Citroenvlinder

TVS_2781
Citroenvlinder is nog volop actief bezig in de tuin, die is er een van de nieuwe generatie.

Voorvleugellengte: 27-30 mm. Deze citroengele vlinder heeft aan de voorvleugel een puntige vleugelpunt; aan de achtervleugel bevindt zich halverwege de achterrand een duidelijk puntje.
Het vrouwtje is bleekgeel of soms bijna wit. De onderkant van de vleugels is groenachtig van kleur.

Voorkomen
Een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt.

Habitat
Vooral zonnige plaatsen in open bos en langs bosranden, struwelen op braakliggende percelen en houtwallen in landbouwgebieden; ook parken en tuinen.
TVS_2782
Waardplanten
Sporkehout en wegedoorn; vooral jonge struiken op open zonnige plaatsen.

Vliegtijd en gedrag
Eind juni-begin oktober en na de overwintering van begin februari-begin juni in twee generaties.

Levenscyclus
Rups: half april-eind juni. De rups rust langs de middennerf van een blad en is daardoor moeilijk te vinden. De soort overwintert als vlinder in struikgewas of dichte graspollen.

Bron:vlindernet.nl Foto’s T.V.S.Fotografie

Hoornaar

TVS_2821

De Hoornaar is de grootste wesp van Europa, ze was al een paar dagen in de buurt van het appeltje en er mocht geen ander insect in de buurt komen.

Grootste inheemse wesp met zwart en rood gekleurd mesosoma (thorax) en een zwart, rood en geel getekend metasoma (achterlijf). ‘Slapen’ (achter de ogen) zeer breed, vaak meer rood dan geel gekleurd.

Voorkomen
Vooral in lichte bossen en tuinen. In Nederland en België verspreid over het hele land, maar in de kuststreek en het noorden zeldzaam.

Levenswijze
De nesten van hoornaars blijven maar een zomerhalfjaar bestaan. De stichting van het nest voltrekt zich op dezelfde wijze als bij de andere sociale wespen. De koningin die overwintert zoekt in het voorjaar een geschikte plaats uit voor een nieuw nest. Vaak kiest de koningin voor een holle boom, of een lege vogelnestkast, ruimten onder daken of in schuren. Zelden bouwt de hoornaar zijn nest ondergronds. Jonge nesten lijken in hun aanvangsfase gevoelig te zijn voor ongunstige weersomstandigheden, zodat bij perioden van slecht weer weinig nesten tot ontwikkeling komen. Als bouwmateriaal wordt evenals bij de gewone wesp (Vespula vulgaris) vooral vergaand hout gebruikt, dat vermengd wordt met speeksel en tot papier wordt verwerkt. De kleur van het nest is veelal geelbruin tot roodbruin. Typerend voor de buitenkant van het nest zijn de schelpvormig aangezette omhulselstukken. Binnen in het nest hangen de 6-kantige broedcellen, waarin zich de larven ontwikkelen die met de kop naar beneden hangen. De ingang van het nest ligt aan de onderzijde en blijft steeds open. Hierdoor vallen ook de uitwerpselen van de dieren naar beneden, waardoor zich een latrine onder het nest vormt. Eind september heeft het nest de maximale grootte bereikt van 30-40 cm, soms meer dan een halve meter in doorsnede en tot 60 cm hoogte. Als een deel van de mantel van het nest is verwijderd zijn er 10 raten te tellen. Toch telt de kolonie zelden meer dan 1000 individuen. Als voedsel worden allerlei insecten gevangen die tot balletjes ‘vlees’ worden gekauwd en aan de larven gevoerd. Hoornaars knagen ook aan bomen (vooral berken) om zoete sapstromen te maken. De sapstromen worden weken lang open gehouden en verdedigd tegen andere snoepende dieren. In de loop van oktober of vroeg in november valt het nest uiteen. Alleen de nieuwe generatie koninginnen overwintert. Hoornaars hebben sterk te lijden van vooroordelen als zouden het bijzonder gevaarlijke dieren zijn. Echter een steek is niet gevaarlijker dan die van bijen of andere wespen, alleen onder bepaalde omstandigheden hoogstens iets pijnlijker. Hoornaars zijn ook niet erg agressief en vallen de mens niet lastig op terrasjes of in de tuin bij de koffietafel.

Bron: www.soortenbank.nl foto: T.V.S.Fotografie

Bruinrode Heidelibel

TVS_2968

Vrouwtje

De Bruinrode Heidelibel vliegt nog vol op met dit warme weer, je ziet ze in het fauna gebied in de Reeshof (Witbrant oost) vliegen.

Bruinrode Heidelibel is 35-44 mm groot. Heidelibel met weinig opvallende kenmerken. Poten zwart met gele strepen. Dijen van de voorste poten meestal driekleurig: zwart-geel-zwart. Het zwarte streepje op het voorhoofd (tussen de ogen) stopt bij de oogranden en loopt niet of nauwelijks langs de oogranden naar beneden (de zogenaamde ‘hangsnor’ ontbreekt). Vaak is langs de oogranden wel een donker veegje aanwezig. Mannetje: achterlijf lang en slank, zonder knotsvormige verbreding aan het uiteinde. Uitgekleurde mannetjes krijgen een rood achterlijf, dat meestal minder diep rood is dan bij bloedrode en steenrode heidelibel. In zijaanzicht zijn meestal wat zwarte vlekjes op het achterlijf aanwezig. De zijkant van het borststuk verkleurt van geel naar grijsbruin, maar twee vlakjes blijven opvallend geel. Jonge mannetjes lijken qua kleur op vrouwtjes. Vrouwtje: achterlijf geel, later verkleurend tot bruin of roodbruin. Aan de zijkant van het achterlijf staan zwarte streepjes, die geen doorlopende streep vormen. Legschede in zijaanzicht niet haaks maar schuin van het achterlijf afstaand: niet opvallend, maar wel zichtbaar.

Gelijkende soorten
Andere heidelibellen, vooral steenrode heidelibel en zuidelijke heidelibel.

TVS_2975

Mannetje

Voorkomen
Zeer algemeen. Komt in minder kilometerhokken voor dan de steenrode heidelibel, maar dit verschil wordt steeds kleiner.

Habitat
De bruinrode heidelibel is een pioniersoort die zijn optimum vindt in ondiepe poelen die ’s zomers geheel of gedeeltelijk uitdrogen en weinig vegetatie hebben. De soort komt echter ook voor in allerlei andere stilstaande en zwak stromende wateren.

Vliegtijd en gedrag
Nazomersoort: eind mei tot eind november, met een piek van eind juli tot eind september. Er zijn sporadische waarnemingen bekend van bruinrode heidelibellen in het (zeer) vroege voorjaar, wat erop wijst dat de soort bij hoge uitzondering als imago kan overwinteren. Bruinrode heidelibellen vertonen ongeveer hetzelfde gedrag als de meeste andere heidelibellen. Jonge dieren zijn in de wijde omtrek van het voortplantingswater aan te treffen, zittend en jagend in ruige vegetatie. Geslachtsrijpe mannetjes vliegen bij het water en gaan regelmatig zitten op uitstekende stengels in de oevervegetatie. Ze speuren naar vrouwtjes voor de paring. Mannetjes die dichtbij komen worden meestal verjaagd. De eitjes worden vliegend in tandempositie afgezet, in het water.

TVS_2978

Mannetje

Levenscyclus
De bruinrode heidelibel heeft een eenjarige levenscyclus en overwintert als ei. De eieren komen in het voorjaar uit, waarna de larven zich snel ontwikkelen. Uitsluipen vindt plaats vanaf eind mei tot eind september, met een piek van eind juli tot begin september. Bij hoge uitzondering kunnen bruinrode heidelibellen als imago overwinteren en in het vroege voorjaar weer actief worden.
Bron: www.libellennet.nl  Foto’s T.V.S. Fotografie

Bruine winterjuffer

winterjuffer.1000
Bruine winterjuffer vlieg over de heide in de gaas, je moet goed kijken en wachten tot hij vliegt om te zien waar hij gaat zitten.

34-39 mm. Lichtbruin lichaam, met donkere bronskleurige tekening op achterlijfsrug en borststuk (bij jonge dieren met groene glans). De donkere figuurtjes op het achterlijf zijn torpedovormig. In het voorjaar vaak veel donkerder gekleurd, hierdoor effen donkerbruin lijkend. De ogen hebben dan vaak blauwe berijping. Pterostigma’s lang en bruin en in de voorvleugels dichter bij de top geplaatst dan in de achtervleugels. In rust worden de vleugels alle vier aan één kant van het lichaam samengehouden. De donkere strepen op de borststukrug hebben een rechte onderkant. De donkere streep op de zijkant van het borststuk (onder de schoudernaad) is relatief breed.Vrij algemeen

Habitat
Vennen, duinplassen, overige plassen en poelen met goed ontwikkelde verlandingsvegetatie. Sporadisch ook in laagveen. Overwinteringshabitat: beschutte plaatsen in heide en halfopen bossen.

TVS_2713.1000

 

Vliegtijd en gedrag
De voorjaarsgeneratie (die zich voortplant) is vooral actief van begin april tot eind juni, met een piek in eind april/begin mei. Op zonnige dagen kunnen actieve imago’s echter nog vroeger in het voorjaar worden waargenomen, of zelfs in de winter. De najaarsgeneratie vliegt van begin juli tot eind oktober, met een piek in augustus en september. Beide generaties overlappen elkaar in eind juni/begin juli.
Imago’s rusten vaak op houtige of verdorde plantenstengels en drukken zich hier in de lengterichting tegenaan. Hierdoor vallen ze nauwelijks op, totdat ze een stukje verder vliegen. De voorjaarsgeneratie plant zich voort en is dan ook hoofdzakelijk aan de waterkant aan te treffen. Eieren worden in tandem afgezet, meestal in drijvend plantenmateriaal. Vaak zijn dit dode stengels en bladeren van riet, lisdodde of snavelzegge. De najaarsgeneratie heeft na het uitsluipen geen binding meer met het water en kan ver van de voortplantingshabitat worden aangetroffen. Imago’s zijn dan meestal jagend of rustend aan te treffen op beschutte plaatsen, bijvoorbeeld in bosranden. Voor de overwintering zoeken ze beschutte plekjes op in bijvoorbeeld heidestruiken, pijpenstrootjepollen of onder boomschors.

Levenscyclus
Samen met noordse winterjuffer de enige Europese libel die als imago overwintert. De imago’s kunnen daardoor uitzonderlijk oud worden, tot wel tien maanden. In het vroege voorjaar vindt de voortplanting plaats en worden de eitjes afgezet. Vervolgens ontwikkelen de larven zich binnen drie maanden tot imago’s, die in de nazomer verschijnen. Wanneer het kouder wordt begint de overwintering.

Bron: Libellennet.nl  foto’s: T.V.S. Fotografie

Luipaard

TVS_1511

Deze Luipaard woont in het Safaripark Beekse Bergen samen met een vrouwtje of mannetje.

De twee namen zijn voornamelijk geografisch gebonden: “luipaard” wordt in de regel gebruikt voor dieren uit Afrika, “panter” voor Aziatische dieren. Dit is echter geen strikte regel en regelmatig worden de namen door elkaar gebruikt.

Beschrijving
De luipaard is een grote, gespierde katachtige met korte, krachtige poten en een lange staart. De kop is breed en een beetje rond van vorm met kleine, ronde oren. De snuit is middelgroot, met krachtige kaken en lange snorharen.

De vacht van een luipaard is bedekt met veel zwarte vlekken. Op het lichaam en de bovenste helft van de poten zijn deze vaak gegroepeerd met bruine vlekken in rozetten. Ook zijn er geheel zwarte, niet gegroepeerde vlekken, voornamelijk op de buik, kop en de onderpoten, maar ook op het lichaam. Ook de staart is gevlekt, van het begin tot het midden, maar aan het einde meer geringd. De grondkleur van de meeste dieren is zandgeel of lichtbruin, maar de kleur kan zeer variëren, van bijna wit tot geheel zwart bij de bekende zwarte panters , die vooral in Indonesië en in de Afrikaanse hooglanden leven. De buik, keel en kin zijn wittig. De kleur en vachtlengte hangen af van de plaats waar ze leven, maar toch kunnen zwarte en gele luipaardjongen van dezelfde moeder zijn. De vachttekening biedt het dier camouflage, zodat het gemakkelijk onopgemerkt kan blijven. De oren zijn zwart aan de achterzijde met een opvallende witte tekening in het midden.

Mannelijke luipaarden kunnen een kop-romplengte van 130 tot 190 centimeter meter lang bereiken. De staart is nog 60 tot 110 centimeter lang. Luipaarden worden 28 kilo tot 90 kilogram zwaar. De schouderhoogte van een luipaard is ongeveer 50 cm tot 60 cm. Vrouwtjes zijn kleiner dan mannetjes. Vrouwtjes hebben een kop-romplengte van 104 tot 140 centimeter en een lichaamsgewicht van 28 tot 60 kilogram (gemiddeld 50 kilogram), mannetjes een kop-romplengte van 130 tot 190 centimeter en een gewicht van 35 tot 90 kilogram (gemiddeld 60 kilogram).

TVS_1502

Zintuigen
De ogen van katachtigen werken goed overdag maar ook indien er weinig licht aanwezig is. Hierdoor kunnen ze ook ’s nachts jagen. De pupillen zijn ellipsvormig.

Het reukvermogen van een luipaard is heel goed, zelfs beter dan bij de tijger.

Het gehoor is heel sterk: een luipaard kan heel hoge frequenties horen tot 100 kHz, ook als ze heel zacht zijn. De snorharen van een luipaard spelen ook een belangrijke rol. Ze veranderen van stand, afhankelijk van dingen die hij doet. Als hij loopt, staan ze zijdelings uitgespreid, bij het snuffelen staan ze langs de kop naar achteren en bij het aanvallen van een prooi staan ze naar voren gericht, waardoor hij op de goede plek kan toebijten.

Voedsel
De luipaard is ’s nachts of in de schemering actief. Hij jaagt meestal ’s avonds of ’s nachts. Hij jaagt zelden overdag, omdat hij dan te veel opvalt. Overdag rust het dier meestal tussen struikgewas of in een boom.

De luipaard jaagt voornamelijk op middelgrote zoogdieren als antilopen, herten, knobbelzwijnen en andere varkens, geiten en bavianen, en op kleinere dieren zoals hazen, apen, klipdassen, knaagdieren (waaronder stekelvarkens), vogels, slangen, vissen en insecten, evenals struisvogels, jakhalzen en honden. Sommige luipaarden specialiseren zich in een bepaalde diersoort.

Als de luipaard een prooi denkt te hebben gevonden, bespringt hij de prooi als die op zijn schuilplaats zit. Hij besluipt eerst behendig en rustig de prooi; soms ligt het dier doodstil in een hinderlaag klaar om te springen, bijvoorbeeld in een boom. Afrikaanse luipaarden nemen hun prooi mee een boom in, waar ze die opeten. In een boom zijn ze meestal veilig voor andere roofdieren, als leeuwen en gevlekte hyena’s, die zijn prooi kunnen stelen.

TVS_1513

Leefwijze
Een goed verstopte luipaard in een natuurpark in Namibië.
De luipaard is geen groepsdier, maar leeft solitair. Er zou te weinig voedsel zijn als luipaarden het zouden moeten delen. Ze zoeken elkaar enkel op in de paartijd. De luipaard heeft een vast territorium, dat hij tegen soortgenoten verdedigt. Dit wordt gemarkeerd met urine of uitwerpselen, net als bij veel andere diersoorten. Ook worden krabsporen op bomen achtergelaten. Mannetjes hebben vaak grotere territoria dan vrouwtjes. Territoria overlappen regelmatig met de territoria van dieren van een ander geslacht, dieren van hetzelfde geslacht mijden elkaar. Als er plaatsen zijn waar veel prooien zijn, zijn de territoria kleiner; de territoria zijn groter met minder wild.

Voortplanting
Als het vrouwtje paringsbereid is, heeft haar urine een speciale geur die mannetjesluipaarden aantrekkelijk vinden. Na de paring bemoeien de mannetjes zich verder niet met het vrouwtje of de jongen. De draagtijd is 90 tot 112 dagen. De jongen komen ter wereld op een goed verborgen schuilplaats, zoals een grot, dicht struikgewas of een ondergronds hol, waar ze de eerste zes weken verborgen blijven. De jongen wegen bij de geboorte 430 gram tot 530 gram en zijn dan nog hulpeloos en klein. De ogen gaan na een week open. Het nest kan uit maximaal zes jongen bestaan, maar meestal overleven er maar twee. De jongen worden drie maanden lang gezoogd en blijven ongeveer anderhalf tot twee jaar bij hun moeder. Daarna zijn ze geslachtsrijp en zelfstandig. Pas na drie of vier jaar zijn ze helemaal volgroeid. De luipaard kan tot twintig jaar oud worden.

Bron: Wikipedia  Foto’s: T.V.S. Fotografie

Mantelbavianen

baviaantje
Een schattige jong mantelbaviaantje zat alleen te eten in dierenpark Emmen, vader en moeder hielde het jonkie wel in de gaten.

De mantelbaviaan (Papio hamadryas) is een aap uit het geslacht der bavianen (Papio). De mantelbaviaan werd door de Oude Egyptenaren als een heilig dier beschouwd.

Mannetjes worden 70 tot 95 centimeter lang, met een schouderhoogte van 50 tot 65 centimeter en een lichaamsgewicht van 15 tot 20 kilogram. Vrouwtjes worden 50 tot 65 centimeter lang, met een schouderhoogte van 40 tot 50 centimeter en een lichaamsgewicht van 10 tot 15 kilogram. De staart wordt tussen de 38,2 en de 61 centimeter lang.

De mantelbaviaan kent seksueel dimorfisme: de mannetjes zien er geheel anders uit dan de vrouwtjes. Vrouwtjes en mannetjes die niet seksueel actief zijn hebben een grijzige bruine vacht, met een kaal, roze gezicht en achterzijde. Volwassen, seksueel actieve mannetjes zijn daarentegen veel groter en hebben een lange, zilvergrijze vacht, die lichter is op de wangen, de staartpunt en rond het zitvlak. De handen en voeten zijn donkerder gekleurd. Op de nek en de schouders heeft het mannetje lange manen.

_TVS1054

Leefwijze
De mantelbaviaan is een opportunistische omnivoor. Hij leeft van grassen, knoppen, vruchten, wortels, scheuten en ongewervelden. Voor voedsel kunnen de dieren wel 13 kilometer reizen. Ze zijn overdag actief; aan het eind van de middag verzamelen de bavianen zich op steile rotswanden, waar de dieren gezamenlijk slapen. Hier zijn ze relatief veilig voor luipaarden, hun grootste vijand.

Voortplanting en sociaal gedrag
Voortplanten gebeurt het gehele jaar door, alhoewel er in Ethiopië geboortepieken zijn in mei en juni en in november en december. Na een draagtijd van 170 tot 173 dagen wordt meestal één jong geboren. De zoogtijd duurt gemiddeld 239 dagen. Mannetjes verlaten na 2 jaar de geboortegroep, vrouwtjes na 3,5 jaar. Mannetjes blijven vaak hun hele leven in dezelfde clan (zie hieronder). Zij zijn na 7 jaar geslachtsrijp, vrouwtjes na 5 jaar. Mantelbavianen worden tussen de 20 tot 30 jaar oud.

Hamadryas Baboon
Mantelbavianen leven in harems, bestaande uit één mannetje met 1 tot 10 vrouwtjes (gemiddeld 2) en hun jongen. Bijzonder aan de mantelbaviaan is dat verwante mannetjes (meestal broers) met hun harems naast elkaar leven en samenwerken in een zogenaamde clan. De broers helpen elkaar om vreemde mannetjes weg te jagen. De vrouwtjes worden zo goed bewaakt, dat het zelden een ander mannetje lukt om een vrouwtje weg te kapen. Mantelbavianen veroveren een harem door onvolwassen vrouwtjes (die niet worden bewaakt door de haremleiders en zijn broers) weg te lokken of te ontvoeren, of door oudere haremleiders aan te vallen en enkele of alle vrouwtjes over te nemen.

De clans voegen zich samen met andere clans in een band, waarin de dieren naar de voedselgronden trekken en samen slapen op een gedeelte van een rots. Ook haremloze mannetjes maken deel uit van deze bands. Een groep bands vormt samen weer een “troep”. Een troep kan bestaan uit enkele honderden dieren. Dit zijn alle dieren die op een bepaalde rotswand slapen. ’s Ochtends valt de troep uiteen in de verscheidene bands.

Verspreiding en leefgebied[bewerken]
Mantelbavianen komen voor in de steppen, halfwoestijnen, rotswanden en bergen langs de Rode Zee: ze worden aangetroffen in Somalië, Ethiopië, Eritrea, Djibouti en Soedan, en in het zuidwesten van het Arabisch Schiereiland, in Jemen en Saoedi-Arabië. De Arabische populaties zijn mogelijk ingevoerd. In Ethiopië komen kruisingen voor tussen mantelbavianen en groene bavianen, langs de grens van hun verspreidingsgebieden. Ook deelt de mantelbaviaan een gedeelte van zijn leefgebied met de gelada.

Vroeger kwam de aap waarschijnlijk ook in Egypte voor. Hier werd hij vereerd als een heilig dier, en geassocieerd met de god Thoth. In Ethiopië wordt de vacht van het mannetje verwerkt in ceremoniële kleding.

Bron: Wikipedia  Foto’s:  T.V.S. Fotografie

 

Grote Kaardebol

_TVS9495
Grote Kaardebol komt voor In Valkenburg bij de Ruïne, dat is de eerste keer dat ik deze plant ben tegengekomen.

De grote kaardebol of wilde kaardebol (Dipsacus fullonum, synoniem: Dipsacus sylvestris), behoort tot de kaardebolfamilie (Dipsacaceae), in de 22e druk van de Heukels, of tot de kamperfoeliefamilie (Caprifoliaceae), in de 23e druk van de Heukels. De plant wordt ook wel weverskaarde genoemd.

In Nederland is de grote kaardebol wettelijk beschermd.

De grote kaardebol komt oorspronkelijk uit Noord-Afrika (Maghreb), Voor-Azië en Europa, maar komt tegenwoordig overal in de gematigde streken voor.

De plant is tweejarig en kan 70-150 cm hoog worden. De bladeren zijn twee aan twee tegenoverstaand en de vergrote bladvoet werkt als opvangbakje voor water.

_TVS9492

De lila bloempjes zijn klein en ongesteeld en staan bij elkaar op een hoge ineengedrongen tros (hoofdje). Ze hebben een 5-9 cm lange gemeenschappelijke ‘kelk’ (het omwindsel). Elk bloempje heeft naast een eigen vergroeidbladig omwindseltje ook nog een kelk van stijve haren. Een bloempje heeft vier meeldraden, één stamper en een onderstandig vruchtbeginsel met één zaadknop.

De bloei begint vanuit het midden van de bloeiwijze en bloeit tegelijk naar boven en beneden. Hierdoor zijn twee bloeiende ringen te zien.

De kaardebol produceert veel nectar en trekt daarom veel insecten zoals solitaire bijen en hommels.

_TVS9493

Economisch belang.
De bloemhoofdjes van de kaardebol werd in de Middeleeuwen gebruikt voor het ruwen van gevolde wollenlaken, hiertoe werden een aantal van deze kaardebollen in een kruisvormige houten houder bevestigd. Later zijn er zelfs speciale machines ontwikkeld voor het ruwen van weefsels met behulp van de kaardebol. De bloemhoofdjes werden daartoe op stalenpennen geregen. Een dergelijke machine staat nog opgesteld in het Nederlands Textielmuseum te Tilburg. Als wolkaarde is de weverskaarde nooit gebruikt. De stekels van deze zaadbol zijn daar niet sterk genoeg voor.

De weverskaarde werd vroeger in de Vaucluse (Zuid-Frankrijk) veel verbouwd en geëxporteerd naar onder meer Nederland, Rusland en Japan. Honderden hectaren waren in Zuid-Frankrijk in de 19e en 20e eeuw in productie. In 1862 was dat 2326 ha. Na 1968 was er nog één firma die de weverskaarde kon leveren maar dat bedrijf sloot in 1985.

Bron: wikipedia  foto’s T.V.S. fotografie

Sri Lankaanse panter

_TVS0979

Een Sri Lankaanse panter heeft prachtige groene ogen, deze Panter Ayohee woont in het Dierenpark Emmen.

Het jonge pantervrouwtje Jaffna is in het kader van het fokprogramma voor Sri Lankaanse panters in 2012 verhuisd naar Burgers’ Dierenpark in Arnhem.
Dat betekende dat haar vader Ayohee, die al geruime tijd in een afgescheiden deel van het tijgerverblijf ondergebracht was, weer terug kon naar het panter verblijf.

_TVS0989

De verzorgers hebben de panter een poos met succes getraind om een transportkist in te lopen. Toen het moment van verhuizen daar was, liep Ayohee zonder mankeren de kist in, die onmiddellijk achter zijn rug gesloten werd. Een kwartier later kon de kist in het binnenverblijf van de panters al weer geopend worden en liep de grote kat vlot zijn nachtverblijf in. Hij is inmiddels helemaal gewend aan de nieuwe situatie, want zodra de verzorger de schuif naar het buitenverblijf open zet, stormt hij direct enthousiast naar buiten.

Bron: www.dierenparkemmen.nl    Foto’s T.V.S.natuurfotografie

Bloedrode heidelibellen

bloedrodeheidelibel.1

Bloedrode heidelibellen vliegen over de heide in de Gaas, er is een groot verschil tussen man en vrouw, de man heeft een mooie rode kleur en het vrouwtje is groen en bruin geelachtig.
34-39 mm groot. Poten geheel zwart. In de basis van de vleugels zit een kleine gele vlek: duidelijk kleiner dan bij de geelvlekheidelibel, maar groter dan bij de bruinrode en steenrode heidelibel. Mannetje: achterlijf met duidelijke knotsvormige verbreding aan het uiteinde. Achterlijf in zijaanzicht met zwarte streepjes, soms met elkaar verbonden. Uitgekleurde mannetjes hebben een bloedrood achterlijf, een vrij egaal roodbruin borststuk, roodbruine ogen, een rood gezicht en roodbruine pterostigma’s. Jonge mannetjes zien eruit als vrouwtjes. Vrouwtje: achterlijf en voorhoofd geel, later bruin. Achterlijf in zijaanzicht met zwarte streepjes, die soms een zwarte lijn vormen. Bij oude vrouwtjes raakt de onderkant van het achterlijf grijs bestoven. Pterostigma’s bruin.

Gelijkende soorten: Andere heidelibellen en eventueel de vuurlibel.

Voorkomen: Zeer algemeen. Algemeenste heidelibel en een van de algemeenste libellen van Nederland.

Habitat: Allerlei stilstaande watertypen; meestal voedselrijk en met veel vegetatie.

libellen

Vliegtijd en gedrag
Zomersoort: eind mei tot eind oktober, met een piek van half juli tot begin september. Bloedrode heidelibellen vertonen ongeveer hetzelfde gedrag als de meeste andere heidelibellen. Jonge dieren zijn in de wijde omtrek van het voortplantingswater aan te treffen, zittend in ruige vegetatie. Geslachtsrijpe mannetjes vliegen bij het water en gaan regelmatig zitten op uitstekende stengels in de oevervegetatie. Ze speuren naar vrouwtjes voor de paring. Mannetjes die dichtbij komen worden meestal verjaagd. De eitjes worden vliegend in tandempositie afgezet. Dit gebeurt meestal op vochtige modder op de oever, dus niet in het water. Bij uitzondering wordt wel ei-afzet direct in het water waargenomen, of op geheel droge stukken land op meters afstand van het water (bijvoorbeeld een gazon). In het laatste geval zal dit niet tot nakomelingen leiden.

Levenscyclus
Normaal gesproken overwinteren de eitjes en komen de jonge larfjes in het voorjaar tevoorschijn. Er zijn echter ook aanwijzingen dat eitjes die vroeg in de zomer (en direct in het water?) gelegd worden nog voor de winter uitkomen. In dat geval overwinteren de larven. In beide gevallen duurt de levenscyclus een jaar. Uitsluipen gebeurt van eind mei tot begin september, maar vooral in juli en augustus.

Bron: libellennet.nl  Foto’s T.V.S.Natuurfotografie

Wespenspinnen

_TVS0199
Wespenspinnen

Deze week 2 Wespenspinnen tegengekomen ook wel Tijgerspin genoemd, ze vallen direct op de door de gele kleur.

De naam ‘wespenspin’ heeft alles te maken met het uiterlijk; de spin kan niet steken en de beet is ongevaarlijk voor mensen. De naam is vooral te danken aan het relatief zeer grote vrouwtje. Ze heeft een zwart achterlijf met heldere gele, witte en diepzwarte grillige banden, vooral vlak voor het afzetten van de eitjes is het achterlijf sterk opgezwollen. De buikzijde van het achterlijf heeft twee gele strepen in de lengterichting. Het cephalothorax of kopborststuk is zilverachtig behaard en de poten zijn duidelijk bruinzwart met geelgrijs gebandeerd. Ondersteboven zittend in het web valt de spin daardoor goed op, maar wordt door veel vijanden juist met rust gelaten vanwege het wesp-achtige uiterlijk. De wespenspin is een van de grootste Europese spinnen, en is vanwege de lengte en kleuren moeilijk over het hoofd te zien, zelfs voor mensen die niets van spinnen weten is de soort ook makkelijk op naam te brengen. Vrouwtjes worden ongeveer 15 millimeter lang, gemeten van de kaken tot aan de punt van het achterlijf, door de grote dikke poten lijkt de spin aanzienlijk groter. Mannetjes zijn dofbruin en veel kleiner, ze worden maximaal 5 millimeter. Vanwege hun geringe grootte worden de mannetjes maar zelden opgemerkt.
_TVS0488

Het mannetje wordt echter na de paring vrijwel altijd ingesponnen en later opgegeten door het vrouwtje zodat een tweede paring eerder uitzonderlijk is. Hij dient het vrouwtje tot voeding, wat de ontwikkeling van zijn nageslacht ten goede komt. Als het mannetje geluk heeft is het vrouwtje pas verveld, dan zijn haar kaken nog zacht en maakt hij de grootste kans om te paren zonder opgegeten te worden voor zijn sperma is afgegeven.

Een mannetje leeft ook aanzienlijk korter; nadat hij volwassen is slechts enkele dagen. Ongeveer een maand na de paring, rond augustus, worden de eitjes afgezet in een relatief enorme, gelige eicocon. Een cocon bevat honderden eitjes en wordt door het vrouwtje bewaakt tot ze sterft. Ongeveer een maand nadat de cocon is gesponnen komen de jonge spinnetjes (spiderlings) uit het ei, maar verlaten de cocon pas in maart van het volgende jaar.
_TVS0189
De wespspin hangt altijd ondersteboven in het wielweb, dat te herkennen is aan de twee extra zigzag matjes die straalsgewijs vanuit het centrum zijn aangebracht. Deze worden het stabilement genoemd. De exacte functie hiervan is niet precies bekend; zo zouden de witte banden insecten aantrekken door uv-licht te weerkaatsen, ook is geopperd dat door het stabilement het web zichtbaarder is voor grotere landdieren, die er minder snel doorheen lopen en het web vernielen. Het stevige web kost de spin meer moeite om te bouwen dan soorten zonder stabilement. Als een te zware prooi in het web terecht komt, bijt de spin snel de draden door zodat de prooi niet het hele web vernielt. Het web wordt vanwege de voorkeur voor sprinkhanen dicht boven de grond tussen grashalmen en stengels gespannen.

Bron: Wikipedia Foto’s: T.V.S.Fotografie

Paardenbijter mannetje

_TVS0122

Paardenbijter mannetje

De Paardenbijter vliegt heel de dag achter insecten achter in de tuin aan soms gaat hij even rusten dit keer op een uitgebloeide bloem van de vlinderstruik.

Zeer algemeen.
Een deel van de paardenbijters die in Nederland rondvliegen betreft immigranten vanuit het zuiden of oosten. Hoe groot dit aandeel is, is niet bekend.

_TVS0124

Habitat
Stilstaande en zwak stromende wateren met een rijke moerasvegetatie: poelen, plassen, sloten, laagveen, etc. Soms ook brak water.

Vliegtijd en gedrag
Laat vliegende soort: van begin juli tot in november, grootste aantallen in augustus en september. Paardenbijters zijn vooral in de middag actief, op warme avonden zelfs tot diep in de schemering. Imago’s worden vaak in groepen aangetroffen, jagend langs bosranden op boomkruinhoogte. Mannetjes vertonen territoriaal gedrag langs de waterkant, maar zijn minder agressief dan andere glazenmakers. Eitjes worden door het vrouwtje afgezet in allerlei levende en dode plantendelen.

_TVS0113

Levenscyclus
Een jaar, mogelijk soms twee jaar. De (eerste) winter wordt doorgebracht als ei. Uitsluipen gebeurt gedurende een lange periode (geen duidelijke piek), van eind juni tot eind september.

Bron: vlindernet.nl  foto’s: T.V.S.Fotografie

Koninginnenpage

_TVS9813
De Koninginnenpage was gisteren ook al in de tuin aan het rondfladderen, vandaag ging ze in de vlinderstruik zitten.

Voorvleugellengte: 32-41 mm. De grondkleur van boven- en onderkant van de vleugels is geel. Op de bovenkant van voor- en de achtervleugel bevindt zich langs de achterrand een doorlopende, brede blauwe band met zwarte randen. Opvallend zijn de staartjes aan de achtervleugel en de rode stip in de binnenrandhoek.

_TVS9799

Gelijkende soorten
De koningspage heeft op de bovenkant van de voorvleugel geen brede blauwe band, maar een aantal zwarte strepen.

Voorkomen
Een vrij schaarse standvlinder die vooral in de zuidelijke helft van het land wordt waargenomen. De laatste jaren komen er ook steeds meer meldingen uit de rest van Nederland, tot aan de Waddeneilanden toe. Het aantal exemplaren per jaar wisselt.

Habitat
Diverse biotopen, waaronder ruderale terreinen en kruidenrijke graslanden.

_TVS9810

Waardplanten
Vooral peen (ook de gecultiveerde vorm); daarnaast ook andere schermbloemigen, zoals bevernel, engelwortel, pastinaak en venkel.

Vliegtijd en gedrag
Eind april-half juni en begin juli-half september in twee generaties. In warme jaren vliegt er mogelijk een partiële derde generatie in oktober. De koninginnenpage wordt vaak bij heuveltoppen gezien waar mannetjes en vrouwtjes elkaar ontmoeten; dit gedrag wordt ‘hill-topping’ genoemd.

Levenscyclus
Rups: half mei-half juni en half augustus-eind september. Bij gevaar wordt een rood vorkvormig orgaan uitgestulpt waarmee de rups een doordringende stank verspreidt. De soort overwintert als pop in de kruidlaag.

Bron: vlindernet.nl  Foto’s T.V.S.Fotografie

Gewone Klit Arctium

_TVS8202

De Gewone Klit of Arctium staat langs de boskant in de buurt, het is een mooie plant.

De gewone klit (Arctium minus) is een vaste plant, die tot de composietenfamilie (Asteraceae) behoort. De plant komt in het wild voor in Europa en Azië. De gewone klit onderscheidt zich van de Grote klit doordat de bladsteel van de rozetbladen bij de grote klit gevuld en bij de gewone klit aan de voet hol is.

De gewone klit komt voor op open, vochtige, zeer voedselrijke en omgewerkte grond, en is zeer algemeen. De plant heeft een penwortel en kan 0,5-2,5 m lang worden.

De plant bloeit van juni tot september met paarse bloem in hoofdjes. De stekels meegerekend zijn de bovenste bloemhoofdjes van de gewone klit 1,5-3 cm breed. De hoofdjes zijn tros- of aarvormig gerangschikt en zitten meest afzonderlijk op een steel, maar er komen ook ongesteelde voor. De soort is zeer variabel. De 5 mm lange vruchtjes zijn aan de bovenkant bezet met stijve haartjes.

Ecologie
De Gewone klit komt in bermen, ruigten en op open plekken in bossen. De vruchten worden verspreid doordat ze aan de vacht van dieren blijven hangen. Ook blijven ze aan kleding hangen.

_TVS8405

Groente
De penwortel van jonge planten kan gegeten worden als pastinaak. In Europa wordt de plant bijna niet meer gegeten, maar in Azië is het nog een populaire groente. Jonge bloemstengels kunnen in het late voorjaar voordat de bloemen verschijnen ook gegeten worden. De smaak lijkt wat op die van artisjok.

Volksgeneeskunde
De klit is volgens de volksgeneeskunde vochtafdrijvend en bloedreinigend. De plant zou ook tegen gewrichtreuma, zweren, maagklachten, haaruitval en roos werkzaam zijn. Voor medicinaal gebruik wordt de wortel in de herfst van het eerste groeijaar of in het daaropvolgend voorjaar geoogst en gedroogd.

Bron: Wikipedia  Foto’s T.V.S.Fotografie

 

Witte Tijger nachtvlinder

_TVS8761

Witte Tijger nachtvlinder, ook wel Tienuursvlinder genoemd.

Gistermiddag vloog ze traag in een vlinderstruik, ’s morgens ging ik kijken of ze er nog op het blaadje zat, maar ze was al weg, ze had wel 19 eitjes gelegd, nu maar afwachten of ze uit gaan komen.

De kleine zwarte vlekjes op de voorvleugels zijn duidelijk zichtbaar, maar liggen zonder patroon her en der verspreid. Ook het aantal vlekjes kan variëren. Ze hebben een kop met een dikke ‘bontmuts’. Het achterlijf is krachtig geel met zwart gevlekt. ze hebben een spanwijdte van 3 tot 4 centimeter.

_TVS8769

Levenswijze
Deze vlinders rusten overdag, vlak bij de grond op een stam of in het gras, met de vleugels gevouwen in de vorm van een dakje. Als ze verstoord worden krommen ze hun achterlijf en houden zich dood. Ze worden niet door vogels gegeten, daar ze vies smaken en giftig zijn.

Deze vlinder kreeg de oorspronkelijke naam tienuursvlinder omdat deze na 10 uur ’s avonds pas werd gezien omdat het een nachtvlinder is. De vliegtijd van de witte tijger is vanaf half april tot half augustus.

_TVS8726

De eieren worden in grote groepjes op de onderkant van de bladeren afgezet. Per jaar is er meestal maar één generatie.

De grijsbruine, dicht donkerbruin behaarde, zeer snel bewegende rups is maximaal 40 mm lang en heeft een witachtige of licht roodachtige rugstreep. De rups heeft ook veel zwarte wratten waarop langere of kortere haren staan ingeplant en de kop is geheel zwart. De rupsen tref je vooral aan de onderkant van allerlei planten. Het dier eet het liefst kruidachtige planten, maar is ook één van de weinige soorten die in adelaarsvaren kan worden gevonden.

Deze rupsen kunnen ook verward worden met de rupsen van de gele tijger. Maar die verschillen in paar opzichten zoals het bruinig haar, een blekere rugstreep en een wittige lengtestreep over de flanken die bij de rups van de witte tijger anders is. Sommige insectenkenners hielden ze vroeger voor dezelfde soort. Ze zijn ook zeer nauw verwant.

De vlinder overwintert als pop in een met haren doorweven spinsel.

Waardplanten zijn de grote brandnetel, brem, luzerne, slangenkruid en paardenbloem.

Bron: Wikipedia    Foto’s T.V.S.Fotografie