kleine Parelmoervlinder

Voor de eerste keer een kleine Parelmoervlinder gefotografeerd in de Gaas 2019.

De kleine parelmoervlinder is een opvallende vlinder door de spiegels op de onderkant van zijn vleugels. De vorm van de 19-23 mm brede vleugels is een beetje hoekig. De bovenkant van de vleugels toont een stippen patroon.

De snelgroeiende rups wordt tot 3 cm lang. Zijn lijf is zwart met veel kleine lichte plekken. Hierboven komen oranjebruine getakte stekels.

De vlinder komt in Midden- en Zuid-Europa voor en Zuid-Scandinavië. Ze ontbreekt op de Middellandse Zee-eilanden, maar komt wel voor op Sicilië. De Kleine parelmoervlinder heeft een voorkeur voor droge, bloemrijke graslanden maar wil ook wel zwerven. Ze komt niet voor in Ierland en Groot-Brittannië (al steekt ze incidenteel wel over vanuit Frankrijk).

Buiten Europa komt ze voor in Noordwest-Afrika, Centraal-Azië, en via Noord-India tot in Zuid-China.

Vanaf zeeniveau tot 2500 meter hoogte in berggebieden kan zij worden aangetroffen.

In Vlaanderen komt ze sinds begin ’90 alleen aan de kust voor, op een beperkte populatie in de Westhoek na. Ze staat op de Vlaamse Rode Lijst dan ook gekenmerkt als bijna in gevaar. Ze is echter in 2004 onverwachts opgedoken in Vlaams Limburg: ruim 120 waarnemingen.

In Nederland is haar verspreiding beperkt tot de duinen, al komt ze ook verspreid voor op de zandgronden landinwaarts op de Veluwe en in Zuid-Limburg. In Nederland staat hij als kwetsbaar op de rode lijst.

Bron: Wikipedia   Foto’s Tonnie Verheijden

Boomblauwtje

Boomblauwtjes vliegen langs de bomen in de Gaas, soms gaan ze even zitten.

Het boomblauwtje (Celastrina argiolus) is een vlinder uit de familie Lycaenidae, de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes.
De wetenschappelijke naam argiolus is een verkleinwoord van argus en verwijst ernaar dat de soort kleiner is dan het heideblauwtje (Plebejus argus).

De voorvleugellengte van de vlinder bedraagt tussen de 13 en 16 millimeter.
De vleugels van mannetjes zijn aan de bovenzijde vrijwel geheel fel lichtblauw met een smalle zwarte rand, terwijl de vrouwtjes een brede zwarte band langs de voorvleugels hebben. De franje is wit, bij de voorvleugel zijn er enkele zwarte onderbrekingen. De vlinder is met name goed te herkennen aan de zilverwitte tot lichtblauwe onderzijde van de vleugel waarop zwarte stippen te zien zijn. Verder vliegt deze vlinder niet of nauwelijks dicht bij de grond (beneden 50 cm hoogte), dit in tegenstelling tot vele andere blauwtjes.

Het eitje is klein een afgeplat wittig bolletje en heeft een honingraatstructuur. Eitjes zijn bijzonder lastig te vinden.

De rups is geelachtig groen, met een variabele rode tekening, al dan niet met rozewit, langs de rand en als rugstreep. Deze tekening ontbreekt echter vaak. Het lichaam is bedekt met korte witte haartjes. De kop is zwartbruin. De rups wordt 14 tot 17 mm lang.
De waardplanten van de vlinder zijn diverse struiken, onder andere klimop, hulst, vlinderstruik, struikhei, vuilboom, kornoelje, grote kattenstaart, wegedoorn en kardinaalsmuts. De eitjes worden afzonderlijk afgezet hoog in de waardplant, aan de basis van bloemknoppen of bij jonge vruchten. Er is een voorkeur voor grotere planten die in de zon staan. Het vrouwtje zet soms ook eitjes af op planten die ongeschikt zijn. De rups overleeft niet op sneeuwbes en op bijvoorbeeld blauwe regen kan hij niet volgroeid raken, omdat de bloemen te snel afvallen en geen vrucht vormen. In verschillende generaties worden verschillende waardplanten gebruikt. In het voorjaar worden vooral hulst en sporkehout gebruikt, in de zomer vooral klimop, grote kattenstaart, struikhei en vlinderstruik.
Bron Wikipedia  – Foto Tonnie Verheijden

Boomklever in de Gaas

De Boomklever komt trouw elke dag voor de pinda’s.

De boomklever is een korte, dikke en actieve vogel met een krachtige puntige snavel. Hij is vrijwel in geheel Europa een tamelijk algemene standvogel. De opvallende en helder klinkende roep is vaak de eerste aanwijzing van zijn aanwezigheid. In de winter is hij een geregelde bezoeker van tuinen waarin pinda’s worden aangeboden.

De bovenzijde en bovenkop zijn blauwgrijs. De onderzijde is isabelkleurig met roodbruine flanken. Bij het volwassen mannetje is de achterflank scherp begrensd oranjebruin en hierdoor is het al bij onvolwassen exemplaren mogelijk om het geslacht te bepalen. Verder heeft hij een brede zwarte oogstreep met lichte wangen en keel. Bij het volwassen vrouwtje is de achterflank minder scherp begrensd oranjebruin. Verder is het identiek aan het mannetje.

De boomklever klimt en daalt schoksgewijs langs de boomstam, zonder op zijn staart te steunen. De Scandinavische ondersoort heeft aan de onderzijde lichtere en zelfs geheel witte onderdelen. De vlucht van deze gedrongen dikke vogel is golvend en snel terwijl de korte staart in het midden zwart is. Buiten de broedtijd bevindt de boomklever zich wel in gezelschap van mezen.

Bron Wikipedia  Foto’s  Tonnie Verheijden

Huis ter Heide

Wandelroute naar het Leikeven, vlak bij Tilburg

Ontdek het veelzijdige karakter van Huis ter Heide en ga door bossen en langs graslanden en vennen. Het prachtige uitzicht over het Leikeven is een van de hoogtepunten van de route. Onderweg kun je kuddes Schotse hooglanders tegenkomen die Natuurmonumenten helpen bij het open houden van het gebied.

Voor het grootste gedeelte voert deze route over een verhard pad. Waar het pad overgaat in een stevig zandpad, met af en toe een boomwortel, is deze nog steeds goed begaanbaar. De boswachters van Natuurmonumenten adviseren deze route voor mensen in een scootmobiel. Mensen in een rolstoel kunnen deze route ook afleggen, maar in dat geval is een begeleider aan te raden.

De route naar het uitkijkpunt staat met gele pijltjes aangegeven. Vanaf het uitkijkpunt volg je dezelfde route terug naar de parkeerplaats. De gehele route is dus 2x 2,25 kilometer, een totaal van 4,5 kilometer.

Bron Natuurmonumenten.nl  foto Tonnie Verheijden

https://www.natuurmonumenten.nl/natuurgebieden/landgoed-huis-ter-heide/route/wandelroute-naar-het-leikeven-vlak-bij-tilburg

Winterkoninkje

Het Winterkoninkje is weer volop aanwezig in de Gaas.

Wij zien dat ze allerlei broedmateriaal naar een struik brengen, maar dat wil nog niet zeggen dat ze daar hun jonkies gaan grootbrengen.
Winterkoninkjes maken namelijk meerdere broednestjes om vijanden te misleiden.

Het is een klein gedrongen, zandbruin vogeltje van bijna tien centimeter met een opgewipt staartje. Zijn zang is helder, met vibrerende scherpe trillers.
De lichaamslengte bedraagt 9 tot 10 cm.

Winterkoninkjes eten voornamelijk insecten en spinnen.

Ze kunnen tot drie nesten per jaar hebben, met vijf à acht jongen per nest.
Deze nesten worden in het voorjaar door het mannetje gemaakt, in heggen, struiken en takkenbossen op een hoogte van ongeveer een meter boven de grond.
Hij maakt er meestal ook meerdere per territorium.

De winterkoning heeft zich aangepast aan zowel bosrijke als open gebieden zoals boomloze eilanden.
Verder broedt de vogel in parken en tuinen. Belangrijk is dat zich ergens dichte struwelen bevinden zoals heggen, braamstruiken of dichte vegetaties bij water.
De winterkoning is in Nederland en België een van de meest algemene vogelsoorten.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden