Gekraagde Roodstaart

_TVS5129
Gekraagde Roodstaart gaat binnenkort vertrekken naar Afrika, in het voorjaar komen ze weer terug om te broeden, meestal naar dezelfde omgeving.

De gekraagde roodstaart is een vogelsoort van oude, parkachtige bossen. Deze vogelsoort is vooral te vinden op de zandgronden. Open plekken, oude bomen, graslanden of heiden moeten elkaar afwisselen. Gekraagde roodstaarten zijn holenbroeders, welke ook wel van nestkasten gebruik maken. De aanwezigheid van een gekraagde roodstaart blijft vaak onopgemerkt: het is nogal een schuwe en onopvallende vogelsoort die vaak pas opvalt wanneer het mannetje uitbundig zit te zingen. De gekraagde roodstaart is tegenwoordig niet meer zo algemeen als enkele decennia geleden.

_TVS9416

Algemeen
Overige namen Common Redstart , Phoenicurus phoenicurus OrdePasseriformesFamilieLijsters (Turdidae)StatusZomervogel. Talrijke broedvogel; doortrekker in groot aantalEuropese verspreidingDe gekraagde roodstaart komt voor in de boreale tot warme gematigde delen van Europa tot in Oost-Siberië, tussen de 10 en 24 graden Celsius Juli-isotherm. De verspreiding over de verschillende Europese landen is sterk, maar Finland, Frankrijk en Duitsland huisvesten de grootste aantallen gekraagde roodstaarten.

Leefomgeving en voedsel
Biotoop Boomgaarden, bos, duinen, heide, park en tuin Voedsel- en broedbiotoopGevarieerde, oude gemengde bossen met open plekken (heidevelden, schraalgraslanden of andere open gebieden) met een ruim aanbod van spechtengaten in de bomen. VoedselInsecten en rupsenNaar boven

_TVS5130

Broeden
Koloniebroeder: Nee Aantal legsels 1 of 2 Aantal eieren 5-7

Vogeltrek
Trekroute Gekraagde roodstaarten trekken via Frankrijk en het Iberisch Schiereiland naar Marokko, en dan verder naar tropisch Afrika.

Overwinteringsgebied
Afrika, ten zuiden van de Sahara.

Bron: vogelbescherming .nl  Foto’s T.V.S Fotografie

Spoorzone 013 Tilburg

_TVS6358
Spoorzone 013 Tilburg, Bij de oude NS werkplaats in Tilburg zijn deze foto’s gemaakt. de gebouwen krijgen allemaal een nieuwe functie. met name ook de Wagenmakerij.

_TVS6425

De Wagenmakerij ligt in de Spoorzone, een ontwikkelgebied naast het spoor van 75 hectare groot, uitgestrekt over 3 kilometer. Hier ligt voor Tilburg dé kans om de binnenstad te verrijken en de economische betekenis van de stad te vergroten. Door een broedplaats voor kennis en innovatie te creëren met onderwijs, ondernemers en particulieren. En dat te combineren met ruimte voor wonen, werken en uitgaan.
In het hart van de Spoorzone vind je de oude NS werkplaats waar generaties Tilburgers aan locomotieven en treinen sleutelden. Tussen dit industrieel erfgoed en nieuwe architectuur krijgen evenementen, ondernemerschap en vernieuwing de ruimte. Behalve de Wagenmakerij biedt de Spoorzone nog meer sfeervolle ruimte voor evenementen en bijeenkomsten. De naastgelegen Koepelhal, de Hall of Fame, de Smederij en Deprez hebben ieder een eigen karakter en mogelijkheden.

_TVS6361

Bron:spoorzone 013 foto’s T.V.S.Fotografie

Huis ter Heide

 

TVS_3628

Huis ter Heide is een prachtig natuurgebied die van alles te bieden heeft voor een natuurliefhebber. het is in beheer van Natuurmonumenten, we gaan er zeker hier nog meer wandelingen maken.

TVS_3635

Door het afwisselende landschap komen er allerlei soorten vogels voor in natuurgebied Huis ter Heide. Op en rond de vennen kun je verschillende ganzen tegenkomen en met wat geluk zie je er lepelaars! Kleurrijke vogels op het landgoed zijn de groene specht, blauwborst en de ijsvogel. En vanuit de bomen speuren buizerds en sperwers naar hun prooi in het bos en op de akkers.

TVS_3653

Zoogdieren
Zeker rond de schemering ’s ochtends en ’s avonds heb je grote kans om reeën te zien in de velden. Andere zoogdieren in het gebied zijn de vos, das, het konijn en de Schotse hooglander. De hooglanders grazen in twee kuddes verspreid over het landgoed.

TVS_3665

Reptielen en Amfibieën
Vrijwilligers kijken met regelmaat welke dieren en planten in onze gebieden voorkomen. Zo ook in de Loonse en Drunense Duinen en Huis ter Heide. Mark Klerks deed in 2010 een aantal interessante waarnemingen. Zo is in het gebied o.a. een in ons land zeldzame melanistische hagedis waargenomen en leeft bij de vennen de bijzondere heikikker, waarvan het mannetje rond paartijd blauw kleurt!

 

TVS_3646

Planten op Huis ter Heide
Een bijzondere beschermde plant die bij meerdere vennen groeit in het gebied is de zonnedauw. Dit is een vleesetende plant! De plant kan op heel voedselarme bodem groeien, maar moet wel ergens zijn voedingsstoffen vandaan halen: die haalt hij dus uit insecten die hij vangt. De druppels op het plantje lijken waterdruppels, maar dit is een kleverige stof waar de kleine insecten aan blijven hangen. Een mooie beschermde bloem die hier in de natuur groeit is klokjesgentiaan. De bloemen lijken op de bel van een klok. Bovendien is klokjesgentiaan de waardplant voor de zeldzame vlinder het gentiaanblauwtje. Deze vlinder kan niet zonder deze bloem, waarop deze fladderaard de eitjes legt.

Bron: www.natuurmonumenten.nl   Foto’s T.V.S. Fotografie

 

Oude bank met paddestoelen

TVS_3912

Oude bank met paddestoelen

In de bossen achter de stoeterij van Dongewijk kun je de Amarant-wandelroute lopen.

TVS_3928

Daar staan nog zeer oude banken in het bos, we zijn een bank tegengekomen waar paddestoelen en boompjes op groeien.

TVS_3910

Het is een wandelroute van De 6 van Tilburg.

Foto’s: T.V.S.Fotografie

Amethist Paddestoelen

Amethist

In het Amarant bos veel Amethist Paddestoelen ook wel Rodekolen Zwammen genoemd tegengekomen, heel veel verschillende modellen.

amethist.2

Kenmerken
Omdat het vruchtlichaam een kleurenpalet heeft dat vergelijkbaar is met de rode kool (lila tot violet), wordt de amethistzwam ook wel rodekoolzwam genoemd. De hoed van een volwassen exemplaar heeft normaal een diameter tussen 1 en 4 cm alhoewel er ook specimen zijn met hoeden tot maximaal 6 cm diameter. De hoogte kan 10 cm worden. De sporen van de amethistzwam zijn 7-10 µm groot, maar hebben uitsteeksels tot twee µm lang.

amethist.1

Leefomgeving
De amethistzwam is een fopzwam die terug te vinden is in bossen en lanen op diverse grondsoorten. Vaak wordt hij teruggevonden onder beuk en eik, soms ook in naaldbossen.

Amethist.3

Verspreiding
De amethistzwam is een algemeen voorkomende fopzwam, die in de zomer tot herfst aangetroffen kan worden.

Bron: Wikipedia  Foto’s: T.V.S.Fotografie

Rups Sint jacobsvlinder

_TVS0048Rups Sint jacobsvlinder deze rupsen zijn ongeveer midden in de zomer te vinden op St. Jacobskruid. deze rupsen en vlinder kwam ik tegen tijdens het lopen van mijn vlinderroute.

De sint-jacobsvlinder (Tyria jacobaeae) is een dagactieve nachtvlinder uit de familie van de spinneruilen (Erebidae), onderfamilie beervlinders (Arctiinae).

De vlinder komt niet alleen in Nederland, België en de rest van Europa voor, maar ook in West- en Centraal-Azië en is ingevoerd in Nieuw-Zeeland, Australië en Noord-Amerika om daar jakobskruiskruid te bestrijden.

059

De sint-jacobsvlinder heeft als leefgebied zandgrond, waar zijn waardplanten, het jakobskruiskruid en enkele andere kruiskruidsoorten voorkomen.

De lengte van de vleugel is 16-21 millimeter.

De vliegtijd is van april tot en met begin augustus.

002

Rups,
De rups van deze vlinder heet de zebrarups. Deze naam is afkomstig van de typische strepen op het lijf.
De giftige bestanddelen van het jakobskruiskruid maken de rups oneetbaar, die daardoor beschermd wordt. De rups raakt het gif dat hij met zijn maaltijden van het jakobskruiskruid binnenkrijgt niet kwijt, in tegendeel het wordt geconcentreerd en doorgegeven aan de vlinder die daardoor eveneens oneetbaar wordt. Dit zie je wel vaker bij felgekleurde insecten.

Bron: wikipedia Foto’s: T.V.S. Fotografie

Grote bonte specht

TVS_3552Grote bonte specht komt weer elke dag even langs voor de pinda’s, meestal in de vroege ochtenduren.

De grote bonte specht is de drummer van het bos; zowel mannetje als vrouwtje roffelen op takken om territorium en paarband te versterken. Grote bonte spechten hakken een nestholte uit in bomen, waarbij de voorkeur, begrijpelijk, uitgaat naar zachte houtsoorten. Berken zijn favoriet, maar andere boomsoorten worden ook gebruikt om een holte met rond gat in uit te hakken. Een specht krijgt daarbij geen hoofdpijn doordat de hersenen in een soort schokdempers zijn ingekleed. In de nestholte worden de eieren gewoon op het hout gelegd; de grote bonte specht maakt geen comfortabel nest voor de jongen.

 

TVS_3519

De grote bonte specht komt overal in Europa voor waar bossen zijn: van de noordelijke naaldbossen, de taiga, tot in de lommerrijke mediterrane bossen. Het verspreidingsgebied rijkt zelfs van in het Atlasgebergte in Marokko, Iran tot in Mongolië. In het ruime verspreidingsgebied worden maar liefst 27 ondersoorten gevonden.

Loof- en gemengde bossen met een diverse opbouw (jonge en oude bomen, dicht en open bos) is favoriet. Het nest wordt uitgehakt in een wat zachtere boomsoort, vanaf enkele meters hoogte aan te treffen. En begint midden april met broeden, Met een legsel per jaar 4-7, soms 3-8 eieren, Grote bonte spechten zijn het gehele jaar in de omgeving van hun broedgebied aanwezig, hoewel ze in de winter wel een ruimer gebied gebruiken op zoek naar voedsel. Bij die omzwervingen komen deze spechten ook regelmatig in (stads)tuinen terecht.

Bron: Vogelbescherming.nl   foto’s T.V.S. Fotografie

Natuurgebied de Gaas

Afbeelding-024

Op dit moment staat er bijna geen water meer in het vennetje van de Gaas.

Natuurgebied de Gaas. De bossen aan de Bredaseweg was vroeger helemaal omringt met gaas, daarom werd het door de bevolking ook wel De Gaas genoemd.

Wellicht is het voor sommigen ook interessant te weten, dat de naam “Oude Draaiboom” van de kaart van 1890 al rond 1450, dus ook nog in de Middeleeuwen, als “Oude Dreyboom” staat aangegeven. Het betreft het huidige complex bos- en weideland, recht tegenover het landgoed Dongewijk, ten noorden van de Bredaseweg en verder begrensd door de Donge (met Koolhoven) in het westen, de spoorlijn Tilburg-Breda in het noorden en de Reeshofweg ten oosten. In de huidige bossen staat een nieuwgebouwde villa van P. Bogaers. Zij draagt de naam “De oude Draaiboom” en kijkt daarmee dus terug tot in de Middeleeuwen.

Afbeelding-mooi

Het bruggetje in de Gaas van een aantal jaren geleden

Tilburg aantreft aan weerskanten van de Bredaseweg, waar eens de “fine fleur” van Tilburg haar zomerverblijven bouwde. Het was en is daar een bosrijke streek, gezegend met natuurschoon, dat echter door de wandelaar alleen van de “buitenkant” kon bekeken en genoten worden. Als particulier bezit waren die landgoederen voor hem taboe. Maar de tijden zijn veranderd. Overal werden landgoederen voor het publiek opengesteld. O.a. is dit hier het geval met Dongewijk en met nog enige andere “feodale” bezittingen, welke in handen van de gemeente Tilburg zijn gekomen en thans met de verzamelnaam van “gemeentebossen” plegen aangeduid te worden. Algemeen bekend lijkt ons dit alles niet, hoewel ze op slechts korte afstand van de stad verwijderd liggen. Waarom zou de natuurliefhebber en de ontspanning verlangende mens ver gaan zoeken wat hij in de buurt, zonder enige moeite, en zelfs zonder over een auto te beschikken, ook vinden kan! Dat dachten wij zo toen we hier op zekere dag ronddoolden en daar het fascinerende ondergingen, dat er ligt in het vrij wandelen in bossen, waar in het verleden een jongensoog zo lang begerig naar heeft gekeken.

TVS_3478

Dit is alles van wat er nu nog over is van het bruggetje in de Gaas

Bron: Pierre van Beek – Heemkunde-artikelen,  foto’s T.V.S.Fotografie

Citroenvlinder

TVS_2781
Citroenvlinder is nog volop actief bezig in de tuin, die is er een van de nieuwe generatie.

Voorvleugellengte: 27-30 mm. Deze citroengele vlinder heeft aan de voorvleugel een puntige vleugelpunt; aan de achtervleugel bevindt zich halverwege de achterrand een duidelijk puntje.
Het vrouwtje is bleekgeel of soms bijna wit. De onderkant van de vleugels is groenachtig van kleur.

Voorkomen
Een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt.

Habitat
Vooral zonnige plaatsen in open bos en langs bosranden, struwelen op braakliggende percelen en houtwallen in landbouwgebieden; ook parken en tuinen.
TVS_2782
Waardplanten
Sporkehout en wegedoorn; vooral jonge struiken op open zonnige plaatsen.

Vliegtijd en gedrag
Eind juni-begin oktober en na de overwintering van begin februari-begin juni in twee generaties.

Levenscyclus
Rups: half april-eind juni. De rups rust langs de middennerf van een blad en is daardoor moeilijk te vinden. De soort overwintert als vlinder in struikgewas of dichte graspollen.

Bron:vlindernet.nl Foto’s T.V.S.Fotografie

Hoornaar

TVS_2821

De Hoornaar is de grootste wesp van Europa, ze was al een paar dagen in de buurt van het appeltje en er mocht geen ander insect in de buurt komen.

Grootste inheemse wesp met zwart en rood gekleurd mesosoma (thorax) en een zwart, rood en geel getekend metasoma (achterlijf). ‘Slapen’ (achter de ogen) zeer breed, vaak meer rood dan geel gekleurd.

Voorkomen
Vooral in lichte bossen en tuinen. In Nederland en België verspreid over het hele land, maar in de kuststreek en het noorden zeldzaam.

Levenswijze
De nesten van hoornaars blijven maar een zomerhalfjaar bestaan. De stichting van het nest voltrekt zich op dezelfde wijze als bij de andere sociale wespen. De koningin die overwintert zoekt in het voorjaar een geschikte plaats uit voor een nieuw nest. Vaak kiest de koningin voor een holle boom, of een lege vogelnestkast, ruimten onder daken of in schuren. Zelden bouwt de hoornaar zijn nest ondergronds. Jonge nesten lijken in hun aanvangsfase gevoelig te zijn voor ongunstige weersomstandigheden, zodat bij perioden van slecht weer weinig nesten tot ontwikkeling komen. Als bouwmateriaal wordt evenals bij de gewone wesp (Vespula vulgaris) vooral vergaand hout gebruikt, dat vermengd wordt met speeksel en tot papier wordt verwerkt. De kleur van het nest is veelal geelbruin tot roodbruin. Typerend voor de buitenkant van het nest zijn de schelpvormig aangezette omhulselstukken. Binnen in het nest hangen de 6-kantige broedcellen, waarin zich de larven ontwikkelen die met de kop naar beneden hangen. De ingang van het nest ligt aan de onderzijde en blijft steeds open. Hierdoor vallen ook de uitwerpselen van de dieren naar beneden, waardoor zich een latrine onder het nest vormt. Eind september heeft het nest de maximale grootte bereikt van 30-40 cm, soms meer dan een halve meter in doorsnede en tot 60 cm hoogte. Als een deel van de mantel van het nest is verwijderd zijn er 10 raten te tellen. Toch telt de kolonie zelden meer dan 1000 individuen. Als voedsel worden allerlei insecten gevangen die tot balletjes ‘vlees’ worden gekauwd en aan de larven gevoerd. Hoornaars knagen ook aan bomen (vooral berken) om zoete sapstromen te maken. De sapstromen worden weken lang open gehouden en verdedigd tegen andere snoepende dieren. In de loop van oktober of vroeg in november valt het nest uiteen. Alleen de nieuwe generatie koninginnen overwintert. Hoornaars hebben sterk te lijden van vooroordelen als zouden het bijzonder gevaarlijke dieren zijn. Echter een steek is niet gevaarlijker dan die van bijen of andere wespen, alleen onder bepaalde omstandigheden hoogstens iets pijnlijker. Hoornaars zijn ook niet erg agressief en vallen de mens niet lastig op terrasjes of in de tuin bij de koffietafel.

Bron: www.soortenbank.nl foto: T.V.S.Fotografie

Bruinrode Heidelibel

TVS_2968

Vrouwtje

De Bruinrode Heidelibel vliegt nog vol op met dit warme weer, je ziet ze in het fauna gebied in de Reeshof (Witbrant oost) vliegen.

Bruinrode Heidelibel is 35-44 mm groot. Heidelibel met weinig opvallende kenmerken. Poten zwart met gele strepen. Dijen van de voorste poten meestal driekleurig: zwart-geel-zwart. Het zwarte streepje op het voorhoofd (tussen de ogen) stopt bij de oogranden en loopt niet of nauwelijks langs de oogranden naar beneden (de zogenaamde ‘hangsnor’ ontbreekt). Vaak is langs de oogranden wel een donker veegje aanwezig. Mannetje: achterlijf lang en slank, zonder knotsvormige verbreding aan het uiteinde. Uitgekleurde mannetjes krijgen een rood achterlijf, dat meestal minder diep rood is dan bij bloedrode en steenrode heidelibel. In zijaanzicht zijn meestal wat zwarte vlekjes op het achterlijf aanwezig. De zijkant van het borststuk verkleurt van geel naar grijsbruin, maar twee vlakjes blijven opvallend geel. Jonge mannetjes lijken qua kleur op vrouwtjes. Vrouwtje: achterlijf geel, later verkleurend tot bruin of roodbruin. Aan de zijkant van het achterlijf staan zwarte streepjes, die geen doorlopende streep vormen. Legschede in zijaanzicht niet haaks maar schuin van het achterlijf afstaand: niet opvallend, maar wel zichtbaar.

Gelijkende soorten
Andere heidelibellen, vooral steenrode heidelibel en zuidelijke heidelibel.

TVS_2975

Mannetje

Voorkomen
Zeer algemeen. Komt in minder kilometerhokken voor dan de steenrode heidelibel, maar dit verschil wordt steeds kleiner.

Habitat
De bruinrode heidelibel is een pioniersoort die zijn optimum vindt in ondiepe poelen die ’s zomers geheel of gedeeltelijk uitdrogen en weinig vegetatie hebben. De soort komt echter ook voor in allerlei andere stilstaande en zwak stromende wateren.

Vliegtijd en gedrag
Nazomersoort: eind mei tot eind november, met een piek van eind juli tot eind september. Er zijn sporadische waarnemingen bekend van bruinrode heidelibellen in het (zeer) vroege voorjaar, wat erop wijst dat de soort bij hoge uitzondering als imago kan overwinteren. Bruinrode heidelibellen vertonen ongeveer hetzelfde gedrag als de meeste andere heidelibellen. Jonge dieren zijn in de wijde omtrek van het voortplantingswater aan te treffen, zittend en jagend in ruige vegetatie. Geslachtsrijpe mannetjes vliegen bij het water en gaan regelmatig zitten op uitstekende stengels in de oevervegetatie. Ze speuren naar vrouwtjes voor de paring. Mannetjes die dichtbij komen worden meestal verjaagd. De eitjes worden vliegend in tandempositie afgezet, in het water.

TVS_2978

Mannetje

Levenscyclus
De bruinrode heidelibel heeft een eenjarige levenscyclus en overwintert als ei. De eieren komen in het voorjaar uit, waarna de larven zich snel ontwikkelen. Uitsluipen vindt plaats vanaf eind mei tot eind september, met een piek van eind juli tot begin september. Bij hoge uitzondering kunnen bruinrode heidelibellen als imago overwinteren en in het vroege voorjaar weer actief worden.
Bron: www.libellennet.nl  Foto’s T.V.S. Fotografie

Bruine winterjuffer

winterjuffer.1000
Bruine winterjuffer vlieg over de heide in de gaas, je moet goed kijken en wachten tot hij vliegt om te zien waar hij gaat zitten.

34-39 mm. Lichtbruin lichaam, met donkere bronskleurige tekening op achterlijfsrug en borststuk (bij jonge dieren met groene glans). De donkere figuurtjes op het achterlijf zijn torpedovormig. In het voorjaar vaak veel donkerder gekleurd, hierdoor effen donkerbruin lijkend. De ogen hebben dan vaak blauwe berijping. Pterostigma’s lang en bruin en in de voorvleugels dichter bij de top geplaatst dan in de achtervleugels. In rust worden de vleugels alle vier aan één kant van het lichaam samengehouden. De donkere strepen op de borststukrug hebben een rechte onderkant. De donkere streep op de zijkant van het borststuk (onder de schoudernaad) is relatief breed.Vrij algemeen

Habitat
Vennen, duinplassen, overige plassen en poelen met goed ontwikkelde verlandingsvegetatie. Sporadisch ook in laagveen. Overwinteringshabitat: beschutte plaatsen in heide en halfopen bossen.

TVS_2713.1000

 

Vliegtijd en gedrag
De voorjaarsgeneratie (die zich voortplant) is vooral actief van begin april tot eind juni, met een piek in eind april/begin mei. Op zonnige dagen kunnen actieve imago’s echter nog vroeger in het voorjaar worden waargenomen, of zelfs in de winter. De najaarsgeneratie vliegt van begin juli tot eind oktober, met een piek in augustus en september. Beide generaties overlappen elkaar in eind juni/begin juli.
Imago’s rusten vaak op houtige of verdorde plantenstengels en drukken zich hier in de lengterichting tegenaan. Hierdoor vallen ze nauwelijks op, totdat ze een stukje verder vliegen. De voorjaarsgeneratie plant zich voort en is dan ook hoofdzakelijk aan de waterkant aan te treffen. Eieren worden in tandem afgezet, meestal in drijvend plantenmateriaal. Vaak zijn dit dode stengels en bladeren van riet, lisdodde of snavelzegge. De najaarsgeneratie heeft na het uitsluipen geen binding meer met het water en kan ver van de voortplantingshabitat worden aangetroffen. Imago’s zijn dan meestal jagend of rustend aan te treffen op beschutte plaatsen, bijvoorbeeld in bosranden. Voor de overwintering zoeken ze beschutte plekjes op in bijvoorbeeld heidestruiken, pijpenstrootjepollen of onder boomschors.

Levenscyclus
Samen met noordse winterjuffer de enige Europese libel die als imago overwintert. De imago’s kunnen daardoor uitzonderlijk oud worden, tot wel tien maanden. In het vroege voorjaar vindt de voortplanting plaats en worden de eitjes afgezet. Vervolgens ontwikkelen de larven zich binnen drie maanden tot imago’s, die in de nazomer verschijnen. Wanneer het kouder wordt begint de overwintering.

Bron: Libellennet.nl  foto’s: T.V.S. Fotografie

Luipaard

TVS_1511

Deze Luipaard woont in het Safaripark Beekse Bergen samen met een vrouwtje of mannetje.

De twee namen zijn voornamelijk geografisch gebonden: “luipaard” wordt in de regel gebruikt voor dieren uit Afrika, “panter” voor Aziatische dieren. Dit is echter geen strikte regel en regelmatig worden de namen door elkaar gebruikt.

Beschrijving
De luipaard is een grote, gespierde katachtige met korte, krachtige poten en een lange staart. De kop is breed en een beetje rond van vorm met kleine, ronde oren. De snuit is middelgroot, met krachtige kaken en lange snorharen.

De vacht van een luipaard is bedekt met veel zwarte vlekken. Op het lichaam en de bovenste helft van de poten zijn deze vaak gegroepeerd met bruine vlekken in rozetten. Ook zijn er geheel zwarte, niet gegroepeerde vlekken, voornamelijk op de buik, kop en de onderpoten, maar ook op het lichaam. Ook de staart is gevlekt, van het begin tot het midden, maar aan het einde meer geringd. De grondkleur van de meeste dieren is zandgeel of lichtbruin, maar de kleur kan zeer variëren, van bijna wit tot geheel zwart bij de bekende zwarte panters , die vooral in Indonesië en in de Afrikaanse hooglanden leven. De buik, keel en kin zijn wittig. De kleur en vachtlengte hangen af van de plaats waar ze leven, maar toch kunnen zwarte en gele luipaardjongen van dezelfde moeder zijn. De vachttekening biedt het dier camouflage, zodat het gemakkelijk onopgemerkt kan blijven. De oren zijn zwart aan de achterzijde met een opvallende witte tekening in het midden.

Mannelijke luipaarden kunnen een kop-romplengte van 130 tot 190 centimeter meter lang bereiken. De staart is nog 60 tot 110 centimeter lang. Luipaarden worden 28 kilo tot 90 kilogram zwaar. De schouderhoogte van een luipaard is ongeveer 50 cm tot 60 cm. Vrouwtjes zijn kleiner dan mannetjes. Vrouwtjes hebben een kop-romplengte van 104 tot 140 centimeter en een lichaamsgewicht van 28 tot 60 kilogram (gemiddeld 50 kilogram), mannetjes een kop-romplengte van 130 tot 190 centimeter en een gewicht van 35 tot 90 kilogram (gemiddeld 60 kilogram).

TVS_1502

Zintuigen
De ogen van katachtigen werken goed overdag maar ook indien er weinig licht aanwezig is. Hierdoor kunnen ze ook ’s nachts jagen. De pupillen zijn ellipsvormig.

Het reukvermogen van een luipaard is heel goed, zelfs beter dan bij de tijger.

Het gehoor is heel sterk: een luipaard kan heel hoge frequenties horen tot 100 kHz, ook als ze heel zacht zijn. De snorharen van een luipaard spelen ook een belangrijke rol. Ze veranderen van stand, afhankelijk van dingen die hij doet. Als hij loopt, staan ze zijdelings uitgespreid, bij het snuffelen staan ze langs de kop naar achteren en bij het aanvallen van een prooi staan ze naar voren gericht, waardoor hij op de goede plek kan toebijten.

Voedsel
De luipaard is ’s nachts of in de schemering actief. Hij jaagt meestal ’s avonds of ’s nachts. Hij jaagt zelden overdag, omdat hij dan te veel opvalt. Overdag rust het dier meestal tussen struikgewas of in een boom.

De luipaard jaagt voornamelijk op middelgrote zoogdieren als antilopen, herten, knobbelzwijnen en andere varkens, geiten en bavianen, en op kleinere dieren zoals hazen, apen, klipdassen, knaagdieren (waaronder stekelvarkens), vogels, slangen, vissen en insecten, evenals struisvogels, jakhalzen en honden. Sommige luipaarden specialiseren zich in een bepaalde diersoort.

Als de luipaard een prooi denkt te hebben gevonden, bespringt hij de prooi als die op zijn schuilplaats zit. Hij besluipt eerst behendig en rustig de prooi; soms ligt het dier doodstil in een hinderlaag klaar om te springen, bijvoorbeeld in een boom. Afrikaanse luipaarden nemen hun prooi mee een boom in, waar ze die opeten. In een boom zijn ze meestal veilig voor andere roofdieren, als leeuwen en gevlekte hyena’s, die zijn prooi kunnen stelen.

TVS_1513

Leefwijze
Een goed verstopte luipaard in een natuurpark in Namibië.
De luipaard is geen groepsdier, maar leeft solitair. Er zou te weinig voedsel zijn als luipaarden het zouden moeten delen. Ze zoeken elkaar enkel op in de paartijd. De luipaard heeft een vast territorium, dat hij tegen soortgenoten verdedigt. Dit wordt gemarkeerd met urine of uitwerpselen, net als bij veel andere diersoorten. Ook worden krabsporen op bomen achtergelaten. Mannetjes hebben vaak grotere territoria dan vrouwtjes. Territoria overlappen regelmatig met de territoria van dieren van een ander geslacht, dieren van hetzelfde geslacht mijden elkaar. Als er plaatsen zijn waar veel prooien zijn, zijn de territoria kleiner; de territoria zijn groter met minder wild.

Voortplanting
Als het vrouwtje paringsbereid is, heeft haar urine een speciale geur die mannetjesluipaarden aantrekkelijk vinden. Na de paring bemoeien de mannetjes zich verder niet met het vrouwtje of de jongen. De draagtijd is 90 tot 112 dagen. De jongen komen ter wereld op een goed verborgen schuilplaats, zoals een grot, dicht struikgewas of een ondergronds hol, waar ze de eerste zes weken verborgen blijven. De jongen wegen bij de geboorte 430 gram tot 530 gram en zijn dan nog hulpeloos en klein. De ogen gaan na een week open. Het nest kan uit maximaal zes jongen bestaan, maar meestal overleven er maar twee. De jongen worden drie maanden lang gezoogd en blijven ongeveer anderhalf tot twee jaar bij hun moeder. Daarna zijn ze geslachtsrijp en zelfstandig. Pas na drie of vier jaar zijn ze helemaal volgroeid. De luipaard kan tot twintig jaar oud worden.

Bron: Wikipedia  Foto’s: T.V.S. Fotografie

Mantelbavianen

baviaantje
Een schattige jong mantelbaviaantje zat alleen te eten in dierenpark Emmen, vader en moeder hielde het jonkie wel in de gaten.

De mantelbaviaan (Papio hamadryas) is een aap uit het geslacht der bavianen (Papio). De mantelbaviaan werd door de Oude Egyptenaren als een heilig dier beschouwd.

Mannetjes worden 70 tot 95 centimeter lang, met een schouderhoogte van 50 tot 65 centimeter en een lichaamsgewicht van 15 tot 20 kilogram. Vrouwtjes worden 50 tot 65 centimeter lang, met een schouderhoogte van 40 tot 50 centimeter en een lichaamsgewicht van 10 tot 15 kilogram. De staart wordt tussen de 38,2 en de 61 centimeter lang.

De mantelbaviaan kent seksueel dimorfisme: de mannetjes zien er geheel anders uit dan de vrouwtjes. Vrouwtjes en mannetjes die niet seksueel actief zijn hebben een grijzige bruine vacht, met een kaal, roze gezicht en achterzijde. Volwassen, seksueel actieve mannetjes zijn daarentegen veel groter en hebben een lange, zilvergrijze vacht, die lichter is op de wangen, de staartpunt en rond het zitvlak. De handen en voeten zijn donkerder gekleurd. Op de nek en de schouders heeft het mannetje lange manen.

_TVS1054

Leefwijze
De mantelbaviaan is een opportunistische omnivoor. Hij leeft van grassen, knoppen, vruchten, wortels, scheuten en ongewervelden. Voor voedsel kunnen de dieren wel 13 kilometer reizen. Ze zijn overdag actief; aan het eind van de middag verzamelen de bavianen zich op steile rotswanden, waar de dieren gezamenlijk slapen. Hier zijn ze relatief veilig voor luipaarden, hun grootste vijand.

Voortplanting en sociaal gedrag
Voortplanten gebeurt het gehele jaar door, alhoewel er in Ethiopië geboortepieken zijn in mei en juni en in november en december. Na een draagtijd van 170 tot 173 dagen wordt meestal één jong geboren. De zoogtijd duurt gemiddeld 239 dagen. Mannetjes verlaten na 2 jaar de geboortegroep, vrouwtjes na 3,5 jaar. Mannetjes blijven vaak hun hele leven in dezelfde clan (zie hieronder). Zij zijn na 7 jaar geslachtsrijp, vrouwtjes na 5 jaar. Mantelbavianen worden tussen de 20 tot 30 jaar oud.

Hamadryas Baboon
Mantelbavianen leven in harems, bestaande uit één mannetje met 1 tot 10 vrouwtjes (gemiddeld 2) en hun jongen. Bijzonder aan de mantelbaviaan is dat verwante mannetjes (meestal broers) met hun harems naast elkaar leven en samenwerken in een zogenaamde clan. De broers helpen elkaar om vreemde mannetjes weg te jagen. De vrouwtjes worden zo goed bewaakt, dat het zelden een ander mannetje lukt om een vrouwtje weg te kapen. Mantelbavianen veroveren een harem door onvolwassen vrouwtjes (die niet worden bewaakt door de haremleiders en zijn broers) weg te lokken of te ontvoeren, of door oudere haremleiders aan te vallen en enkele of alle vrouwtjes over te nemen.

De clans voegen zich samen met andere clans in een band, waarin de dieren naar de voedselgronden trekken en samen slapen op een gedeelte van een rots. Ook haremloze mannetjes maken deel uit van deze bands. Een groep bands vormt samen weer een “troep”. Een troep kan bestaan uit enkele honderden dieren. Dit zijn alle dieren die op een bepaalde rotswand slapen. ’s Ochtends valt de troep uiteen in de verscheidene bands.

Verspreiding en leefgebied[bewerken]
Mantelbavianen komen voor in de steppen, halfwoestijnen, rotswanden en bergen langs de Rode Zee: ze worden aangetroffen in Somalië, Ethiopië, Eritrea, Djibouti en Soedan, en in het zuidwesten van het Arabisch Schiereiland, in Jemen en Saoedi-Arabië. De Arabische populaties zijn mogelijk ingevoerd. In Ethiopië komen kruisingen voor tussen mantelbavianen en groene bavianen, langs de grens van hun verspreidingsgebieden. Ook deelt de mantelbaviaan een gedeelte van zijn leefgebied met de gelada.

Vroeger kwam de aap waarschijnlijk ook in Egypte voor. Hier werd hij vereerd als een heilig dier, en geassocieerd met de god Thoth. In Ethiopië wordt de vacht van het mannetje verwerkt in ceremoniële kleding.

Bron: Wikipedia  Foto’s:  T.V.S. Fotografie