Witkop staartmeesje

De staartmeesje kom je weer tegen in de Gaas dit keer weer een Witkop staartmeesje.

De staartmees (Aegithalos caudatus) is een zangvogel uit de familie staartmezen (Aegithalidae). Hij behoort niet tot de familie van echte mezen (Paridae); staartmezen vormen een eigen familie. Ze worden ongeveer 14 cm groot (daarvan neemt zijn staart 7 cm in beslag), ongeveer even groot als de koolmees. De staartmees komt voor in bosrijke omgevingen, in struikgewas, op bouwland en soms in parken en tuinen. Ze leven in groepen van 20 tot 60 individuen. Ze bouwen bolvormige nesten met een ingang aan de voorzijde. De vogel moet zijn staart over zijn rug leggen als hij op de eitjes zit. Staartmezen hebben een klein zwart/wit/roze lichaam met een zeer lange staart. Zijn zang bestaat uit korte kreten en roepgeluiden

Staartmees is tevens een verzamelnaam van allerlei moeilijk te herkennen ondersoorten, die een behoorlijk complexe groep vormen. In Nederland komt de ondersoort europaeus voor, die een samenraapsel is van vogels met een grote variatie in verenkleed. Van witkoppig (de zogenaamde witkoppige staartmezen) tot donkerkoppig (de vogels die standaard in de boekjes zijn afgebeeld). Deze verzamelgroep komt voor in het grootste deel van Europa. Andere ondersoorten die gevonden kunnen worden in Europa zijn de rosaseus in Engeland, Ierland en Schotland, de caudatus van Scandinavië tot noordelijk Japan, irbii uit Spanje en taiti uit Frankrijk/Spanje (waarschijnlijk een overgangsvorm tussen europaeus en irbii), verder komen in Turkije en omgeving nog tephronotus en alpinus voor waarbij met name de eerste waarschijnlijk weer een overgansvorm is net zoals de major.

Bron Wikipedia foto Tonnie Verheijden

Middelste bonte Specht.

Middelste bonte Specht kwam op bezoek voor de zonnenpitten en nootjes.

De middelste bonte specht (Dendrocoptes medius; synoniem: Dendrocopos mediusLeiopicus medius) is een vogel die tot de familie spechten (Picidae) behoort. Het is een standvogel in een groot deel van Europa en het zuidwesten van Azië.

De middelste bonte specht vertoont uiterlijke overeenkomsten met de grote bonte specht (Dendrocopos major), maar is wat kleiner en meer gedrongen. In tegenstelling tot de meeste spechtensoorten hebben het mannetje en het vrouwtje vrijwel hetzelfde uiterlijk. De middelste bonte specht roffelt zelden en foerageert voornamelijk in de toppen van bomen met een ruwe bast. Hier voedt hij zich voornamelijk met insecten en boomsappen. De habitat bestaat voornamelijk in oude loofbossen, met name in bossen met veel eiken.

Het verenkleed van de middelste bonte specht is aan de bovenzijde glanzend zwart. De zwarte vleugels hebben witte ovale vleugelvlekken aan de basis en een witte, brede bandering. De schouder en onderzijde is wit. De borst en flanken zijn bedekt met zwarte, verticale strepen en vertonen vaak gele tinten. Van de buik tot de anaalstreek verloopt de kleur van het verenkleed van vuilroze naar rood. De staart is zwart, met uitzondering van de zwart-wit gebandeerde buitenste staartpennen.

De middelste bonte specht heeft een relatief korte, lichtgrijze snavel die minder sterk is dan bij veel andere spechten. De iris is rood tot roestbruin en steekt meestal duidelijk af in het gezicht. Het gezicht is met uitzondering van een vage donkere snorstreep overwegend wit, net als het voorhoofd, de keel en nek. Door de spaarzame zwarte veertjes in het gezicht heeft de specht soms een smoezelig uiterlijk. Het wit van het gezicht en de schouder wordt gescheiden door een horizontale zwarte vlek, die in tegenstelling tot bij de grote bonte specht niet doorloopt tot in de nek.Bij het vrouwtje is de kleurgrens tussen de rode kopkap en de zwarte nek soms minder scherp dan bij het mannetje

Beide geslachten hebben een geheel rode kopkap zonder zwarte bies. Bij verstoring of opwinding worden de rode kopveren opgezet. Op het achterhoofd heeft het mannetje meestal een duidelijke grens tussen het rood van de kopkap en het zwart in de nek. Het vrouwtje heeft een iets minder felrood gekleurde kopkap. De overgang tussen het rood en het zwart op het achterhoofd is soms vager en vertoont soms ook gelige of bruinige tinten. Buiten dit verschil, dat niet altijd aanwezig is en in het veld moeilijk is te onderscheiden, bestaat er geen noemenswaardige seksuele dimorfie. Hiermee onderscheidt de middelste bonte specht zich van de meeste andere spechtensoorten.

Het juveniel van de middelste bonte specht is valer en minder contrastrijk gekleurd. De kopkap is minder felgekleurd, het gezicht is grijzer, de iris is grijs of bruin en de vleugels hebben een bruine tint.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Bloedrode Heidelibellen

Vorige Maand nog Bloedrode Heidelibellen tegen gekomen in de Gaas.

De bloedrode heidelibel (Sympetrum sanguineum) is een echte libel (Anisoptera) uit de familie van de korenbouten (Libellulidae).

De libel is in grote delen van zijn areaal een algemene soort die te herkennen is aan de dieprode kleur, hoewel het niet de enige rode libel is. Het is met een spanwijdte tot 6 centimeter een middelgrote soort.

De bloedrode heidelibel komt voor in grote delen van Europa, waaronder België en Nederland. Het is een generalist die rond verschillende wateren leeft en een van de meest voorkomende heidelibellen (geslacht Sympetrum).

De bloedrode heidelibel dankt zijn naam aan de dieprode kleur van de mannetjes, de vrouwtjes zijn geel. De soortnaam sanguinea betekent ‘bloedrood’. In andere talen verwijst de naam ook naar de rode kleur, zoals in het Engelse ruddy darter dat ‘rode libel’ betekent.

De lichaamslengte ligt tussen 34 en 36 millimeter, de spanwijdte is 50 tot 60 millimeter.

De ogen raken elkaar aan de bovenzijde. Het voorhoofd en de ogen van het mannetje zijn roodbruin, die van het vrouwtje bruin.

Het borststuk is roodbruin. De vleugels zijn doorzichtig en hebben geen vlekken of dwarsbanden. De vleugelbasis is oranje aangelopen. De kleur wordt veroorzaakt door een fijne oranje beharing. De oranje zone is groter dan die bij de bruinrode (Sympetrum striolatum) en steenrode heidelibel (Sympetrum vulgatum), maar het is geen echte oranje vlek zoals bij de geelvlekheidelibel (Sympetrum flaveolum). Het pterostigma is bij mannetjes roodbruin, bij vrouwtjes bruin.

Het achterlijf is bij mannetjes helder rood, met kleine zwarte vlekken op de achterste segmenten. Ook aan de onderzijde van het achterlijf zitten zwarte vlekjes. Bij het mannetje is het achterlijf duidelijk ingesnoerd ter hoogte van vierde segment, waardoor een enigszins knotsvormige achterlijfspunt ontstaat. Het achterlijf van het vrouwtje is in eerste instantie geel maar wordt later bruingeel. Jonge mannetjes hebben een geelbruin achterlijf. Als ze zijn uitgekleurd, wat enkele dagen kan duren, komt de rode kleur tevoorschijn. Tot die tijd zijn ze makkelijk met vrouwtjes te verwarren. Bij oudere vrouwtjes kan het achterlijf soms wat rood kleuren, maar nooit zo bloedrood als bij de mannetjes.

De opvallend rode mannetjes zijn op het eerste gezicht te verwarren met andere roodgekleurde soorten zoals de vuurlibel. Van andere heidelibellen zijn zowel het mannetje als het wijfje echter relatief eenvoudig te onderscheiden door de volledig zwarte poten. De gelijkende vuurlibel heeft rode poten.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Zonsopgang in de Gaas

Een mooie zonsopgang in de Gaas elke ochtend een andere uitzicht tijdens mijn wandeling.

Zonsondergang in de Gaas

Gisteravond was er weer een mooie zonsondergang in de Gaas.

Tonnie Verheijden