebruiken. Noten en zaden worden vastgezet tussen boomschors en met de snavel opengehakt. Golvende vlucht, als spechten. Nestelt in boomholten. Ingang wordt soms verkleind met modder. ’s Winters vaak rondtrekkend met groepen mezen.

Geluid. Een luid, metalig ’twiet-twiet-twiet’, en varianten daarop; ook en schel ’tsit’, een herhaald, luid, helder en fluitend ’twie’ en een zeer snelle triller. Bron Soortenbank.nl

Quakerpapegaai

Vorig jaar in Benalmadena Spanje langs de boulevard zaten we op een bankje en de papegaaien vlogen boven ons hoofd in de bomen voor zaad.

De monniksparkiet (Myiopsitta monachus) is een parkiet uit Argentinië en het zuidelijke deel van Brazilië in Zuid-Amerika. Het dier is ook bekend onder de naam muisparkiet. Als exoot doen deze vogels het goed in Europa en Noord-Amerika.
De monniksparkiet bouwt zijn nest in vogelkolonies met vele parkieten. Het is voorgekomen dat een dergelijke “parkietenflat” het formaat had van een kleine auto. Dit gedrag is vrij ongewoon voor een papegaai en is waarschijnlijk geëvolueerd omdat op de pampas weinig bomen groeien en de aanwezige nestruimte efficiënt moest worden gebruikt.


Monniksparkieten in Nederland

Ook in Nederland is deze soort verwilderd. Zo is in 2003 een grote zwerm aangetroffen in Wageningen.
Het komt voor dat monniksparkieten “halfwild” leven. Dat wil zeggen dat ze vrij kunnen vliegen (en meestal nestelen) maar dat ze voor voedsel bij hun eigenaar terecht kunnen.
De gangbare methode is om dieren eerst in een volière aan de omgeving (bijvoorbeeld de achtertuin) te laten wennen en hen na een aantal maanden pas los te laten. De kans is groot dat de dieren terug blijven komen voor voedsel. Die kans wordt groter als meerdere dieren samenwerken en gezamenlijk vrij vliegen. De monniksparkiet is een sociaal dier en zal anders op zoek gaan naar een andere kolonie. Bovendien zorgt het vrijlaten in groepen ervoor dat de dieren gaan nestelen. Hierdoor kunnen het er snel meer worden.
In Apeldoorn leeft sinds het begin van het millennium een vrij grote groep monniksparkieten halfwild; Er worden steeds meer broedgevallen gerapporteerd, dus geleidelijkaan is het een zelfstandige wilde populatie aan het worden.


Ouwehands Dierenpark in Rhenen had een grote zwerm vrijvliegende monniksparkieten, echter na opmerkingen over hun bijdrage aan faunavervalsing heeft men de kolonie succesvol weer weggevangen. Bron Wikipedia.nl

Icarusblauwtje

Op deze foto kun je goed de roltong van Icarusblauwtje zien

Vanmiddag zat er een Icarusblauwtje (mannetje) op de Verbena in de tuin, het is de eerst keer, de andere keren ben ik hem tegengekomen op het klaverveldje.

Icarusblauwtje

Beschrijving: 
Het icarusblauwtje is een veel voorkomende vlindersoort. Het lijkt op het esparcetteblauwtje, maar onderscheidt zich van deze door twee wortelvlekken op de onderkant van de voorvleugels. Het komt voor op de meeste typen graslanden, van vrij droge schrale graslanen tot matig vochtige hooilanden. Het vrouwtje zet de eitjes af op veel soorten vlinderbloemigen, onder andere Lotus corniculatus (gewone rolklaver). De rups voedt zich met de bladeren. Ze wordt veelvuldig bezocht door mieren van de geslachten Lasius , Formica , Myrmica , Tapinoma en Plagiolepis . Als ze halfvolgroeid is, kan ze in de strooisellaag overwinteren. In hete klimaten vindt ook overzomering als ei of rups plaats. De verpopping gebeurt in de strooisellaag. Het icarusblauwtje vliegt afhankelijk va de geografische ligging en de hoogte van het vliegterrein in een tot drie generaties per jaar.


Leefgebied: 
Droge zure graslanden
Droog kalkgrasland en steppe
Matig voedselrijk grasland. Bron: Soortenbank.nl

Bont zandoogje

Vandaag heel de dag een bezoek gehad van een Bont zandoogje etende van een appel omdat er nu niet meer veel nectar aanwezig is eten ze nog wat ze kunnen vinden, als er geen nectar in de buurt is en ze komen een appel tegen is dat dan mooi meegenomen, meestal verblijven ze in de bossen tussen bladeren,

Kenmerken

Voorvleugellengte: 19-22 mm. De bovenkant van de voorvleugel is donkerbruin met een geeloranje vlekkenpatroon en een witgekernde zwarte oogvlek. Op de bovenkant van de achtervleugel bevinden zich drie of vier witgekernde zwarte oogvlekken.

Voorkomen

Een algemene standvlinder die zich in de twintigste eeuw sterk uitgebreid heeft. Het bont zandoogje komt tegenwoordig verspreid over het hele land voor, maar wordt slechts weinig waargenomen in Drenthe, delen van de Achterhoek, de Betuwe, het westen van Friesland en de provincies Noord- en Zuid-Holland.

Habitat

Vooral bosranden en open bossen; ook tuinen en parken in een bosrijke omgeving.

Waardplanten

Diverse grassen waaronder kweek, kropaar, witbol, boskortsteel en reuzenzwenkgras.

Vliegtijd en gedrag

Eind maart-eind oktober in drie overlappende generaties. De mannetjes gedragen zich opvallend territoriaal. De vlinders voeden zich met honingdauw, sap van vruchten en bloedende bomen en met nectar van onder andere braam.

Levenscyclus

Rups: half mei-half september. De groeisnelheid van de rupsen verschilt onderling aanzienlijk; sommige rupsen groeien wel drie keer zo snel als andere. De soort overwintert gewoonlijk als pop, maar een gedeelte van de rupsen die na half augstus uit het ei komen, gaat als rups de winter in. Bron: Vlindernet.nl

Woestijnbuizerd

Foto’s uit de oude doos van een dagje uit met Interpolis, tijdens een vogelwandeling met de Valkenier en zijn Woestijnbuizerd door de bossen van Schaluinen.

Woestijnbuizerd.

Voorkomen: 
Midden- en Zuid-Amerika
Gewicht:
Rond de 1 kg.
Spanwijdte:
Tot 1.20m.

Woestijnbuizerds zijn geliefd om mee te jagen. Ze jagen op diverse soorten prooi en zijn in vergelijking met andere roofvogels sociaal. Deze vogels kunnen goed “volgen” , mits hiertoe getraind: ze vliegen naar een boom en wachten tot de valkenier voorbij loopt voordat zij naar een volgende boom vliegen. Zo blijven ze tijdens het jagen altijd binnen zichtafstand van de valkenier en hebben ze zelf een goed overzicht op de omgeving. Ze leven in het wild soms in grotere groepen. Bron www.gaiazoo.nl

 

Rotterdamse Haven

Erasmusbrug

Een Rondvaart in de Rotterdamse Haven gedaan in 2011

De haven van Rotterdam is het grootste haven- en industriecomplex van Europa met een totale goederenoverslag van 430 miljoen ton in 2010. Het bestaat uit een samenstel van verschillende havenbekkens en bedrijfsterreinen die ten dienste staan van de aan- en afvoer van goederen van de aan de havens gevestigde (petro)chemische en andere industrieën, en de op- en overslag van goederen van derden voor verder transport. Rotterdam was tussen 1962 en 2004 de grootste haven ter wereld, maar deze positie is overgenomen door Shanghai. Ook Singapore en Ningbo zijn Rotterdam als haven voorbijgestreefd, maar het nadeel hiervan is hooguit van emotionele aard. Deze Aziatische havens gelden namelijk niet als directe concurrenten voor de Rotterdamse haven.

De haven van Rotterdam dankt haar grootte aan de ligging aan de monding van de Rijn. Daardoor ligt een achterland met zo’n 460 miljoen inwoners binnen bereik. Van hieruit worden goederen vervoerd naar onder andere het Ruhrgebied inDuitslandEngeland en Antwerpen in Vlaanderen. Naast de binnenvaart wordt een groot deel over de weg vervoerd en in mindere mate ook over het spoor, zoals met de Betuweroute.

Daarnaast is de haven te bereiken door schepen met zeer grote diepgang via de Eurogeul. In de diepe havenbekkens op de Maasvlakte en in de Europoort kunnen deze schepen normaal aanleggen.

Het Havenbedrijf Rotterdam N.V. verhuurt bedrijfsterreinen in het Rotterdamse havengebied en is verantwoordelijk voor het efficiënt en veilig afwikkelen van het scheepvaartverkeer. Bovendien zorgt het voor de infrastructuur van waterwegen, verkeerswegen, kades en andere voorzieningen voor de gebruikers van het havengebied. De toekomst van de Rotterdamse haven is onder meer vastgelegd in het Havenplan 2020. De belangrijkste opbrengsten voor het Havenbedrijf zijn dehavengelden en de contractopbrengsten van het verhuur van bedrijfsterreinen. De sterke stijging van de investeringsuitgaven sinds 2009 zijn vooral het gevolg van de aanleg van de Tweede Maasvlakte. In de figuur hieronder de financiële resultaten van het Havenbedrijf Rotterdam. De cijfers zijn uitgedrukt in miljoenen euro. Bron Wikipedia.nl

Kruisspin

Ik heb het niet zo op spinnen, maar deze Kruisspin viel wel op hij was een web aan het maken tussen twee jonge dennenbomen.

De kruisspin moet het bij de jacht niet van zijn acht ogen hebben. Hij is namelijk nogal kippig. Kijken, en ook ruiken, doet hij met zijn acht behaarde poten. Met behulp van de haren kan hij bijvoorbeeld een geslachtsrijp vrouwtje traceren. Spinnen die webben maken hoeven eigenlijk niet zo goed hun ogen te gebruiken. Snort er een mug of vlieg tegen je vangnet, dan voel je dat als kruisspin onmiddellijk. Iedere trilling, hoe klein ook, wordt door de delicate pootjes meteen geregistreerd.


Spinnen die zonder web jagen, de zogenaamde springspinnen (Salticidae), zijn daarentegen toegerust met verbluffend scherpe ogen. Kenmerken: zeer beweeglijk, goed ruimtelijk zicht en te gebruiken als zoomlens. Bovendien kunnen springspinnen waarschijnlijk kleuren onderscheiden.

Spinnen hebben enkelvoudige ogen, dus geen facetogen zoals insecten. Je hebt soorten met acht en met zes ogen. Bij de kruisspin zijn het er dus acht: een rijtje voormidden- en voorzijogen (4) en een rijtje achtermidden- en achterzijogen (4). bron: natuurinformatie.nl

Dit is een Pardosa Spin.