IJsvogel


Dit is de eerste keer dat ik een ijsvogel op de foto heb kunnen zetten, hij zat wel heel ver weg!

De ijsvogel is een kleine vogel met een korte staart en pootjes, een korte nek, korte afgeronde vleugels, een grote kop met grote ogen en een lange, dolkvormige snavel. De poten zijn syndactiel: de voortenen zijn aan de basis gedeeltelijk met elkaar vergroeid.
De ijsvogel is aan de bovenzijde overwegend blauw, waarbij de veren van de kop en vleugels iriserend blauwgroen zijn, en op het midden van de rug lichter tot kobaltblauw. De staartveren zijn wat donkerder. De veren aan de borst en buikzijde zijn warm oranje, en steken hiermee duidelijk af. Van de snavel tot achter het oog is op de wang een oranje oogstreep aanwezig, die abrupt overgaat in een helder witte streep. Ook de keel is wit. De poten van een volwassen ijsvogel zijn oranje tot rood van kleur. De mannetjes zijn enkel van de vrouwtjes te onderscheiden aan de kleur van de basis van de ondersnavel, die bij het vrouwtje voor het grootste deel tot volledig oranje is. Ook kan er bij het vrouwtje in de basis van de bovensnavel oranje voorkomen. De ondersnavel van het mannetje kan tot een derde van de lengte, gezien vanaf de basis, oranje zijn. Juvenielen onderscheiden zich van volwassen exemplaren door het valere verenkleed met donkergrijs gerande borstveren, een kortere snavel met een bleke snavelpunt, en donkerbruine poten. Roep van een ijsvogel
De ijsvogel meet van snavelpunt tot en met staart ongeveer 16 cm;  de spanwijdte is 24 tot 26 cm, en het lichaamsgewicht loopt uiteen van 34 tot 55 gram. De ijsvogel heeft een snelle stofwisseling, en het gewicht varieert gedurende de dag.
De vogel is in noordelijk Europa onmiskenbaar door zijn tekening.
Het geluid is divers. Er kunnen schelle en fluitende geluiden worden geproduceerd. Het mannetje lokt het vrouwtje met een hoge, fluitende ’tieieiet’ of ’tieietuu’, die hij vaak tijdens de vlucht laat horen. Bij opwinding of agressie worden korte, herhaalde ’tri-tri-tri’ geluiden geproduceerd.

Bron Wikipedia, Foto Tonnie Verheijden

Een zonsondergang in de Gaas

Een avondzon over de heide in de Gaas.

Een historisch heide gebiedje in de Gaas in Tilburg bij een woonwijk, de naam de Gaas werd vroeger genoemd omdat het gebied helemaal met gaas was afgesloten, waardoor de bewoners helemaal om moesten lopen om in de stad te komen. met de jaren is de gaas helemaal weggehaald nu is het een natuurgebied waar wandelaars, ruiters en mountainbikers gebruik van maken.

2 maal per jaar komen er schapen grazen, er wordt ook 1x per jaar een Natuurwerkdag gehouden om de berkenboompjes en dennenboompjes weg te halen. en op te schonen.

Er wordt nu weer een natuurwerkdag op 5 november 2022 gehouden, een leuke gezellige dag met een lekkere lunch koffie en thee en frisdrank.

u kunt zich aanmelden via de link hieronder.

https://www.natuurwerkdag.nl/klus/de-gaas/2022-11-05

Tonnie Verheijden

Bizons in Canada Elk Island park

Afbeelding-254

Bizons in Canada, een bezoek gebracht aan mijn Zus in Canada, ze woont vlakbij het Elk Island National park, als je daar doorrijdt over de Yellowhead Highway kom je zo af en toe een Bizon tegen of een hele kudde Bizons die de weg oversteken. klik op de kleine foto’s voor vergroting.

Afbeelding-256

Elk Island National Park ( Frans : Parc National Elk Island), is een van de 43 nationale parken en reservaten park beheerd door de Parks Canada Agency. Dit “eiland van het behoud” ligt 35 km ten oosten van Edmonton, Alberta langs de Yellowhead Highway , die bijna halveert het park. Het is Canada ’s 8 kleinste in de omgeving, maar grootste volledig omheind park, met een oppervlakte van 194 km ². Het park is representatief voor de noordelijke prairies plateau ecosysteem en als zodanig, de knop en een waterkoker landschap is een mix van inheemse zwenkgras grasland, esp park en boreale bossen. Als goed, Elk Island speelt gastheer voor zowel de grootste en de kleinste landzoogdieren in Noord-Amerika, het hout bizons en dwergspitsmuis.

Afbeelding-127

Elk Island National ParkIn het vroege post- Contact geschiedenis, werd het Beaverhills gebied vooral gebruikt voor de commerciële jacht. Dit leidde tot over-jacht en de virtuele eliminatie van bever uit het gebied door de jaren 1830 en van grote hoefdieren door de jaren 1860. Het gebied werd toen waardevol voor hout tot 1894, toen brand geveegd door het gebied. In 1899, de federale overheid aangewezen het gebied de ” Cooking Lake Forest Reserve “. Maar terwijl het woud beschermd was, het deed weinig om de eland, elanden en herten bevolking te beschermen. Dus, in 1906, vijf mannen uit Fort Saskatchewan voren $ 5000 gebracht en een petitie van de federale overheid voor het opzetten van een eland heiligdom, noemde het “Elk Park”. Elk Island Park werd later federale park de status toegekend in 1913, en vervolgens aanwijzing als een officieel Nationaal Park onder de Nationale Parken Act die door het doorgegeven Canadese parlement in 1930.

DSCN0484

Bizon in de Island National Park Elk

Elk Island National Park heeft een prominente geschiedenis in grote hoefdieren behoud. Reeds in 1907, de Canadese regering kocht een van de laatste en grootste overgebleven raszuivere vlaktes bizon, de Pablo-Allard kudde, uit Montana. Dicht bij 400 bizons werden naar Elk Island verscheept als tijdelijke waystation totdat de omheining op het Park van Buffels in Wainwright werd voltooid. In 1909 werd het hek afgewerkt en 325 bizons werden verplaatst naar Buffalo National Park. Echter, 50-70 bizons ontdoken vangen en werden de voorouders van de huidige veestapel in Elk Island National Park. In 2007 waren er naar schatting 425 vlaktes bizon in Elk Island.

DSCN0435

In de late 19e eeuw, op slechts 300 houten bison bleef wereldwijd, bijna uitsluitend in Wood Buffalo National Park . Tijdens de jaren 1920, werden 6000-7000 vlaktes bizons ook verplaatst naar Wood Buffalo National Park. Deze bizons waren niet alleen besmet met brucellose en tuberculose , waarin het hout bizonkudde besmet, maar het hout en vlakten ondersoorten ook kruisten , en dus werd gedacht dat hout bizons waren volledig uitgestorven door de jaren 1940. In 1957, echter, een ziekte-vrij, hout bizonkudde van 200 werd ontdekt in de buurt Nyarling rivier in Wood Buffalo National Park. In 1965, 23 van deze bizons werden verplaatst naar de zuidkant van Elk Island National Park en vandaag blijft daar als het meest genetisch zuivere hout bison overgebleven. In 2007 werd de houten bison bevolking in Elk Island National Park geschat op 315.

Afbeelding-252

In 1951, werd een replica van een pionier hut gebouwd in het park om de eer Oekraïens-Canadezen die het gebied een pionier. Deze replica, die bekend staat als de Oekraïense Pioneer Huis, was het eerste museum of historische site ooit gewijd aan de Oekraïense immigratie in Canada. In 1993 werd het uitgeroepen tot een Classified federale monumentenlijst door de federale overheid.Pelikanen in het Park

Elk Island is de thuisbasis van de dichtste bevolking van hoefdieren (hoefdieren) in Canada. Een verscheidenheid aan wilde dieren, waaronder vlaktes bizons , hout bizons , elanden , elanden , white-tailed deer , herten , coyotes , en bevers zijn het hele jaar door bewoners, evenals meer dan 250 vogelsoorten die gevonden kunnen worden in het park op verschillende tijden van het jaar. Meest opvallende hiervan zijn de Roodhalsfuut , Amerikaanse Witte Pelikaan , Dubbel-kuif Aalscholver , Blauwe reiger , Red tailed Hawk , Amerikaanse roerdomp en de Zwaan van de Trompetter

Bron Wikipedia Canada. Foto’s Tonnie Verheijden

Bizons in Canada

Bizons

Elk Island National Park heeft een prominente geschiedenis in het behoud van grote hoefdieren. Al in 1907 kocht de Canadese regering een van de laatste en grootste overgebleven raszuivere bizons, de Pablo-Allard-kudde, uit Montana. Bijna 400 bizons werden als tijdelijk tussenstation naar Elk Island verscheept totdat het hekwerk bij Buffalo Park in Wainwright voltooid was. In 1909 was het hek klaar en werden 325 bizons verplaatst naar Buffalo National Park. Echter, 40-70 bizons ontweken de vangst en werden de voorouders van de huidige kudde in Elk Island National Park. Sinds 2007 beheert Parks Canada actief een kudde van ongeveer 400 raszuivere en ziektevrije bizons en 300 bosbizons op Elk Island. Wanneer de bizons boven dit getal komen, worden ze verkocht. De opbrengst van de verkoop gaat naar de financiering van de behoeften van nationale parken.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Northern Flicker

Canadese Specht

Noordelijke flikkeringen (Colaptes auratus) zijn bleekgele of bruine spechten die gewoonlijk worden aangetroffen met mieren en andere insecten op de grond. Ze komen veel voor in de Verenigde Staten en Canada, maar verschillende populaties hebben verschillende kleuren.

Oosterse vogels vertonen tijdens de vlucht meestal gele of gouden markeringen in de vleugels en onder de staart. Westerse vogels hebben roodachtige of kaneelkleurige markeringen. De donkere vlek op het slabbetje en de onderkant is prominent aanwezig bij zowel mannelijke als vrouwelijke vogels, hoewel alleen de mannelijke vogels de gezichtssnor hebben.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Bruin Blauwtje

Bruin blauwtje op de heide in de Gaas.

Het bruin blauwtje (Aricia agestis,  door sommige auteurs in het geslacht Plebejus geplaatst) is een vlinder uit de familie van de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes (Lycaenidae).

Er is gemakkelijk verwarring mogelijk met het vrouwtje van het icarusblauwtje, dat ook bruine vleugels heeft. Het bruin blauwtje heeft op de onderzijde van de voorvleugel echter geen vlekje aan de basis van de vleugel, het icarusblauwtje wel. Ook ligt de bovenste van de twee vlekjes aan de voorrand van de achtervleugel bij het bruin blauwtje dicht tegen de bovenste rij van vlekjes, terwijl die bij het icarusblauwtje een stuk lager ligt.

Het bruin blauwtje komt algemeen voor in Centraal- en Zuid-Europa, op warme graslanden, heiden en duinen. Als zwerver en dwaalgast kan de vlinder worden aangetroffen in Nederland en België. In het kustgebied komt de vlinder als standvlinder voor.

Het bruin blauwtje profiteert van de opwarming van de aarde en doet dit niet onopgemerkt. In 2012 vloog de soort in het Verenigd Koninkrijk 79 kilometer noordelijker dan 20 jaar daarvoor. Maar niet alleen in de UK gaat het haar voor de wind, ook in de rest van Europa doet ze het zeer goed.

De vliegtijd is van mei tot en met oktober.

Bron wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Keizersmantel

Dit jaar weer een koninklijk bezoek gehad van de Keizersmantel.

De keizersmantel is een grote en opvallende vlinder met een vleugellengte van 27 tot 35 mm. Aan de enterhaakvormige vlekken op bovenkant van de vleugels kan men de mannetjes herkennen. De onderkant van de achtervleugel is groenig met zilverkleurige strepen.
De vlinder heeft veel nectar nodig, die hij meestal vindt in de wilde marjolein en distels.
De vlinder komt in vrijwel heel Europa voor en leeft in gemengde en naaldbossen. De vliegtijd is van mei tot en met september, rupsen kunnen worden aangetroffen vanaf de tweede helft van augustus tot de eerste week van juni.
Deze vlinder staat in Nederland op de Rode lijst als verdwenen, maar toch worden er regelmatig vooral in het zuiden zwervers gezien. In mei 2010 werd een rups in de omgeving van Zwolle aangetroffen.
Inmiddels is succesvolle voortplanting van de Keizersmantel vastgesteld in de Amsterdamse Waterleidingduinen en een gebied in Gelderland.

Bron Wikipedia. Foto Tonnie Verheijden

Atalanta

De atalanta (Vanessa atalanta) of admiraalvlinder of nummervlinder is een van de meest voorkomende vlinders in België en Nederland. In NoordEuropa is het een van de laatste vlinders die gezien kan worden voor de winter begint. In het zuiden vliegt de vlinder ook op zonnige winterdagen. De wetenschappelijke naam van de soort is voor het eerst geldig gepubliceerd in 1758 door Carl Linnaeus als Papilio atalanta Men kan deze vlinders vrijwel overal tegenkomen, tot meer dan 2000 meter hoogte in de Alpen. Ze overwinteren in Zuid-Europa en trekken in het voorjaar naar het noorden. De vliegtijd in Noordwest-Europa is van mei tot oktober. In het najaar trekt een deel van de aanwezige vlinders weer terug en plant zich in het zuiden voort. Soms probeert de imago in Nederland te overwinteren, maar in het algemeen zonder veel succes. Toch worden vaak al vroeg in het jaar waarnemingen gedaan. De hoogste aantallen atalanta’s worden gevonden in jaren waarin het in mei en juni warm weer is. De meest noordelijke plaats waar de vlinders kunnen overwinteren is het uiterste zuidwesten van Duitsland.

Het vliegen tijdens de trek gebeurt indien gunstig op grote hoogte, er wordt gebruik gemaakt van noorderwinden, soms ook ’s nachts. De vlinder heeft ongeveer vijf weken nodig om van Finland naar de Middellandse Zee te vliegen.

De soort komt ook voor in gematigde gebieden van Azië en in NoordAmerika

Bron Wikipedia – Foto Tonnie Verheijden

Witte Reus – Ivoorzweefvlieg

De Witte reus vanmorgen op de vlinderstruik.
De witte reus of ivoorzweefvlieg (Volucella pellucens) is een tweevleugelige die behoort tot de familie van de zweefvliegen.
De soort is te vinden in het Palearctisch en Oriëntaals gebied. Hij komt vooral voor in open plekken in bossen bij bloemrijke hagen.
Het is een opvallend groot en breed gebouwde hommelzweefvlieg. Het lichaam is overwegend zwart, maar het tweede achterlijfssegment is crèmewit. De vleugels hebben een gelige basis en een opvallende zwarte middenvlek. De lichaamslengte is tussen 13 en 18 millimeter. De soort vliegt van mei tot augustus.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Paardenbijter

Paardenbijter bleef een paar uur op deze plek hangen in de tuin.

De paardenbijter (Aeshna mixta) is een echte libel (Anisoptera) uit de familie van de glazenmakers (Aeshnidae). Het is een grote libel maar een van de kleinere glazenmakers, die in de nazomer vaak in groepen rondvliegt. De paardenbijter is een zeer algemene en zwerflustige soort, die grote afstanden aflegt. Incidenteel worden grote groepen zwervers waargenomen.
De paardenbijter bijt geen paarden, maar dankt zijn naam aan het feit dat hij vaak jaagt op insecten die zich dicht bij het lijf van dieren of mensen ophouden, waardoor het lijkt of hij ze bijt. De paardenbijter vliegt laat: van begin juli tot in november, met de grootste aantallen in augustus en september. Paardenbijters zijn vooral in de middag actief, op warme avonden zelfs tot diep in de schemering.
De levenscyclus duurt een jaar, mogelijk soms twee jaar. De (eerste) winter wordt doorgebracht als ei. De larven leven in allerlei stilstaande en langzaam stromende, vaak voedselrijke en niet zure wateren. Ze houden zich op in de oeverzone of in verlandingsvegetatie, tussen plantenstengels en dood plantenmateriaal. De larve kan zich ook ontwikkelen onder licht brakke omstandigheden. Het uitsluipen gebeurt gedurende een lange periode van eind juni tot eind september. Imago’s worden vaak in groepen aangetroffen, jagend langs bosranden op boomkruinhoogte. De mannetjes vertonen territoriaal gedrag langs de waterkant, maar zijn minder agressief dan andere glazenmakers. De eitjes worden door het vrouwtje afgezet in allerlei levende en dode plantendelen.
Het verspreidingsgebied van de paardenbijter loopt oostelijk tot in Japan, zuidelijk tot in Noord-Afrika. De soort komt voor in heel Europa, maar in Scandinavië, Groot-Brittannië en Ierland alleen in het zuiden. De noordgrens van het areaal schuift verder naar het noorden op, als gevolg van klimaatverandering. In Nederland is de paardenbijter overal aan te treffen, met een concentratie van waarnemingen langs de kust.

Bron Wikipedia – Foto Tonnie Verheijden

Nijlgans

2 Nijlganzen rusten elke ochtend even uit op de sirene mast in de Gaas.
De lichaamslengte bedraagt 63 tot 73 cm en het gewicht 2,5 kg.
Het verenkleed van beide geslachten is gelijk.
De nijlgans leeft voornamelijk op het land, hoewel hij goed kan zwemmen. In het broedseizoen verdedigt hij een territorium, soms zelfs agressief, maar ook onderling zijn ze weinig verdraagzaam. Die agressiviteit is trouwens het handelsmerk van deze ganzen. Ze passen brute kracht toe om het nest van een andere vogel in te pikken.
De nijlgans broedt vooral in holen in de stam van grote bomen. Het vrouwtje bouwt een nest van riet, bladeren en gras. Het vrouwtje en mannetje broeden om de beurt op de eieren. Beide ouders zorgen voor de jongen tot ze zelfstandig zijn.
Deze soort komt algemeen voor in Afrika in het dal van de Nijl, maar verder door het hele continent ten zuiden van de Sahara. De leefgebieden liggen langs meren, rivieren en in moerassen. De vogel mijdt gebieden met woestijnen en dichte bossen.

Bron Wikipedia – Foto Tonnie Verheijden

Brandganzen

De brandgans (Branta leucopsis), etymologie: van Grieks: λευκός (“wit”) + ὄψις (“gezicht”), een gans uit de familie Anatidae (Zwanen, ganzen en eenden).

De vogel is 55 tot 66 cm lang en heeft een spanwijdte van 110 tot 120 cm, gemiddeld 15 cm korter dan de grauwe gans. Uiterlijke kenmerken tussen het mannetje en het vrouwtje zijn er nauwelijks; alleen in het formaat en gewicht is er enig verschil: het mannetje weegt 910–1810 g, het vrouwtje 850–1770 g. De kop is geelachtig wit; achterzijde van de kop, nek en bovenborst zijn zwart. De buik en de onderkant zijn grijswit met een grijze bandering. De vleugels zijn grijsblauw met zwart-witte strepen. De poten en snavel zijn zwart.  Het is een sterke vogelsoort die weinig of geen last ondervindt van vriesweer.

Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit gras, maar ook nuttigen ze diverse mossoorten en ander groen. Bovendien eten ze naast gras en zeegras veel zaden, wat zeer ongewoon is bij ganzen. Het zoeken naar voedsel vindt doorgaans plaats bij daglicht. Bij dageraad en rond het vallen van de avond begeven ze zich naar veilig gelegen rustplaatsen. Bij volle maan kunnen ze het voedsel zoeken de hele nacht voortzetten. Tijdens de poolzomer, wanneer het helemaal niet meer donker wordt, eten ze ook de hele dag door, om een vetvoorraad te vormen voor de trek naar het zuiden in de winter. De brandgans eet voornamelijk eiwitrijke jonge scheuten gras, die tamelijk kort worden afgegraasd. Het eiwit wordt verteerd, en de groene vezel zelf wordt via de ontlasting weer uitgescheiden.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Grote Keizerlibel

Grote Keizerlibel

De Grote Keizerlibel vanmiddag in een bremstruik gespot.

De grote keizerlibel is de grootste vertegenwoordiger van de glazenmakerfamilie. Het is in België en Nederland na de zeer zeldzame gewone bronlibel (Cordulegaster boltonii) de grootste libel. De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 64 en 84 millimeter. Ook de larve is groot tot zeer groot (45–59 mm), met een lang halsvormig ingesnoerd prementum en ovaalvormige ogen met een licht gebogen achterrand.
Het borststuk van de libel is vrijwel egaal groen zonder schouderstrepen. De tekening op het voorhoofd bestaat uit een zwart vijfhoekje en een zwarte streep, met daartussen een blauwe lijn. Het mannetje heeft een hemelsblauw achterlijf met aan de bovenzijde een zwarte lengtestreep. De ogen zijn groen met een blauwe tint. Het vrouwtje heeft een groen achterlijf (soms flets blauw), met een brede donkerbruine lengtestreep. Bij jonge vrouwtjes kan de groene kleur op borststuk en achterlijf bruinig worden. De ogen zijn groen, vaak met een bruine tint. De vleugels hebben vaak een lichte bruine beroking, op beide helften van de vleugels. Pas uitgeslopen dieren van beide geslachten hebben een gelig achterlijf.Jonge larven leven tussen ondergedoken waterplanten, dicht bij het wateroppervlak. Oudere larven kunnen ook op ander plaatsen in ondiep water worden aangetroffen. 
De larven overwinteren één of twee keer. De larven die een tweede winter doorbrengen doen dit als volgroeide larve, waardoor ze al in mei in een korte periode kunnen uitsluipen. De larven die na één winter al uitsluipen doen dit later en verspreid over een langere periode: juni tot en met eind augustus. De mannetjes patrouilleren langdurig boven het water en de oever, waarbij ze hun achterlijf kenmerkend licht gebogen houden. Andere grote libellen worden verjaagd. Net als andere glazenmakers maken grote keizerlibellen lange jachtvluchten op beschutte plaatsen, zoals bosranden, heidevelden, enz. Soms worden daarbij grote prooien gegrepen, waaronder vlinders en andere libellen. De paring vindt meestal plaats in een boom. In tegenstelling tot andere keizerlibellen zet het vrouwtje daarna in haar eentje de eitjes af, meestal in drijvend plantenmateriaal. Vaak gebeurt dit aan het einde van de middag. 

Bron Wikipedia – Foto Tonnie Verheijden

Distelvlinder

Vandaag de eerste Distelvlinder in de tuin gespot.

De distelvlinder (Vanessa cardui) is een vlinder uit de onderfamilie Nymphalinae van de familie van de aurelia’s (Nymphalidae). In Nederland en België is de distelvlinder vooral bekend als trekvlinder die in sterk wisselende aantallen passeert. Zowel de Nederlandstalige als de wetenschappelijke naam van deze soort verwijzen naar het geslacht van de distels (Carduus), waardplanten van de distelvlinder.

Distelvlinders hebben oranje vleugels met zwarte vlekken, en aan de vleugelpunten van de voorvleugels een zwart gebied met witte vlekken. Aan de onderzijde van de achtervleugels zitten 5 ronde vlekken, die soms een blauw hart hebben en oogvlekken worden. De onderzijde is verder bruin met wit lijntjes in een fijn vakjespatroon. De spanwijdte is 5 tot 6 centimeter. De distelvlinder lijkt door zijn oranje-zwarte tekening enigszins op parelmoervlinders, maar onderscheidt zich makkelijk door de zwart met witte vleugelpunten.

De imago van de distelvlinder drinkt graag nectar van allerlei bloemen, en is bijvoorbeeld vaak te vinden op vlinderstruiken in tuinen. In tegenstelling tot de verwante atalanta komt de distelvlinder echter niet af op rottend fruit.

Bron Wikipedia. Foto Tonnie Verheijden