Akkerhommel Koningin

_TVS3870

De Akkerhommel was een week of 6 al geleden op bezoek geweest opzoek naar nectar en dat vond ze bij de viooltjes.

De akkerhommel (Bombus pascuorum ) is een hommel en behoort tot de vliesvleugeligen (Hymenoptera). De soort is in Nederland en België zeer algemeen en heeft een oranje-bruin gekleurd borststuk en een bruin- tot geelrood gekleurde achterlijfspunt. Deze hommel is zeer vriendelijk en zal niet gauw steken. In het Westen van Nederland heeft deze hommel een verder zwart achterlijf. Bij deze hommels is vaak een driehoekig zwart veld op de bovenzijde van het borststuk te zien. Exemplaren in het midden en oosten van Nederland hebben overwegend een gelig of grijs gekleurd achterlijf en kunnen makkelijk verward worden met de gele hommel of de moshommel, maar vooral met de heidehommel. Er worden echter ook tussenvormen gevonden.

_TVS3866

Mannetjes van de akkerhommel zijn makkelijk te herkennen aan hun gelobde antennen. De akkerhommel is vaak onregelmatig en dun behaard, heeft een middellange tong en is te vinden op vele plantensoorten onder andere heide, distel en smeerwortel. Het nest zit meestal onder de grond in oude muizennesten, maar de soort nestelt ook bovengronds onder mos, in graspollen, composthopen, in vogelnesten en soms in nestkastjes. Een volgroeide kolonie van de akkerhommel bestaat uit zo’n 60 tot 200 werksters. De koningin is 18-22, de werkster 9-15 en het mannetje 12-14 mm lang. De spanwijdte van de koningin is 32 mm. De nestzoekende koninginnen zijn te zien van begin maart tot midden mei, de werksters van begin mei tot half oktober en de jonge koninginnen en mannetjes van half augustus tot eind oktober. Foto’s T.V.S. Bron: Wikipedia

_TVS3863

Leeuw met Welpen

_TVS4112
Deze Leeuw is heel zorgzaam voor zijn jonge Welpen, de Welpen zijn ook constant in de buurt van hun vader, meestal samen aan het stoeien, de Leeuwin lag een stukje verderop alles in de gaten te houden.

De leeuw (Panthera leo) is een groot roofdier uit de familie der katachtigen (Felidae). Van alle katachtigen is enkel de tijger groter. De grootte en de manen van het mannetje geven het dier een imposant uiterlijk, waardoor de leeuw in grote delen van de wereld bekendstaat als de koning der dieren. In Europa heeft hij deze rol overigens pas in de loop van de Middeleeuwen overgenomen van de bruine beer.

De leeuw is een grote katachtige met een brede kop, een korte snuit en relatief kleine, ronde oren. Hij heeft een kortharige asgrijze of zandgele vacht (maar variërend van okerbruin tot bijna wit) en een donker kwastje aan het puntje van de staart. Over de vacht verspreid liggen vage vlekken, die vooral bij jongere dieren goed te zien zijn. De vlekken vervagen naarmate het dier ouder wordt en zullen meestal uiteindelijk verdwijnen. De meeste mannetjes hebben dichte zwarte, bruine of gele manen met een variërende lengte op de kop, hals en schouders. Bij de nu uitgestorven ondersoorten uit Noord-Afrika en de Kaap liep de maan als een franje over de buik. Het duurt meestal een jaar of zes eer de maan goed ontwikkeld is. Wijfjes zijn kleiner en hebben geen manen.

De staart is tussen de 60 en 100 cm lang en de schouderhoogte is 100 tot 128 cm. Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes. Het mannetje heeft een kop-romplengte van 172 tot 250 cm en een lichaamsgewicht van 150 tot 280 kg, het vrouwtje een kop-romplengte van 140 tot 192 cm en een lichaamsgewicht van 100 tot 182 kg. De leeuw lijkt anatomisch sterk op de tijger, hoewel de vacht, leefomgeving en manier van leven anders is.

Een leeuw heeft 26 tanden. Bovenaan heeft hij 6 snijtanden, 2 hoektanden, 2 voorkiezen en 4 kiezen. Onderaan heeft hij 6 snijtanden, 2 hoektanden, 2 voorkiezen en 2 kiezen.

Een leeuw wordt in het wild ongeveer 10 tot 14 jaar oud, in gevangenschap kan een leeuw zelfs ouder dan 20 jaar worden.

_TVS4114De leeuw is de enige katachtige die een sociale in plaats van een solitaire leefwijze heeft. Hij leeft normaal in groepen met een variërende samenstelling, maar bestaat meestal uit gemiddeld vijf volwassen vrouwtjes (twee tot twintig), een of twee volwassen mannetjes (tot acht) en hun jongen en onvolwassen nakomelingen. Soms bestaat een groep uit meer dan 30 leeuwen. Meestal bewegen de dieren zich los van elkaar of in kleinere groepen. Als dieren uit dezelfde groep elkaar tegenkomen, volgt een ritueel van wrijven, likken en spinnen. Vreemde leeuwen, zowel mannetjes als vrouwtjes, worden meestal weggejaagd. Leeuwinnen blijven hun hele leven bij dezelfde groep, mannetjes meestal niet meer dan drie of vier jaar. Mannetjes die niet bij een groep horen, leven een zwervend bestaan, alleen of met andere mannetjes. Door dit zwervende bestaan worden mannetjes in de regel minder oud dan vrouwtjes.

De groep heeft meestal een vast territorium. In de Serengeti volgen ze echter meestal de grote trekkende kudden gnoes, zebra’s en gazellen.
Leeuwen rusten een groot deel van de dag

De leeuw is het grootste deel van de dag inactief. Soms ligt hij tot twintig uur per dag te rusten in de schaduw, en is hij enkel actief om te jagen. De leeuw voedt zich voornamelijk met prooidieren tussen de 50 en 300 kg, maar als deze niet in de buurt zijn gaat hij af op kleinere en grotere dieren, tussen de vijftien en duizend kg. Het zijn vooral de vrouwtjes die jagen; 81% van al het voedsel binnen een groep is gevangen door vrouwtjes. Mannetjes zijn echter ook in staat om een prooi te doden.

De leeuw jaagt alleen, in paartjes of in grotere groepen. Hoe groter de jachtgroep, hoe groter het gevangen dier. Een groep leeuwen jaagt voornamelijk op antilopen, zebra’s, kafferbuffels, herten (in India) en andere grote herbivoren. Ze lokken de prooi in een val door deze op te jagen naar een plek waar een aantal andere leeuwinnen klaar staan om de prooi te vangen. De prooi wordt eerst beslopen, waarna het dier met een snelle sprint aanvalt. Bij de aanval kan de leeuw snelheden bereiken van 60 km/u. Grotere prooidieren worden gewurgd, terwijl kleinere dieren worden gedood door te bijten in de kop, nek of borst.

Als een grote prooi gevangen is, wordt de hiërarchie binnen een leeuwengroep zichtbaar. De volwassen mannetjes mogen eerst eten. Als hij is uitgegeten mogen de leeuwinnen en de welpen de resten. Een leeuw eet ook aas en steelt soms voedsel van andere dieren, als hyena’s, luipaarden en jachtluipaarden. De leeuw valt normaal gesproken geen mensen aan. Zieke of gewonde dieren nemen genoegen met vrij kleine prooidieren, als ratten, hagedissen, vissen of zelfs noten.

_TVS4115Als de leider(s) van een groep wordt uitgedaagd door een of meerdere rondzwervend mannetjes, gaat hij het gevecht aan om de leider te blijven. Soms gebeurt dit ook door mannelijke welpen die groot zijn geworden. Dominante leeuwen en uitdagers zijn meestal tussen de vijf en tien jaar oud. De verliezer moet de groep verlaten en de winnaar wordt of blijft de leider. Als er een nieuwe leider is, zal deze eerst alle welpen die op dat moment leven, doden. Zo zorgt hij ervoor dat de vrouwtjes weer vruchtbaar worden (vrouwtjes zijn vruchtbaar zolang ze geen jongen hebben) en kan hij zich voortplanten.

Er is geen vaste paartijd. Het komt wel geregeld voor dat leeuwinnen binnen een groep gelijktijdig in oestrus raken, waardoor meestal meerdere jongen tegelijkertijd worden geboren. Vrouwtjes zogen ook de welpen van andere vrouwtjes. De sterfte onder welpen is vrij groot, mede doordat nieuwe mannetjes welpen doden en doordat zwakkere welpen meestal aan hun lot worden overgelaten.

Na een draagtijd van honderd dagen worden twee tot zes jongen geboren op een schuilplaats tussen lang gras, in dicht struikgewas of tussen rotsen. De welpen zijn bij de geboorte blind: de ogen gaan na drie tot elf dagen open. Na een maand gaan ze zich meer bewegen en na twee maanden vergezellen ze volwassen dieren tijdens de jacht. De zoogtijd duurt ongeveer acht maanden. Na 18 maanden zijn ze onafhankelijk en na vijf jaar volgroeid.

De leeuw heeft een luide brul. De brul van het mannetje is luider dan die van het vrouwtje. Vooral ’s nachts laten ze een luide brul horen, die soms tot op een afstand van acht km te horen is. Met de brul houdt de leeuw contact met andere groepsgenoten: hij geeft zijn aanwezigheid en positie aan, en mogelijk ook zijn status binnen de groep. Foto’s T.V.S Bron : Wikipedia

Kleine Vos

_TVS3970
Een paar weken geleden foto’s gemaakt van de Kleine Vos, het was een paartje helaas gingen ze hoog in de bomen paren.

De kleine vos (Aglais urticae) is een dagvlinder uit de familie Nymphalidae, de vossen, parelmoervlinders en weerschijnvlinders.

Beschrijving

De kleine vos heeft een voorvleugellengte van 22 tot 25 millimeter.

De basiskleur van de bovenkant van de vleugels is oranje. Langs de voorrand (costa) van de voorvleugel loopt een band van afwisselend gele en zwarte vlekken, die bij de vleugelpunt (apex) wordt afgesloten met een witte vlek. Ook in het middenveld bevinden zich nog een zwarte vlek geflankeerd door een gele vlek en twee zwarte stippen. De vleugelbasis van de achtervleugel is zwartbruin. Bij de voorrand van de vleugel loopt het oranje over in geel. Langs de vleugelranden loopt een rand met aan de binnenkant opvallende blauwe maanvormige vlekjes die zwartomrand zijn. De franje is geblokt. Zowel de voorvleugel als de achtervleugel heeft een meestal onopvallend uitstulpinkje.

_TVS3977

De kleurstelling van de kleine vos is vermoedelijk een voorbeeld van aposematische kleuring, die predatoren afschrikt. Onderzoek met het voeren van kleine vossen aan de koolmees heeft laten zien dat deze terughoudend is in het eten van de kleine vos, en deze terughoudendheid is groter bij gevleugelde dan ontvleugelde exemplaren.[2]

De onderzijde van de achtervleugel is donkerbruin met een wittige soms licht oranje band. Op de voovleugel zijn de vlekken langs de voorrand te herkennen, en is de kleur ook wittig of soms licht oranje met donkerbruin.

De kleine vos kan verward worden met de grote vos, die echter flink groter is. Op de voorvleugels van de grote vos ontbreken blauwe maantjes, en in het middenveld van de voorvleugel zijn vier zwarte vlekjes te vinden, in plaats van drie bij de kleine vos. Daarbij moet worden opgemerkt dat de grote vos veel minder vaak wordt waargenomen. Enerzijds door een meer verborgen leefwijze, anderzijds doordat hij zeldzamer is.

_TVS3980

Levenscyclus

Het vrouwtje zet de eitjes in groepen van veertig tot ruim honderd op de grote brandnetel (urtica dioica). Het vrouwtje kiest daarbij meesstal voor de onderkant van een vrij jong blad van jonge brandnetels. De voorkeur gaat uit naar brandnetels op een zonnige plaats, in een groepje in een tamelijk open omgeving, waar de eitjes worden afgezet aan de zuidoostkant. Weer opgroeiende brandnetels die eerder zijn afgemaaid verdienen ook een duidelijke voorkeur, omdat deze meer voedingsstoffen bevatten.[3] Om een geschikte plant te vinden onderzoekt het vrouwtje de plant met zintuigen op onbehaarde delen van haar voorpoten. Ze zoekt ’s middags een geschikte waardplant, overnacht daar, en zet de volgende ochtend nadat het warm genoeg is geworden de eitjes af. Als ze wordt verstoord vliegt het vrouwtje in een rechte lijn weg. Maar even later keert zij weer terug om het afzetten te vervoltooien.

Na 6 tot 10 dagen verschijnen de rupsen. Deze rupsen spinnen een aantal bladeren bij elkaar en leven samen dat spinsel. Als de bladeren zijn kaalgevreten verhuizen zij naar een andere plant. Pas in het laatste stadium leven de rupsen solitair. Vooral deze solitaire rupsen worden geïnfecteerd door parasieten.

Na 13 tot 22 dagen zoekt de rups een plaats om te verpoppen. Ze kruipen daarbij enkele meters weg. De rupsen verpoppen hangend in de vegetatie of aan een muurtje op ongeveer 1 meter hoogte. Het popstadium duurt 8 tot 12 dagen. De poppen zijn gevoelig voor vorst, en met name nachtvorst in mei kan aan de eerste generatie flinke schade toebrengen.

Het imago vliegt in twee jaarlijkse generaties, die elkaar in vliegtijd overlappen. De eerste generatie verschijnt vanaf eind juni, de tweede volgt vanaf begin augustus. De vlinders van de tweede generatie eten zich in de eerste dagen van hun bestaan vol, teneinde voedselreserve op te bouwen. Daarna zoeken zij een schuilplaats, en gaan in diapauze om te overwinteren. Zij doen dat vaak op koele beschutte plekken, en zijn dan ook vaak te vinden in schuurtjes. Pas na de overwintering gaan zij zich voortplanten. Bij overwintering zijn de vlinders bestand tegen vorst tot zeker -20oC. Binnenshuis worden zij echter actief door de warmte, en kunnen ze de winter, ook bij gebrek aan nectarplanten, niet overleven.

Volwassen vlinders van de eerste generatie worden 25 tot 60 dagen oud, die van de tweede generatie 280 dagen tot een jaar.
Gedrag

Het mannetje van de kleine vos verdedigt vanaf de middag een territorium vanaf een beschutte zonnige plek in de buurt van brandnetels. Het mannetje vliegt naar elk voorbijvliegend dier dat mogelijk een kleine vos zou kunnen zijn. Soortgenoten mannetjes jaagt hij weg en achtervolgt het soms lang in een rondcirkelende vlucht. Als het mannetje langere tijd geen succes heeft, verhuist hij naar een nieuw territorium – gemiddeld gebruikt een mannetje twee territoria per dag. Een vrouwtje wordt net zolang achtervolgd tot het gaat zitten. Dit kan lang duren (uren) en soms wordt een vrouwtje door meerdere mannetjes gevolgd. Het mannetje gaat achter het vrouwtje zitten, en betast haar met de antennes. De paring duurt de hele nacht en vindt plaats onder een blad van een brandnetel.

De kleine vos gebruikt een grote verscheidenheid aan planten als nectarplant, zoals heelblaadjes, watermunt,leverkruid, paardenbloem, ….

De kleine vos is een zeer mobiele soort. Bekend is dat hij kan zwerven, en zo tot wel 150 kilometer kan afleggen. Soms vindt er ook gerichte vlindertrek plaats, en trekken duizenden vlinders onze omgeving (Nederland en België) binnen. Deze neiging is vooral bekend van de tweede generatie.
Voorkomen
Verspreiding

De vlinder komt van geheel Europa en het noordelijk deel van het Arabisch Schiereiland tot Siberië, China en Japan algemeen voor. De kleine vos heeft geen specifieke eisen aan zijn habitat en ook zijn waardplant is zeer algemeen. Daarom kan de vlinder op veel plekken worden aangetroffen. De soort is ook in Noord-Amerika, met name langs de oostkust van de Verenigde Staten, waargenomen[4], het betreft hier geïntroduceerde exemplaren.[5]

In Nederland en België is de kleine vos een algemene tot zeer algemene vlinder. De laatste jaren is de soort wat achteruitgegaan.

De kleine vos vliegt van zeeniveau tot 3000 meter foto’s T.V.S. Bron : Wikipedia

Kleine rode Panda

_TVS4124

Het is leuk om te zien hoe de Kleine rode Panda’s in de bomen zitten of slapen meestal slapen.

De kleine panda of rode panda (Ailurus fulgens) is een bedreigde diersoort die in Azië leeft. Net zoals de reuzenpanda eet hij bamboe. De rode panda wordt ook wel katbeer genoemd. Deze benaming doet vermoeden dat de kleine panda een beer is, maar eigenlijk is dit niet zo, in tegenstelling tot de reuzenpanda. Hij behoort tot de familie katberen (Ailuridae) waarvan het de enige nog levende soort is. De kleine panda is nauwer verwant aan wasberen dan aan beren. Er bestaan twee ondersoorten, Ailurus fulgens fulgens en Ailurus fulgens styani.

Kenmerken

De vachtkleur is rood- of kastanjebruin, afgezien van witte randjes aan de oren en witte vlekken op de wangen, rond de snuit en boven de ogen. Vanaf de ogen lopen brede, donkere “huilstrepen” omlaag. De staart bevat lichte en donkere ringen. Het dier heeft half-intrekbare klauwen, waarmee het goed kan klimmen. De lichaamslengte bedraagt 50 tot 64 cm, de staartlengte 28 tot 50 cm en het gewicht 3 tot 6 kg.

_TVS4121

Leefwijze

Het voedsel van dit nachtactieve dier bestaat uit bamboescheuten en –bladen, grassen, wortels, vruchten, maar ook uit larven, eieren, muizen, hagedissen en vogeltjes. De territoriumgrenzen worden gemarkeerd met urine en een muskusachtige uitscheiding uit de anaalklieren. De communicatie geschiedt door middel van korte fluit- en pieptonen.

Voortplanting

Het is een solitair dier dat in de voortplantingstijd paarbindingen aangaat. De jongen komen meestal ter wereld in een boomholte, bekleed met bladeren, mos en ander zacht materiaal. Een nest, dat wordt aangelegd in een takvorm, onder boomwortels of in dichte bamboebosjes, telt 2 tot 5 jongen. Moeders en jongen blijven enkele jaren bijeen. Bij dieren in gevangenschap duurt de draagtijd 90 dagen plus nog een wisselend aantal dagen waarin de eisprong wordt uitgesteld.

_TVS4118

Verspreiding

Deze soort komt voor in Zuid- en Zuidoost-Azië. Gematigde bergwouden op hoogten tussen 1800 en 4000 meter vormen de voornaamste habitat van deze soort. foto’s T.V.S Bron : Wikipedia

Luipaard Panter

_TVS4159
De luipaard ook wel Panter genoemd zie over niet vaak overdag, in Safaripark Beekse Bergen verstopt hij zich ook meestal op patsen dat hem niet kunt zien, alleen van daag lag hij heel lui op de boomstam.

De luipaard is een grote, gespierde katachtige met korte, krachtige poten en een lange staart. De kop is breed en een beetje rond van vorm met kleine, ronde oren. De snuit is middelgroot, met krachtige kaken en lange snorharen.

De vacht van een luipaard is bedekt met veel zwarte vlekken. Op het lichaam en de bovenste helft van de poten zijn deze vaak gegroepeerd met bruine vlekken in rozetten. Ook zijn er geheel zwarte, niet gegroepeerde vlekken, voornamelijk op de buik, kop en de onderpoten, maar ook op het lichaam. Ook de staart is gevlekt, van het begin tot het midden, maar aan het einde meer geringd. De grondkleur van de meeste dieren is zandgeel of lichtbruin, maar de kleur kan zeer variëren, van bijna wit tot geheel zwart bij de bekende zwarte panters , die vooral in Indonesië en in de Afrikaanse hooglanden leven. De buik, keel en kin zijn wittig. De kleur en vachtlengte hangen af van de plaats waar ze leven, maar toch kunnen zwarte en gele luipaardjongen van dezelfde moeder zijn. De vachttekening biedt het dier camouflage, zodat het gemakkelijk onopgemerkt kan blijven. De oren zijn zwart aan de achterzijde met een opvallende witte tekening in het midden.

_TVS4166

Mannelijke luipaarden kunnen een kop-romplengte van 130 tot 190 centimeter meter lang bereiken. De staart is nog 60 tot 110 centimeter lang. Luipaarden worden 28 kilo tot 90 kilogram zwaar. De schouderhoogte van een luipaard is ongeveer 50 cm tot 60 cm. Vrouwtjes zijn kleiner dan mannetjes. Vrouwtjes hebben een kop-romplengte van 104 tot 140 centimeter en een lichaamsgewicht van 28 tot 60 kilogram (gemiddeld 50 kilogram), mannetjes een kop-romplengte van 130 tot 190 centimeter en een gewicht van 35 tot 90 kilogram (gemiddeld 60 kilogram).
Zintuigen

De ogen van de mens werken het beste in het daglicht, maar de ogen van katachtigen werken goed bij extreem weinig licht. Hierdoor kunnen ze ook goed ’s nachts jagen. De pupillen zijn ellipsvormig.

Het reukvermogen van een luipaard is heel goed, zelfs beter dan bij de tijger.

Het gehoor is heel sterk: een luipaard kan heel hoge frequenties horen tot 100 kHz, ook als ze heel zacht zijn. De snorharen van een luipaard spelen ook een belangrijke rol. Ze veranderen van stand, afhankelijk van dingen die hij doet. Als hij loopt, staan ze zijdelings uitgespreid, bij het snuffelen staan ze langs de kop naar achteren en bij het aanvallen van een prooi staan ze naar voren gericht, waardoor hij op de goede plek kan toebijten.

_TVS4167

Voedsel

De luipaard is ’s nachts of in de schemering actief. Hij jaagt meestal ’s avonds of ’s nachts. Hij jaagt zelden overdag, omdat hij dan te veel opvalt. Overdag rust het dier meestal tussen struikgewas of in een boom.

De luipaard jaagt voornamelijk op middelgrote zoogdieren als antilopen, herten, knobbelzwijnen en andere varkens, geiten en bavianen, en op kleinere dieren zoals hazen, apen, klipdassen, knaagdieren (waaronder stekelvarkens), vogels, slangen, vissen en insecten, evenals struisvogels, jakhalzen en honden. Sommige luipaarden specialiseren zich in een bepaalde diersoort.

Als de luipaard een prooi denkt te hebben gevonden, bespringt hij de prooi als die op zijn schuilplaats zit. Hij besluipt eerst behendig en rustig de prooi; soms ligt het dier doodstil in een hinderlaag klaar om te springen, bijvoorbeeld in een boom. Afrikaanse luipaarden nemen hun prooi mee een boom in, waar ze die opeten. In een boom zijn ze meestal veilig voor andere roofdieren, als leeuwen en gevlekte hyena’s, die zijn prooi kunnen stelen.

Leefwijze

De luipaard is geen groepsdier, maar leeft solitair. Er zou te weinig voedsel zijn als luipaarden het zouden moeten delen. Ze zoeken elkaar enkel op in de paartijd. De luipaard heeft een vast territorium, dat hij tegen soortgenoten verdedigt. Dit wordt gemarkeerd met urine of uitwerpselen, net als bij veel andere diersoorten. Ook worden krabsporen op bomen achtergelaten. Mannetjes hebben vaak grotere territoria dan vrouwtjes. Territoria overlappen regelmatig met de territoria van dieren van een ander geslacht, dieren van hetzelfde geslacht mijden elkaar. Als er plaatsen zijn waar veel prooien zijn, zijn de territoria kleiner; de territoria zijn groter met minder wild. De luipaard verlaat zijn territorium regelmatig om te jagen.

Voortplanting

Als het vrouwtje paringsbereid is, heeft haar urine een speciale geur die mannetjesluipaarden aantrekkelijk vinden. Na de paring bemoeien de mannetjes zich verder niet met het vrouwtje of de jongen. De draagtijd is 90 tot 112 dagen. De jongen komen ter wereld op een goed verborgen schuilplaats, zoals een grot, dicht struikgewas of een ondergronds hol, waar ze de eerste zes weken verborgen blijven. De jongen wegen bij de geboorte 430 gram tot 530 gram en zijn dan nog hulpeloos en klein. De ogen gaan na een week open. Het nest kan uit maximaal zes jongen bestaan, maar meestal overleven er maar twee. De jongen worden drie maanden lang gezoogd en blijven ongeveer anderhalf tot twee jaar bij hun moeder. Daarna zijn ze geslachtsrijp en zelfstandig. Pas na drie of vier jaar zijn ze helemaal volgroeid. De luipaard kan tot twintig jaar oud worden.

Verspreiding en leefgebied

De leefplaatsen van luipaarden verschillen heel erg, van droge woestijnen tot dichte regenwouden en van koude naaldbossen tot tropische savannes. Er is zelfs op de berg Kilimanjaro, op 5638 meter hoogte, een dode luipaard gevonden. Het dier was doodgevroren. Het belangrijkste criterium voor een goede leefomgeving is de hoeveelheid voedsel. Ook voldoende schuilplaatsen, in de vorm van hoge begroeiing, bomen of rotsen, zijn belangrijk.

Luipaarden leven in Afrika (met uitzondering van de Sahara) en in het zuiden en oosten van Azië, zoals Arabië, Turkije, Iran, de voormalige Sovjet-Unie, Korea, China (o.a. Mantsjoerije), India, Sri Lanka, Maleisië, Java en Bali. De soort kwam tijdens het pleistoceen en holoceen ook voor in Zuid(oost)-Europa, mogelijk tot ongeveer het begin van de westerse jaartelling. Foto’s T.V.S – Bron Wikipedia

Citroenvlinders

_DSC7836

Mannetje

Gisteren Citroenvlinders tegengekomen een vrouwtje en een mannetje.

De citroenvlinder (Gonepteryx rhamni) is een dagvlinder uit de familie Pieridae, de witjes en luzernevlinders. Deze soort behoort tot de laatste groep en is een van de grootste soorten luzernevlinders.

Beschrijving

De spanwijdte is tot 55 millimeter, de mannetjes zijn meer geel, de vrouwtjes meer groen van kleur maar dit is in het veld niet altijd even eenvoudig te zien. Ze vallen zowel in vlucht als bij bezoek aan bloemen goed op. De vrouwtjes zijn ook veel bleker van kleur en worden soms verward met de witjes. Beide vlinders (mannetje-vrouwtje) zijn te herkennen aan een oranje stip op iedere vleugelpunt.

_TVS4409

Vrouwtje

De vlinder is uitstekend gecamoufleerd en het hele lichaam is hierop aangepast. De onregelmatige oranjebruine vlekjes lijken sprekend op de brandgaatjes in bladeren. De vleugeladering is lichter en duidelijk te zien en lijkt op de nerven van een blad. De donkere uiteinden van de adering op de vleugelrand lijkt op de bladrand en zelfs kleine stekeltjes worden nagebootst. De citroenvlinder heeft geen oogvlekken of andere schrikkleuren aan de boven (binnen)zijde van de vleugels, en vouwt deze in rust nooit open, zodat hij perfect lijkt op een blad.

Voorkomen

De citroenvlinder komt voor in grote delen van Noord-Afrika, delen van Azië en in grote delen van Europa, ook in Nederland en België. De vlinder is een zwervende soort die overal kan worden aangetroffen maar vlak voordat er gepaard moet worden zoeken de vlinders de waardplanten op. De enige twee soorten waarvan de rupsen kunnen leven zijn sporkehout en wegedoorn, die in en rond bossen en houtwallen groeien. Rond de paartijd kunnen de vlinders hier massaal worden aangetroffen.

Levenswijze

De citroenvlinder is een van de langstlevende soorten die als imago meer dan een jaar oud kan worden. De vliegtijd is van juli tot en met oktober en van februari tot en met mei. In de tussentijd wordt een winterslaap gehouden in holten in bomen of lage, groene struiken zodat de vlinder moeilijk te vinden en goed gecamoufleerd is. Ook als het imago rond juni uit zijn pop komt wordt al snel een soort zomerslaap gehouden. Hierdoor wordt het grootste deel van het relatief lange leven al rustend doorgebracht.

citroenje039

Mannetje

Ontwikkeling

De rups meet ongeveer vier centimeter, heeft een langgerekt groen lijf met een witte lengtestreep langs de gehele zijkant. De rups neemt de groene kleur van de voedselplant aan. Over het hele lichaam zit een niet dichte, zwarte beharing. De rupsen ontwikkelen zich zeer snel in drie tot vijf weken, ook de pop is groen van kleur en moeilijk te zien. Foto’s T.V.S Bron: wikipedia

Nieuwe Koning en Koningin van Nederland

_TVS4393

Vandaag 30 april 2013 was het een hele bijzondere Koninginnedag, een Troonswisseling, Koningin Beatrix trede af en Prins Willem Alexander is de nieuwe Koning Willem Alexander geworden. Het is 123 jaar geleden dat er in Nederland een Koning regeerden.

_TVS4373

Het Huis Oranje-Nassau komt voort uit het Huis Nassau, een familie uit Duitsland. Stamvader van het Huis Nassau was Walram van Laurenburg (ca. 1146-1198), de eerste graaf van Nassau. Zijn zoon Hendrik de Rijke van Nassau (ca. 1180-ca. 1250) was gehuwd met Machteld van Gelre en kreeg een aantal zonen, waarvan Walram (ca. 1220-ca. 1276) en Otto (vermoedelijk gestorven in 1289) de bezittingen van hun vader erfden en die later verdeelden. Het Huis van Oranje-Nassau stamt historisch gezien af van Otto, de Ottoonse linie van het Huis Nassau.

Het Huis Oranje-Nassau begon in 1544, toen Willem I, graaf van Nassau-Dillenburg (1533-1584), beter bekend als Willem van Oranje of Willem de Zwijger, het Zuid-Franse vorstendom Orange erfde van zijn Bredase neef René van Chalon (officieel René, graaf van Nassau en prins van Chalon-Oranje), de zoon van Willems oom Hendrik III van Nassau-Breda.

Bij het vorstendom hoorde ook de titel Prins van Oranje en de lijfspreuk van Chalon, Je maintiendrai Chalon. Na de dood van koning-stadhouder Willem III in 1702 zou tot 1732 zowel het Huis van Oranje-Nassau als het Huis Hohenzollern aanspraak op de titel maken. Volgens het Traktaat van Partage behielden beide huizen echter het recht op de titel Prins van Oranje. Doordat koning-stadhouder Willem III na zijn dood geen wettige opvolger had, stierf de Bredase tak van Willem van Oranje uit en ging het Huis van Oranje-Nassau verder in de zogenaamde Friese tak, de nazaten van Willems broer Jan VI van Nassau-Dillenburg. Sindsdien stammen de leden van het koningshuis niet meer in de mannelijke lijn van Willem van Oranje af (overigens nog wel via meerdere takken in de vrouwelijke lijn).

Het Huis Nassau

Met het overlijden van koning Willem III in 1890 stierf de Ottoonse linie van het Huis Nassau in mannelijke lijn uit. Het Nederlandse koningschap ging over op de vrouwelijke lijn via Wilhelmina, de dochter van koning Willem III en zijn tweede vrouw, Emma van Waldeck-Pyrmont. Luxemburg ging toen met groothertog Adolf van Luxemburg (1817-1905) over op de Walramse linie, dit omdat in Luxemburg vrouwelijke troonopvolging eind negentiende eeuw wettelijk nog niet mogelijk was (door de zogeheten Salische Wet).

_TVS4378

Prins van Oranje-Nassau

De titel Prins van Oranje-Nassau is door veel afstammelingen van Willem van Oranje gedragen, maar werd soms afgewisseld met Prins van Oranje en Nassau. Toen koningin Wilhelmina van Nederland in 1901 trouwde met Hendrik van Mecklenburg-Schwerin dreigde uit van Oranje-Nassau het element Nassau verloren te gaan. Dit werd voorkomen met een beroep op een verdrag dat de verschillende takken van het Huis Nassau in 1736 sloten.

Volgens de huidige Wet Lidmaatschap Koninklijk Huis dragen de koning, diens vermoedelijke opvolger en de koning die afstand heeft gedaan van het koningschap de titel Prins(es) van Oranje-Nassau. Andere leden van het Koninklijk Huis kunnen deze titel bij Koninklijk Besluit krijgen, althans alleen als persoonlijke, niet-erfelijke titel. Eveneens bij Koninklijk Besluit kan de persoonlijke titel Prins(es) van Oranje-Nassau worden toegekend aan voormalige leden van het Koninklijk Huis. Foto’s zijn van de NOS TV, Bron: Wikipedia

Jonge Huismussen

_TVS4333

Jonge huismussen geboren. Gisteren zagen we dat de mussen al Jonge huismussen aan het voeren waren, er wordt druk op en neer gevlogen door Pa en Ma met insecten, over 2 weken vliegen ze al weer uit, het gaat dus druk worden in de buurt met mussen waar nooit mussen hebben gewoond. ze gebruiken de vogelhuisjes waar de vorige jaren altijd koolmeesje hebben gebroed.

_TVS4353

Een mussenpaar bouwt gezamenlijk een nest, waarin het vrouwtje vier tot zeven eieren legt. Na ongeveer 12 dagen broeden komen de eieren uit. Als de kuikens uit het ei komen, zijn ze nog naakt (zie foto) en wegen niet meer dan 3 gram. Zodra er iemand in de buurt komt, sperren ze de nog relatief grote bek wijd open in de hoop voedsel te krijgen. Gedurende deze eerste dagen worden de kuikens door beide ouders met klein dierlijk voedsel gevoed, maar al snel wordt het dieet gevarieerder en plantaardiger. Na ongeveer twee weken vliegen de jongen uit. Ze blijven hierna nog enige tijd afhankelijk van de zorg van de ouders en worden nog regelmatig gevoed. Foto’s T.V.S bron: Wikipedia

Voorjaarsmestkever Bosmestkever

_TVS3894

De Voorjaarsmestkever ook wel Bosmestkever genoemd zie je geregeld op de heide rond lopen, deze kwam ik een paar dagen geleden tegen, ik wist niet dat ze konden vliegen.

_TVS3910

Voorjaarsmestkever Bosmestkever is de bekendste soort mestkever in Nederland en België, maar komt ook voor in grote delen van Europa en in Azië. Deze kever lijkt sterk op de gewone mestkever (Geotrupes spiniger), maar verschilt ervan door de gladdere dekschilden, deze hebben veel minder en ondiepere groeven op het achterlijf; het borststuk is bij beide soorten glad. Ook is het lichaam iets boller en de voorjaarsmestkever blijft kleiner, ongeveer 20 millimeter in plaats van 25 millimeter. De kleur is zwart, vaak iets metaalkleurig blauw tot violet of groenachtig. De poten zijn stevig en sterk behaard en worden gebruikt om mest te begraven onder de grond, de tasters zijn kort maar opvallend vanwege de sterk geveerde, soms oranje uiteinden.

_TVS3914

Levenswijze

De voorjaarsmestkever leeft op zanderige gronden zoals heidevelden en verstuivingen maar ook wel in bossen en langs bosranden en houdt van drogere mest; een verse vlaai wordt genegeerd. Zowel de kever als de larve leeft van mest van runderen of paarden, hoewel de vraatzuchtige larve veel meer eet. De eitjes worden ondergronds gelegd tussen een ingegraven voorraad mest als voedsel voor de larve. Deze soort graaft geen diepe tunnels zoals de gewone mestkever. De larven overwinteren om in het voorjaar te verpoppen; enkele weken later komt het imago uit de grond. De volwassen kever is van mei tot oktober te zien. Foto’s T.V.S  Bron: Wikipedia

Grote bonte specht

De Grote bonte specht blijft de mooiste vogel in de omgeving, deze keer niet in de tuin maar een vrouwtje in de bossen gefotografeerd.

_TVS4205

Veldkenmerken. 23 cm. Zwartwitte specht, veel kleiner dan Groene Specht. Smal wit voorhoofd, zwarte kap en zwarte baardstreep, die van snavelbasis doorloopt over oorstreek tot in nek. Mannetje heeft rode achterkop. Zwarte rug met grote witte schoudervlekken, vleugels zwart met veel witte vlekken, onderstaart rood, rest van onderdelen wit. Staart zwart met witte zijden. Juveniel heeft rode in plaats van zwarte kopkap (beide seksen). Golvende vlucht.

_TVS4212

Geluid. Roep luid, enkel ’kik’ of ’kiek’, bij verstoring herhaald. Trommelt vaker dan andere spechten op dood hout.

Voorkomen. Algemene standvogel.

Habitat. Loof- en naaldbos, open boslandschap, parken, etc.

Voedsel. Ongewervelden, maar eet ook zaden, met name in winter, en vruchten. Fourageert zelden op de grond.De Grote bonte specht blijft een van de mooiste vogel in onze buurt, deze in niet in onze tuin maar in het bos. foto’s T.V.S bron: soortenbank.nl

 

Torenvalk

_TVS4281

De Torenvalk vliegt elke dag boven de heide en te bidden voor een maaltijdje.

De rug van de torenvalk is roodbruin van kleur en bedekt met een donkere tekening. Het mannetje is van het vrouwtje te onderscheiden door de grijze kop en de grijze staart. Op de staart van het vrouwtje bevinden zich donkere dwarsbanden, maar de staart van beide geslachten is voorzien van een zwarte eindband.

_TVS4279

In de vlucht valt de torenvalk vooral op door de korte, spitse vleugels en de lange rechte staart. Ook hangt de vogel vaak biddend in de lucht, waarbij door een gespreide staart en het klapwieken van de vleugels dezelfde positie aangehouden wordt. Door stil in de lucht te hangen kan de vogel bewegingen op de grond gemakkelijker opsporen, waarna de prooi zoals muizen vanuit een stootduik gevangen wordt.

Het nest wordt vaak gebouwd op de restanten van een oud nest van bijvoorbeeld duiven of andere roofvogels. Tegenwoordig broedt de torenvalk ook op richels van gebouwen in steden. Foto’s T.V.S Bron:vogelvisie.nl

Groene zandloopkever

_TVS4239Deze Groene zandloopkever is een foto waard heel mooi van kleur, ik kwam hem tegen tijdens de vlinderroute.

De groene zandloopkever (Cicindela campestris) is een tot 15 millimeter lange kever uit de familie Loopkevers (Carabidae). Deze kever heeft prachtige kleuren; lichtgroene dekschilden met ver uit elkaar staande kleine witte tot gele vlekjes. De onderzijde, borststuk en poten zijn kopergroen, en over het hele lichaam is een parelmoerachtige glans aanwezig. De poten zijn dichtbehaard, de krachtige kaken zijn geel en de ogen opvallend groot en rond. Men krijgt bij levende exemplaren zelden de kans om de kleuren eens rustig te bekijken; bij koel weer blijft de kever in de schuilplaats, alleen bij zonnig weer komt hij tevoorschijn. Omdat het dan vaak erg warm is, is de groene zandloopkever razendsnel. Er wordt haastig over de grond gerend, en om de zoveel meter wordt een stukje gevlogen om nog sneller te zijn; het zijn erg goede vliegers met een uitstekend zichtvermogen.

_TVS4240Onderscheid
Deze soort lijkt sterk op de strandzandloopkever (Cicindela maritima) en de basterdzandloopkever (Cicindela hybrida), maar deze laatste twee soorten hebben vaak donkerdere kleuren en een wat dwarsgestreept vlekkenpatroon. De groene zandloopkever heeft vaak twee kleine witgele vlekjes aan weerszijden van het achterlijf. Ook houdt de groene zandloopkever van wat meer begroeiing op de bodem, de andere soorten van wat kalere zandvlakten.

Levenswijze
Paring.
De habitat bestaat uit zanderige omgevingen zoals heide, duinen, bosranden en verstuivingen, altijd in open terreinen waar niet veel bomen staan, of ver uit elkaar. Het menu bestaat uit allerlei geleedpotigen, zowel insecten als tweevleugeligen, mieren en zelfs op spinnen wordt gejaagd; de prooi wordt aan stukjes geknipt en opgezogen nadat er verteringsappen aan zijn toegevoegd. De kever is te zien van april tot september. Ook de larve leeft van prooien die vanuit een tunneltje gegrepen worden met de kaken, in het tunneltje wordt ook een keer overwinterd. De eitjes worden rond mei afgezet en de kever leeft een larvestadium van anderhalf jaar. In de herfst van het tweede jaar vindt verpopping plaats en pas het volgende jaar, na de tweede overwintering, verschijnt de nieuwe kever. Foto’s T.V.S Bron: Wikipedia

Amerikaanse Zeearend

_TVS3726De Amerikaanse Zeearend steelt altijd de show bij de Roofvogel show in het Safaripark de Beekse Bergen, de Amerikaanse Zeearend is een van de mooiste Arend soorten.

De Amerikaanse zeearend of witkopzeearend (Haliaeetus leucocephalus) is een roofvogel die in Canada en in de Verenigde Staten broedt. Aan het eind van de twintigste eeuw stond de vogel op het punt van uitsterven, maar de populatie is tegenwoordig tot een stabiel niveau hersteld.

_TVS3738 copyDe vogel heeft in tegenstelling tot de Afrikaanse zeearend een snavel die helemaal geel is. De jonge vogel is geheel bruin.
Volwassen vrouwtjes hebben een spanwijdte van ongeveer 2 meter, tot zelfs 244 cm. De mannetjes zijn ongeveer 25% kleiner dan de vrouwtjes.

Voortplanting
De Amerikaanse zeearend is geslachtsrijp als hij 4 of 5 jaar oud is. Een paar zeearenden produceert één tot drie eieren per jaar, maar slechts zelden vliegen ook drie jonge vogels uit. Daarom wordt het derde jong soms uit het nest verwijderd om elders uitgezet te worden.
De arenden keren als ze oud genoeg zijn vaak terug naar het gebied waar ze zijn opgegroeid. Het zijn socialere vogels dan vele andere roofvogelsoorten. Een volwassen arend zal daarom eerder een plaats uitzoeken voor een nest waar ook andere, onvolwassen, arenden wonen.

_TVS3737 copyLeefwijze
Het menu van de zeearend is gevarieerd. Hij eet vis, kleinere vogels, knaagdieren. Soms steelt hij eten van campings of picknickplaatsen. Wanneer in Alaska de Amerikaanse zalmen de rivieren optrekken om kuit te schieten, verzamelen zich tientallen arenden ter plaatse om deze vis te verschalken.

Verspreiding
Hij komt voor bij Amerikaanse kusten, rivieren en meren en heeft een opvallende witte kop (vandaar de Engelse naam Bald eagle). De vogel is eenmaal in Ierland gesignaleerd.

Nationaal symbool
De Amerikaanse zeearend is Amerika’s nationale vogel en staat afgebeeld op het grootzegel van de Verenigde Staten. Foto’s T.V.S Bron: vogelvisie.nl

 

Groenlingen

_TVS3803Groenlingen zijn al weer een paar dagen weer in de buurt, de Groenlingen zijn nu mooi op kleur en heb alleen het mannetje goed kunnen fotograferen want ze zijn erg schuw.

De bouw van de Groenling is nagenoeg gelijk aan die van de vink, maar door het groene verenkleed van met name met het mannetje is de groenling onmiskenbaar. In de winter bevinden zich nog bruine randjes aan de veren, zodat het groene verenkleed ’s winters minder opvallend is. Gedurende de winter slijten de randjes van de veren, zodat in het voorjaar het zomerkleed weer zichtbaar wordt. De groenling is behalve aan de kleur ook goed te herkennen aan de typerende zang, die regelmatig in een zangvlucht voorgedragen wordt. Door de groengele vleugelranden en de gele staartzijden is de vogel ook in de vlucht goed te herkennen.

_TVS3804In de winter trekt een deel van de populatie weg, maar tegelijk overwinteren vogels uit het noorden in Nederland, zodat het aantal vogels min of meer constant blijft.Foto’s T.V.S. Bron: Vogelvisie.nl