Bruin Blauwtje

Bruin blauwtje op de heide in de Gaas.

Het bruin blauwtje (Aricia agestis,  door sommige auteurs in het geslacht Plebejus geplaatst) is een vlinder uit de familie van de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes (Lycaenidae).

Er is gemakkelijk verwarring mogelijk met het vrouwtje van het icarusblauwtje, dat ook bruine vleugels heeft. Het bruin blauwtje heeft op de onderzijde van de voorvleugel echter geen vlekje aan de basis van de vleugel, het icarusblauwtje wel. Ook ligt de bovenste van de twee vlekjes aan de voorrand van de achtervleugel bij het bruin blauwtje dicht tegen de bovenste rij van vlekjes, terwijl die bij het icarusblauwtje een stuk lager ligt.

Het bruin blauwtje komt algemeen voor in Centraal- en Zuid-Europa, op warme graslanden, heiden en duinen. Als zwerver en dwaalgast kan de vlinder worden aangetroffen in Nederland en België. In het kustgebied komt de vlinder als standvlinder voor.

Het bruin blauwtje profiteert van de opwarming van de aarde en doet dit niet onopgemerkt. In 2012 vloog de soort in het Verenigd Koninkrijk 79 kilometer noordelijker dan 20 jaar daarvoor. Maar niet alleen in de UK gaat het haar voor de wind, ook in de rest van Europa doet ze het zeer goed.

De vliegtijd is van mei tot en met oktober.

Bron wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Keizersmantel

Dit jaar weer een koninklijk bezoek gehad van de Keizersmantel.

De keizersmantel is een grote en opvallende vlinder met een vleugellengte van 27 tot 35 mm. Aan de enterhaakvormige vlekken op bovenkant van de vleugels kan men de mannetjes herkennen. De onderkant van de achtervleugel is groenig met zilverkleurige strepen.
De vlinder heeft veel nectar nodig, die hij meestal vindt in de wilde marjolein en distels.
De vlinder komt in vrijwel heel Europa voor en leeft in gemengde en naaldbossen. De vliegtijd is van mei tot en met september, rupsen kunnen worden aangetroffen vanaf de tweede helft van augustus tot de eerste week van juni.
Deze vlinder staat in Nederland op de Rode lijst als verdwenen, maar toch worden er regelmatig vooral in het zuiden zwervers gezien. In mei 2010 werd een rups in de omgeving van Zwolle aangetroffen.
Inmiddels is succesvolle voortplanting van de Keizersmantel vastgesteld in de Amsterdamse Waterleidingduinen en een gebied in Gelderland.

Bron Wikipedia. Foto Tonnie Verheijden

Atalanta

De atalanta (Vanessa atalanta) of admiraalvlinder of nummervlinder is een van de meest voorkomende vlinders in België en Nederland. In NoordEuropa is het een van de laatste vlinders die gezien kan worden voor de winter begint. In het zuiden vliegt de vlinder ook op zonnige winterdagen. De wetenschappelijke naam van de soort is voor het eerst geldig gepubliceerd in 1758 door Carl Linnaeus als Papilio atalanta Men kan deze vlinders vrijwel overal tegenkomen, tot meer dan 2000 meter hoogte in de Alpen. Ze overwinteren in Zuid-Europa en trekken in het voorjaar naar het noorden. De vliegtijd in Noordwest-Europa is van mei tot oktober. In het najaar trekt een deel van de aanwezige vlinders weer terug en plant zich in het zuiden voort. Soms probeert de imago in Nederland te overwinteren, maar in het algemeen zonder veel succes. Toch worden vaak al vroeg in het jaar waarnemingen gedaan. De hoogste aantallen atalanta’s worden gevonden in jaren waarin het in mei en juni warm weer is. De meest noordelijke plaats waar de vlinders kunnen overwinteren is het uiterste zuidwesten van Duitsland.

Het vliegen tijdens de trek gebeurt indien gunstig op grote hoogte, er wordt gebruik gemaakt van noorderwinden, soms ook ’s nachts. De vlinder heeft ongeveer vijf weken nodig om van Finland naar de Middellandse Zee te vliegen.

De soort komt ook voor in gematigde gebieden van Azië en in NoordAmerika

Bron Wikipedia – Foto Tonnie Verheijden

Witte Reus – Ivoorzweefvlieg

De Witte reus vanmorgen op de vlinderstruik.
De witte reus of ivoorzweefvlieg (Volucella pellucens) is een tweevleugelige die behoort tot de familie van de zweefvliegen.
De soort is te vinden in het Palearctisch en Oriëntaals gebied. Hij komt vooral voor in open plekken in bossen bij bloemrijke hagen.
Het is een opvallend groot en breed gebouwde hommelzweefvlieg. Het lichaam is overwegend zwart, maar het tweede achterlijfssegment is crèmewit. De vleugels hebben een gelige basis en een opvallende zwarte middenvlek. De lichaamslengte is tussen 13 en 18 millimeter. De soort vliegt van mei tot augustus.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Paardenbijter

Paardenbijter bleef een paar uur op deze plek hangen in de tuin.

De paardenbijter (Aeshna mixta) is een echte libel (Anisoptera) uit de familie van de glazenmakers (Aeshnidae). Het is een grote libel maar een van de kleinere glazenmakers, die in de nazomer vaak in groepen rondvliegt. De paardenbijter is een zeer algemene en zwerflustige soort, die grote afstanden aflegt. Incidenteel worden grote groepen zwervers waargenomen.
De paardenbijter bijt geen paarden, maar dankt zijn naam aan het feit dat hij vaak jaagt op insecten die zich dicht bij het lijf van dieren of mensen ophouden, waardoor het lijkt of hij ze bijt. De paardenbijter vliegt laat: van begin juli tot in november, met de grootste aantallen in augustus en september. Paardenbijters zijn vooral in de middag actief, op warme avonden zelfs tot diep in de schemering.
De levenscyclus duurt een jaar, mogelijk soms twee jaar. De (eerste) winter wordt doorgebracht als ei. De larven leven in allerlei stilstaande en langzaam stromende, vaak voedselrijke en niet zure wateren. Ze houden zich op in de oeverzone of in verlandingsvegetatie, tussen plantenstengels en dood plantenmateriaal. De larve kan zich ook ontwikkelen onder licht brakke omstandigheden. Het uitsluipen gebeurt gedurende een lange periode van eind juni tot eind september. Imago’s worden vaak in groepen aangetroffen, jagend langs bosranden op boomkruinhoogte. De mannetjes vertonen territoriaal gedrag langs de waterkant, maar zijn minder agressief dan andere glazenmakers. De eitjes worden door het vrouwtje afgezet in allerlei levende en dode plantendelen.
Het verspreidingsgebied van de paardenbijter loopt oostelijk tot in Japan, zuidelijk tot in Noord-Afrika. De soort komt voor in heel Europa, maar in Scandinavië, Groot-Brittannië en Ierland alleen in het zuiden. De noordgrens van het areaal schuift verder naar het noorden op, als gevolg van klimaatverandering. In Nederland is de paardenbijter overal aan te treffen, met een concentratie van waarnemingen langs de kust.

Bron Wikipedia – Foto Tonnie Verheijden

Nijlgans

2 Nijlganzen rusten elke ochtend even uit op de sirene mast in de Gaas.
De lichaamslengte bedraagt 63 tot 73 cm en het gewicht 2,5 kg.
Het verenkleed van beide geslachten is gelijk.
De nijlgans leeft voornamelijk op het land, hoewel hij goed kan zwemmen. In het broedseizoen verdedigt hij een territorium, soms zelfs agressief, maar ook onderling zijn ze weinig verdraagzaam. Die agressiviteit is trouwens het handelsmerk van deze ganzen. Ze passen brute kracht toe om het nest van een andere vogel in te pikken.
De nijlgans broedt vooral in holen in de stam van grote bomen. Het vrouwtje bouwt een nest van riet, bladeren en gras. Het vrouwtje en mannetje broeden om de beurt op de eieren. Beide ouders zorgen voor de jongen tot ze zelfstandig zijn.
Deze soort komt algemeen voor in Afrika in het dal van de Nijl, maar verder door het hele continent ten zuiden van de Sahara. De leefgebieden liggen langs meren, rivieren en in moerassen. De vogel mijdt gebieden met woestijnen en dichte bossen.

Bron Wikipedia – Foto Tonnie Verheijden

Brandganzen

De brandgans (Branta leucopsis), etymologie: van Grieks: λευκός (“wit”) + ὄψις (“gezicht”), een gans uit de familie Anatidae (Zwanen, ganzen en eenden).

De vogel is 55 tot 66 cm lang en heeft een spanwijdte van 110 tot 120 cm, gemiddeld 15 cm korter dan de grauwe gans. Uiterlijke kenmerken tussen het mannetje en het vrouwtje zijn er nauwelijks; alleen in het formaat en gewicht is er enig verschil: het mannetje weegt 910–1810 g, het vrouwtje 850–1770 g. De kop is geelachtig wit; achterzijde van de kop, nek en bovenborst zijn zwart. De buik en de onderkant zijn grijswit met een grijze bandering. De vleugels zijn grijsblauw met zwart-witte strepen. De poten en snavel zijn zwart.  Het is een sterke vogelsoort die weinig of geen last ondervindt van vriesweer.

Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit gras, maar ook nuttigen ze diverse mossoorten en ander groen. Bovendien eten ze naast gras en zeegras veel zaden, wat zeer ongewoon is bij ganzen. Het zoeken naar voedsel vindt doorgaans plaats bij daglicht. Bij dageraad en rond het vallen van de avond begeven ze zich naar veilig gelegen rustplaatsen. Bij volle maan kunnen ze het voedsel zoeken de hele nacht voortzetten. Tijdens de poolzomer, wanneer het helemaal niet meer donker wordt, eten ze ook de hele dag door, om een vetvoorraad te vormen voor de trek naar het zuiden in de winter. De brandgans eet voornamelijk eiwitrijke jonge scheuten gras, die tamelijk kort worden afgegraasd. Het eiwit wordt verteerd, en de groene vezel zelf wordt via de ontlasting weer uitgescheiden.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Grote Keizerlibel

Grote Keizerlibel

De Grote Keizerlibel vanmiddag in een bremstruik gespot.

De grote keizerlibel is de grootste vertegenwoordiger van de glazenmakerfamilie. Het is in België en Nederland na de zeer zeldzame gewone bronlibel (Cordulegaster boltonii) de grootste libel. De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 64 en 84 millimeter. Ook de larve is groot tot zeer groot (45–59 mm), met een lang halsvormig ingesnoerd prementum en ovaalvormige ogen met een licht gebogen achterrand.
Het borststuk van de libel is vrijwel egaal groen zonder schouderstrepen. De tekening op het voorhoofd bestaat uit een zwart vijfhoekje en een zwarte streep, met daartussen een blauwe lijn. Het mannetje heeft een hemelsblauw achterlijf met aan de bovenzijde een zwarte lengtestreep. De ogen zijn groen met een blauwe tint. Het vrouwtje heeft een groen achterlijf (soms flets blauw), met een brede donkerbruine lengtestreep. Bij jonge vrouwtjes kan de groene kleur op borststuk en achterlijf bruinig worden. De ogen zijn groen, vaak met een bruine tint. De vleugels hebben vaak een lichte bruine beroking, op beide helften van de vleugels. Pas uitgeslopen dieren van beide geslachten hebben een gelig achterlijf.Jonge larven leven tussen ondergedoken waterplanten, dicht bij het wateroppervlak. Oudere larven kunnen ook op ander plaatsen in ondiep water worden aangetroffen. 
De larven overwinteren één of twee keer. De larven die een tweede winter doorbrengen doen dit als volgroeide larve, waardoor ze al in mei in een korte periode kunnen uitsluipen. De larven die na één winter al uitsluipen doen dit later en verspreid over een langere periode: juni tot en met eind augustus. De mannetjes patrouilleren langdurig boven het water en de oever, waarbij ze hun achterlijf kenmerkend licht gebogen houden. Andere grote libellen worden verjaagd. Net als andere glazenmakers maken grote keizerlibellen lange jachtvluchten op beschutte plaatsen, zoals bosranden, heidevelden, enz. Soms worden daarbij grote prooien gegrepen, waaronder vlinders en andere libellen. De paring vindt meestal plaats in een boom. In tegenstelling tot andere keizerlibellen zet het vrouwtje daarna in haar eentje de eitjes af, meestal in drijvend plantenmateriaal. Vaak gebeurt dit aan het einde van de middag. 

Bron Wikipedia – Foto Tonnie Verheijden

Distelvlinder

Vandaag de eerste Distelvlinder in de tuin gespot.

De distelvlinder (Vanessa cardui) is een vlinder uit de onderfamilie Nymphalinae van de familie van de aurelia’s (Nymphalidae). In Nederland en België is de distelvlinder vooral bekend als trekvlinder die in sterk wisselende aantallen passeert. Zowel de Nederlandstalige als de wetenschappelijke naam van deze soort verwijzen naar het geslacht van de distels (Carduus), waardplanten van de distelvlinder.

Distelvlinders hebben oranje vleugels met zwarte vlekken, en aan de vleugelpunten van de voorvleugels een zwart gebied met witte vlekken. Aan de onderzijde van de achtervleugels zitten 5 ronde vlekken, die soms een blauw hart hebben en oogvlekken worden. De onderzijde is verder bruin met wit lijntjes in een fijn vakjespatroon. De spanwijdte is 5 tot 6 centimeter. De distelvlinder lijkt door zijn oranje-zwarte tekening enigszins op parelmoervlinders, maar onderscheidt zich makkelijk door de zwart met witte vleugelpunten.

De imago van de distelvlinder drinkt graag nectar van allerlei bloemen, en is bijvoorbeeld vaak te vinden op vlinderstruiken in tuinen. In tegenstelling tot de verwante atalanta komt de distelvlinder echter niet af op rottend fruit.

Bron Wikipedia. Foto Tonnie Verheijden

Azuurblauwjuffer

Er vliegen veel azuurblauwe juffer in de Gaas.

De azuurwaterjuffer is een kleine, zeer slanke libel met een maximale spanwijdte van 5 cm. De soort is tussen de 33 en 35 millimeter lang. Zoals de meeste soorten van het geslacht Coenagrion is ook de azuurwaterjuffer moeilijk op naam te brengen. Kenmerkend is de hoefijzervormige zwarte vlek op het tweede achterlijfssegment. De vrouwtjes komen in een donkere en een lichte variant voor.
De mannelijke exemplaren hebben een lichtere en uitgebreider blauw dan andere waterjuffers. Op segment 2 staat doorgaans een U-vormige zwarte tekening, die niet is verbonden met de achterrand. De zwarte stukjes op segmenten 3, 4, en 5 zijn zeer kort, allen ongeveer een vijfde van de segmentlengte. Hierdoor komt het middengedeelte van het achterlijf zeer blauw over, met een regelmatig patroon van zwarte vlekjes. Segment 6 is voor circa de helft zwart, segment 7 is vrijwel geheel zwart. De segmenten 8 en 9 zijn grotendeels blauw. Aan de zijkant van het achterlijf lopen de zwarte vlekken uit in een smalle streep richting de voorrand van de segmenten. De schouderstrepen zijn normaal ontwikkeld.
Bij de vrouwelijke exemplaren zijn lichte delen groen tot blauw van kleur. Meestal hebben ze een (vrijwel) geheel donkere achterlijfsrug. Er bestaat ook een vorm met blauwe vlekken op segmenten 2 tot en met 5.
Het afzetten van de eitjes na de paring vindt in tandem plaats. Hierdoor verhindert het mannetje dat het vrouwtje door concurrenten bevrucht wordt. Het vrouwtje zet de eitjes met haar ovipositor in waterplanten af.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Citroenvlinder

Ondanks de harde wind bleef de Citroenvlinder op de Beemdkroon zitten, zo te zien heeft hij al veel vlieguren gehad.

De citroenvlinder (Gonepteryx rhamni) is een dagvlinder uit de familie Pieridae (de witjes en luzernevlinders). Deze soort behoort tot de laatste groep en is een van de grootste soorten luzernevlind

De spanwijdte is tot 55 millimeter, de mannetjes zijn meer geel, de vrouwtjes meer groen van kleur maar dit is in het veld niet altijd even eenvoudig te zien. Ze vallen zowel in vlucht als bij bezoek aan bloemen goed op. De vrouwtjes zijn ook veel bleker van kleur en worden soms verward met de witjes. Beide vlinders (mannetje-vrouwtje) zijn te herkennen aan een oranje stip op iedere vleugelpunt.

De vlinder is uitstekend gecamoufleerd en het hele lichaam is hierop aangepast. De onregelmatige oranjebruine vlekjes lijken sprekend op de brandgaatjes in bladeren. De vleugeladering is lichter en duidelijk te zien en lijkt op de nerven van een blad. De donkere uiteinden van de adering op de vleugelrand lijkt op de bladrand en zelfs kleine stekeltjes worden nagebootst. De citroenvlinder heeft geen oogvlekken of andere schrikkleuren aan de boven (binnen)zijde van de vleugels, en vouwt deze in rust nooit open, zodat hij perfect lijkt op een blad.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Sint Jacobsvlinder

De rups van de sint-jacobsvlinder wordt zebrarups genoemd, naar de typische strepen op het lijf. Het jakobskruiskruid, dat deze rups eet, bevat giftige bestanddelen die de rups oneetbaar maken. De opvallende tekening waarschuwt daarvoor, waardoor het dier als voedselbron gemeden wordt. De rups raakt het gif dat hij binnenkrijgt niet meer kwijt, integendeel, het wordt geconcentreerd en doorgegeven aan de vlinder die daardoor eveneens oneetbaar is. Dit is vaker het geval bij felgekleurde insecten.

Bron. wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Kleine Vuurvlinder

De kleine vuurvlinder ben ik al een paar dagen tegengekomen in de Gaas.

De kleine vuurvlinder (Lycaena phlaeas) is een vlinder uit de familie Lycaenidae (kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes).

De bovenzijde van de voorvleugel is oranje met onregelmatige zwarte vlekken en een bruine rand. Aan de onderzijde is de tekening vergelijkbaar, maar met een licht grijsbruine bruine rand en lichter oranje. De achtervleugel is aan de bovenzijde bruin met wat zwarte vlekken en een oranje veld bij de achterrand. De onderzijde is licht grijsbruin en heeft een heel onduidelijke tekening: hieraan is de soort in Europa gemakkelijk van andere vuurvlinders te onderscheiden. Bij sommige ondersoorten buiten Europa is echter een duidelijke oranje band langs de achterrand van de vleugel te herkennen.

Het verschil tussen de mannelijke en vrouwelijke exemplaren is niet zo groot: aan de onderzijde zijn de zwarte vlekjes op de voorvleugel van het vrouwtje groter en meer ongeordend. In zeer kleine aantallen worden exemplaren waargenomen met een lichtgele of witte in plaats van het oranje tekening.

Met een voorvleugellengte van rond de 13 millimeter is de kleine vuurvlinder een vrij kleine vlinder.

Het mannetje zoekt een vrouwtje om mee te paren. Er zijn twee zoekstrategieën: patrouilleren en op wacht zitten. Bij het patrouilleren vliegt een mannetje rond en zoekt actief naar een vrouwtje. Bij het op wacht zitten, blijft een mannetje aan de grond en vliegt het op als er een soortgenoot verschijnt. Recent onderzoek aan een ondersoort van de kleine vuurvlinder geeft aan dat bij hogere lichtintensiteit er meer wordt gepatrouilleerd. Vermoedelijk kunnen vlinders die patrouilleren makkelijker warmte kwijt aan de omgeving.

Bron. Wikipedia. Foto Tonnie Verheijden

Buizerd

De buizers zijn weer druk bezig in de Gaas op zoek naar voedsel voor de Jonkies.

De roep van de buizerd klinkt als een gerekt klagend gemiauw. Wanneer men een nest nadert, beginnen de buizerds opgewonden en miauwend boven de boomkruinen te vliegen. Dit gedrag heet in vogelaarstaal ‘alarmeren’.

Bij buizerds bestaat een grote kleurvariatie, er zijn erg donker gekleurde exemplaren terwijl er ook zijn met een bijna witte onderkant. Het bovengedeelte is effen, terwijl aan de onderkant verschillende dwarsbanden getekend zijn. De staart van een volwassen buizerd heeft naast de donkere eindband nog 8-10 smalle donkere dwarsbanden. De spanwijdte van de vleugels is ongeveer 113 tot 128 cm. De totale lengte van kop tot staart is ongeveer 51 tot 57 centimeter.

Door de typische vlucht is de vogel gemakkelijk te herkennen; enkele vleugelslagen, kort zweven en dan weer een paar slagen. De buizerd is een uitgesproken langzame vlieger met zijn brede vleugels en de korte, brede staart. Vaak kan worden waargenomen dat een buizerd door een of meer kraaien, die in zekere zin zijn voedselconcurrenten zijn, wordt weggejaagd. De buizerd maakt ook graag gebruik van de thermiek. Op een mooie voorjaarsdag zijn vaak groepen buizerds te zien die zweven in de opstijgende warme lucht in een thermiekbel.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden