Pinksterbloemen

TVS_6601 In een Wadi langs de weg staat het vol met Pinksterbloemen elk jaar komen er meer bij.

De pinksterbloem, Cardamine pratensis, is een plant uit de kruisbloemen familie. De soort kan tot 50 cm hoog worden. De plant heeft een bladrozet. De stengel is hol en rond. De bladeren zijn samengesteld. De deelblaadjes van het bladrozet zijn kort en breed en vaak bochtig getand. De stengelbladeren zijn smal en lang. De vrucht is een hauw. Deze zijn bij de pinksterbloem smal en maximaal 5,5 cm lang.

De bloemen zijn tweeslachtig, er zijn 6 meeldraden en 1 stamper met een korte stijl. De meeldraden hebben gele helmknoppen en komen voor in 3 paar, waarvan 2 lange van 5 tot 10mm en 1 korte van 3 tot 6mm.

Het vruchtbeginsel bestaat uit 2 gefuseerde vruchtbladen, is bovenstandig en bevat 20 tot 30 zaadknoppen. De bloemen groeien in een tros. De kelk bladen zijn onderaan met elkaar vergroeid, de kroonbladen niet. De kroonbladen zijn maximaal 1,8 cm lang en hebben een lila tot roze kleur met paarse aders, ze zijn zelden wit.

De plant bloeit ondanks haar naam met name in de periode vóór Pinksteren. Eind april is meestal het hoogtepunt. In Friesland wordt het fluitenkruid, dat wel rond Pinksteren bloeit, ook wel eens pinksterbloem of pinksterblom genoemd.
TVS_6634

De plant komt voor in graslanden, bossen en in moeras. In een omgeving die heel nat is, heeft ze zich op een bijzondere manier aan dit milieu aangepast.

De deelblaadjes zijn dan kortgesteeld en beginnen al, terwijl ze nog aan de plant zitten, worteltjes te vormen. Wanneer ze van de plant afvallen, kunnen ze uitgroeien tot nieuwe planten. Het zaad komt in een dergelijk permanent nat milieu slecht tot ontkieming en op deze wijze kan de soort zich toch nog voortplanten.

In Nederland en België is de soort zeer algemeen, ze komt nog steeds overal voor.

Toch is ze sterk achteruitgegaan. Vroeger kleurde ze vele weilanden paars op het hoogtepunt van haar bloei. Tegenwoordig is ze door de intensivering van de landbouw meestal beperkt tot de slootkanten. Ook komt de plant voor in gazons, waar ze door het intensieve maaibeheer niet tot bloei komt.

Wanneer de eerste maaibeurten achterwege blijven, blijkt door de uitbundige bloei van pinksterbloemen hoeveel de soort erin voorkomt. De pinksterbloem wordt ook wel “schuimkruid” genoemd (wat overeenkomt met de Duitse naam “Wiesen-Schaumkraut”), vanwege de voorkeur van het schuimbeestje voor deze plant.

handtekening.5

Grauwe Gans en Zwaan

TVS_5606 De Grauwe Gans en de jonge zwaan bleven steeds dicht bij elkaar zwemmen in de Moerven in Huis ter Heide.
De grauwe gans is een grote grijze watervogel met roze poten. Hij heeft zwarte vlekjes op de buik. De kop is lichtgrijs, de voorvleugel is grijswit. De snavel kan roze (oostelijke ondersoort, Anser anser rubirostris) of oranje (westelijke ondersoort, Anser anser anser) zijn. Het is een herbivoor.
Tijdens de rui waarin de gans niet vliegen kan, zoekt de gans een goed heenkomen in rietlanden. Ze kunnen dan zo veel riet (vooral de wortelstokken van het riet) consumeren dat de verlanding door riet wordt tegengegaan. De Oostvaardersplassen waren in eerste instantie vooral gedacht als ganzenreservaat. In het Verdronken Land van Saeftinghe foerageren ’s winters jaarlijks tienduizenden grauwe ganzen op de knolletjes van zeebies.
Jonge Zwaan,
Deze vogels kunnen een spanwijdte van 2,40 meter bereiken en zijn daarmee de grootste watervogels. Zelf zijn ze 140 tot 160 cm groot.[2] Met hun lange nek kunnen ze ver onder water reiken. Ze kunnen tot 10 tot 12 kg wegen. Daarmee behoren ze bij de zwaarste vliegende dieren. Ze zijn ongeveer even groot als de wilde zwaan, maar veel groter dan de kleine zwaan. Ze zijn wit en ze hebben een oranjerode snavel. Hun kop en hals hebben een licht gele schijn. De onbevederde huid aan de snavelwortel en om het oog, onder de voorhoofdsknobbel, zijn zwart. Die voorhoofdsknobbel is bij mannetjes heel opvallend. Ook hun poten zijn zwart. Hun ruglijn is sterk gebogen. Ze houden hun hals bijna altijd in een sierlijke S-vorm. Die hals heeft het grootste aantal halswervels van alle vogels (26). Ze houden hun kop altijd iets omlaag gebogen. Hun snavel is relatief breed. Mannetje en vrouwtje zijn volledig gelijk, alleen hebben de mannetjes in de lente een veel meer gezwollen knobbel en hun snavel is dan ook veel roder. Mannetjes hebben ook een zwaardere nek.handtekening.5

Rietgors

TVS_5634

Mijn eerste Rietgors man spot bij de Moerven in Huis ter heide.
De rietgors is een lid van de gorzenfamilie, zaadetende zangvogels van moerasgebieden met riet en struiken. Het verspreidingsgebied omvat een groot deel van Europa en Azië.

Kenmerken
Het mannetje is in het voorjaar en in de zomer duidelijk herkenbaar aan zijn pikzwarte kop, keel en bovenborst, een witte ‘sjaal’ en een vaalbruine rug met zwarte strepen. De vuilwitte onderzijde heeft een lichtgrijs gestreepte stuit. De flanken bevatten zwartrode strepen. De staart is bruinzwart met wit en de onderstaart is grijs. Het vrouwtje is bruin met een geelbruine onderzijde. Boven de ogen heeft ze een lichte oogstreep, verder zwartwitte baardstrepen en strepen op de stuit, borst en flanken.
TVS_5639Lengte: 15 cm
Spanwijdte: 21-26 cm
Gewicht: 15-22 g
In de winter mist de rietgors zijn zwarte kop en kan de vogel bij vluchtig kijken verward worden met de ijsgors of zelfs met een huismus.

Leefwijze
Vanaf een boom of struik in het rietland zingt hij zijn lied. Het voedsel bestaat uit slakken, rupsen en kevers, in de winter zaden.

Voortplanting
Het legsel bestaat uit drie tot vijf grijsblauwe tot roodbruine eieren met grijze ondervlekken en zwartbruine stippen, in een goed verborgen nest op de grond of in de struiken.

handtekening.5

Winterkoninkjes

aprilDe winterkoninkjes zijn druk in de weer in de tuin om hun broednestjes klaar te maken voor dit jaar.

Wij zien ze telkens in het kleine vogelhuisje allerlei broedmateriaal naar binnenbrengen, maar dat wil nog niet zeggen dat ze daar hun jonkies gaan grootbrengen.
Winterkoninkjes maken namelijk meerdere broednestjes om vijanden te misleiden.

Het is een klein gedrongen, zandbruin vogeltje van bijna tien centimeter met een opgewipt staartje. Zijn zang is helder, met vibrerende scherpe trillers.
De lichaamslengte bedraagt 9 tot 10 cm.

Winterkoninkjes eten voornamelijk insecten en spinnen.

Ze kunnen tot drie nesten per jaar hebben, met vijf à acht jongen per nest.
Deze nesten worden in het voorjaar door het mannetje gemaakt, in heggen, struiken en takkenbossen op een hoogte van ongeveer een meter boven de grond.
Hij maakt er meestal ook meerdere per territorium.

De winterkoning heeft zich aangepast aan zowel bosrijke als open gebieden zoals boomloze eilanden.
Verder broedt de vogel in parken en tuinen. Belangrijk is dat zich ergens dichte struwelen bevinden zoals heggen, braamstruiken of dichte vegetaties bij water.
De winterkoning is in Nederland en België een van de meest algemene vogelsoorten.
handtekening.5

Wilde Eenden

New Image Een koppel Wilde Eenden verbleef een paar dagen in een sloot langs ons huis.

De lengte bedraagt 51 tot 62 cm en de spanwijdte 91 tot 98 cm. Een volwassen eend weegt tussen de 700 en 1500 gram. Gemiddeld wordt een wilde eend vijftien jaar oud. De oudst bekende wilde eend werd negenentwintig jaar. De wilde eend is de stamouder van de gedomesticeerde tamme eend.

 

TVS_5421

Het mannetje (de woerd) is kleurrijk met een glanzend groene kop, een witte halsband, een kastanjebruine borst en gekrulde zwarte veren aan de staart. Het donkerbruine vrouwtje en de eendenkuikens (pullen) hebben een schutkleur. De woerd en het vrouwtje hebben één ding gemeen: de blauw-paarse vleugelspiegel. Sommige dieren zijn (gedeeltelijk) wit; door rasveredeling is de schutkleur vervangen door een geselecteerde kleur. De witte delen bij de volwassen dieren waren geel toen ze nog eendenkuiken waren.

Voedsel
Het voedsel bestaat uit allerlei soorten kleine visjes, slakken en wormen.

Voortplanting
Het vrouwtje bouwt een nest in het lange gras, in een knotwilg of in een holte. De acht tot tien vuilgroene eieren broedt ze uit in 4 weken tijd.

handtekening.5

Zwarte mees

zwartemees

Zwarte mees

Al enkele dagen is de Zwarte mees samen met de Sijsjes in de omgeving aanwezig bij de voederplaatsen.

De zwarte mees is een zangvogel uit de familie van echte mezen.

Kenmerken
Ze worden ongeveer elf centimeter groot, ongeveer even groot als de pimpelmees. De kop is relatief groot, er is geen zwarte buikstreep aanwezig zoals bij de koolmees. De zwarte mees heeft twee witte vleugelstrepen, een zwarte kruin en een witte wangvlek. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Levenswijze
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit spinnetjes en insecten, in de winter zaden van sparren, de mees foerageert ook wel in loofbomen. Nestelt in boomholen, rotsspleten, of nestkasten, maar ook in gaten in de grond.

handtekening.5

 

Sijs

TVS_4800

Vrouw

Sijs

De Sijs heb ik vorig jaar in onze omgeving niet tegengekomen, dit jaar weer gespot in de tuin, ze blijven meestal wel een paar dagen hier rondhangen

In de winter wordt de sijs regelmatig aangetroffen op vetbollen en netjes met pinda’s in de tuin. Sijzen opereren dan veelal in kleine troepjes, en gedragen zich enigszins als mezen: ondersteboven aan de vetbollen hangend. Ze zijn zo groot als een pimpelmees, maar veel duidelijker geelgroen gekleurd, vooral de volwassen mannetjes, die een zwarte kruin hebben. De vlucht is opvallend: gele vleugelstreep en gevorkte zwarte staart, met geel aan de zijden.

Volwassen mannetjes zijn geelgroen met een zwarte kruin en kin, de rug is geelgroen zwartgestreept. De buik heeft in tegenstelling tot de groenling een duidelijk onderbroken gestreept uiterlijk. De streep achter het oog en de stuit zijn geel. De gevorkte staart is zwart met geel aan zijden. De vleugel heeft een gele vleugelstreep.

TVS_4825

Man

Het volwassen vrouwtje is veel minder geelgroen en de onderzijde is lichter en meer gestreept, de kop heeft geen zwart.

Voedsel
De sijs zoekt voedsel op de mezenmanier, en hangt dikwijls ondersteboven. Hij slaapt soms ook zo. Hij eet zaden van naaldbomen, elzen, berken en andere bomen, knoppen en insecten.

Leefgebied en broedgedrag
In broedtijd naaldbossen met veel sparren, maar ook in gemengde bossen en parklandschap. In de winter vooral in elzen.

In goede voedseljaren (veel sparrenkegels) broedt de sijs in maart en april; in slechte jaren later, tot in juni.Het nest is gemaakt van fijne takjes, mos en haar zit hoog in naaldhout en is moeilijk te vinden. De broedduur bedraagt 11 – 13 dagen. Het vrouwtje broedt alleen en wordt door het mannetje gevoerd. Beide vogels verzorgen de jongen, die na 13 – 15 dagen het nest verlaten. Twee broedsels per jaar. Het legsel bestaat gewoonlijk uit 4 – 5 eieren. Lichtblauw met zeer veel fijne roodbruine stipjes en streepjes en een enkel donker vlekje. Gemiddeld 16 x 12 mm.

handtekening.5

Sperwer

jan.2

Sperwer

De Sperwer komt zo’n 2 maal per jaar langs voor voedsel, in ’t begin van het jaar en in ’t najaar zowel de man als de vrouw, deze keer was het weer de man.

Opvallend is de gele iris, net als de fijn gebandeerde borst en de dunne maar krachtige, gele poten. Sperwers hebben stompe vleugels met een relatief groot oppervlak.
De vleugels zijn veel breder dan van valken, waarvoor ze vaak worden aangezien.
Opvallend is het grote verschil in formaat tussen mannetje en vrouwtje.
Vrouwtjes zijn groter en zwaarder dan mannetjes en jagen op grotere prooien dan mannetjes.
De lengte van kop tot staart varieert van 28 tot 38 centimeter.
Zangvogels zijn de voornaamste prooi, met name huismus, vink, merel, spreeuw en mees.
Het vrouwtje vangt ook grotere prooien als de Turkse tortel. De sperwer jaagt vanuit dekking, of met een plotselinge, snelle vlucht in het voorbijgaan.

De sperwer bouwt ieder jaar hoog in de bomen een nieuw nest, waarin één tot zes, maar meestal vier of vijf eieren worden gelegd.
De sperwer is in Nederland en Vlaanderen geen zeldzame vogel meer.
Tussen 1965-1970 was het nog een uiterst schaarse broedvogel van bosgebieden op de zandgronden.
Daarna volgde een geleidelijk herstel.
In de oorspronkelijke broedgebieden nam het aantal toe en er volgde een uitbreiding van het broedareaal naar de laaggelegen gebieden in Nederland en Vlaanderen.
In Nederland broedt de sperwer nu zelfs al in grote steden. Rond 1990 werd een niveau bereikt dat daarna (in ieder geval tot 2007) niet opvallend hoger of lager werd.
Het aantal broedparen rond 2000 in Nederland wordt geschat op 4000 tot 5000 paar en in Vlaanderen op 1500 tot 2500 paar.

Bron Wikipedia handtekening.5

Buizerd

buizerd

 

Een Buizerd heeft een territorium bij ons Huis toegeëigend, heel mooi om te zien hoe de Buizerd op een paal toezicht houdt over het grasveld en in het gras zit te kijken naar muizengaatjes.

De roep van de buizerd klinkt als een gerekt klagend gemiauw. Wanneer men een nest nadert, beginnen de buizerds opgewonden en miauwend boven de boomkruinen te vliegen. Dit gedrag heet in vogelaarstaal ‘alarmeren’.

TVS_4095

Bij buizerds bestaat een grote kleurvariatie, er zijn erg donker gekleurde exemplaren terwijl er ook zijn met een bijna witte onderkant. Het bovengedeelte is effen, terwijl aan de onderkant verschillende dwarsbanden getekend zijn. De staart van een volwassen buizerd heeft naast de donkere eindband nog 8-10 smalle donkere dwarsbanden. De spanwijdte van de vleugels is ongeveer 113 tot 128 cm. De totale lengte van kop tot staart is ongeveer 51 tot 57 centimeter.

TVS_4088

Door de typische vlucht is de vogel gemakkelijk te herkennen; enkele vleugelslagen, kort zweven en dan weer een paar slagen. De buizerd is een uitgesproken langzame vlieger met zijn brede vleugels en de korte, brede staart. Vaak kan worden waargenomen dat een buizerd door een of meer kraaien, die in zekere zin zijn voedselconcurrenten zijn, wordt weggejaagd. De buizerd maakt ook graag gebruik van de thermiek. Op een mooie voorjaarsdag zijn vaak groepen buizerds te zien die zweven in de opstijgende warme lucht in een thermiekbel.

Een cirkelende buizerd is te herkennen aan de lange en brede vleugels en aan de relatief korte, breed gespreide staart. Mannetjes en vrouwtjes zijn alleen naast elkaar, bijvoorbeeld wanneer ze samen rondcirkelen te onderscheiden, waarbij het vrouwtje in de regel iets groter is dan het mannetje.
Wat voedsel betreft is de buizerd een flexibele vogel en een opportunist; hij eet wat voorhanden is. Vandaar ook z’n brede verspreiding. Veldmuizen, mollen of konijnen vormen vaak het hoofdvoedsel samen met kikkers en kleine vogels. Een buizerd kan als het nodig is snel overschakelen op een ander voedingspatroon: ook dieren als eekhoorns, hazelwormen, waterhoentjes, insecten, verschillende amfibieën of vissen zijn dan niet veilig. Ook eet hij wel aas, meestal verkeersslachtoffers. Als hij een prooi ziet vanaf zijn uitkijkpost laat de buizerd zich er als een baksteen op vallen. In de winter zitten ze ook vaak op de grond; dan eten ze regenwormen. Mensen worden zelden of nooit door buizerds aangevallen, behalve een enkele keer joggers. Zij worden dan mogelijk instinctief geïnterpreteerd als een indringer op de vlucht.

handtekening.5

Barbarie eend

zmuskusjpgBarbarie eend.

Een wandeling door de Dongewijck langs de Donge, kwam een Mooie Barbarie eend ons tegemoet gezwommen, wij gingen naar de waterkant om naar hem te bekijken de Barbarie eend kwam uit het water naar ons, een mooi vriendelijk beestje.

De muskuseend of barbarie eend (Cairina moschata) is een eendensoort die oorspronkelijk uit Midden- en Zuid-Amerika komt, uit een gebied dat zich uitstrekt van Mexico tot Peru.
Al in Zuid-Amerika werd de wilde muskuseend gedomesticeerd en bij huis gefokt voor het vlees.
In de 16e eeuw werden muskuseenden naar Europa gebracht door Spaanse ontdekkingsreizigers.
Deze gedomesticeerde muskuseenden worden ook tegenwoordig nog veel op (kinder)boerderijen gehouden.

Zmuskuseend.1000

De wilde muskuseend, die in Zuid-Amerika leeft, staat onder druk.
Hun leefgebied wordt steeds verder gecultiveerd, waardoor oude holle bomen verdwijnen, de voornaamste plaatsen waar ze hun nest maken.
De gedomesticeerde muskuseend die ook in Zuid-Amerika veel wordt gefokt, kruist zich nogal eens met hun wilde soortgenoten.
Hierdoor lijkt in gecultiveerd gebied de wilde muskuseend zeldzamer te worden.
In Europese en Amerikaanse watervogelcollecties is de wilde muskuseend bijna geheel verdwenen.
Economisch zijn ze niet interessant en door de siervogelliefhebber worden ze vaak erg groot gevonden.
Door enkele kwekers wordt getracht de in gevangenschap levende populatie wilde muskuseenden in stand te houden.
Gelukkig zijn er nog diverse paren waarmee succesvol wordt gefokt, allen (in)direct afkomstig uit hun oorspronkelijke leefgebied in Mexico en Brazilië.

handtekening.5

Buizerd

buizerd.1000.1

De Buizerd zat in een berkenboom op de uitkijk, maar daar waren 2 Eksters niet van gediend, ze probeerde de Buizerd weg te jagen maar die bleef heel rustig rond zitten kijken.

De buizerd (Buteo buteo) is een middelgrote tot grote roofvogel uit de familie van de havikachtigen (Accipitridae). De buizerd komt voor in het grootste gedeelte van Europa en delen van Azië. Hij is een standvogel die in hetzelfde gebied overwintert waar hij broedt, op de koudste gebieden en enkele ondersoorten na. De vogel jaagt gebruikelijk in open land, maar nestelt in bosranden. Normaal gesproken bestaat de prooi van een buizerd voornamelijk uit kleine zoogdieren, amfibieën (zoals kikkers) en kleine vogels, maar hij is bij gelegenheid ook aaseter.

buizerd.1000 Vanaf de laatste decennia van de 20e eeuw is het buizerdbestand in de Benelux verveelvoudigd ten opzichte van de jaren zestig, toen de vogel in door gebruik van pesticiden bijna uitgestorven was. In Nederland komt hij anno 2010 weer algemeen voor, met een stabiele stand van ruim 10.000 broedparen.
De roep van de buizerd klinkt als een gerekt klagend gemiauw. Wanneer men een nest nadert, beginnen de buizerds opgewonden en miauwend boven de boomkruinen te vliegen. Dit gedrag heet in vogelaarstaal ‘alarmeren’.

handtekening.5

Goudhaan

goudhaan Goudhaantje vloog samen met een groep Staartmeesjes mee, ik dacht eerst dat het een Winterkoninkje was tot dat ik door mijn cameralens keek. ze zijn moeilijk te fotograferen omdat ze geen minuut stil gaan zitten.

De goudhaan (meestal vanwege zijn formaat het goudhaantje genaamd) (Regulus regulus) is een zangvogel uit de familie van Reguliere.
Het goudhaantje wordt slechts 8,5 cm groot, bij een gewicht van 4 tot 7 gram. Daarmee is deze vogel, samen met het nauw verwante vuurgoudhaantje de kleinste Europese vogelsoort.

goudhaantje De vogel heeft een tere snavel met een neusopening, die bedekt is met veerborstels. Het bruingrijsgroene verenkleed is heel dicht, met een zwart omzoomde kruinstreep, die bij het mannetje meer oranje en bij het wijfje geel is.
Het met haren en veertjes beklede komvormige nest wordt aan de rand min of meer dichtgetrokken om de warmte binnen te houden. Het legsel bestaat uit 7 tot 11 witte, grijsgewolkte eitjes, die in 12 tot 16 dagen uitgebroed worden. Een goudhaan leeft gemiddeld 8 maanden en plant zich in deze korte tijd twee keer voort.

handtekening.5

Paddenstoelen

TVS_2908 Een serie van verschillende Paddenstoelen.

Onderdelen van een paddenstoel zijn:

hoed met het hymenium (vruchtbare, sporenproducerende laag)
steel
manchet, ring of annulus)
beurs
Er zijn paddenstoelen die bestaan uit al deze onderdelen, maar er zijn er ook waarbij één of meerdere onderdelen ontbreken, zoals de steel, manchet of beurs.

Het hymenium kan bestaan uit plaatjes (lamellen) of uit buisjes.

De hoed beschermt de sporendragers tegen weer en wind. Over de hoed zit in een jong stadium nog een gesloten vlies, het velum universale. Ook kan er nog een tweede vlies (het velum partiale) tegen de onderkant van de hoed zitten. Bij het rijper worden scheuren de vliezen en kunnen de sporen bij verdere rijping ontsnappen.

TVS_2900

Resten van het gescheurde velum universale zijn terug te vinden bovenop de hoed zoals bij de vliegenzwam en kunnen verschillende vormen hebben, plakjes, wratjes, pareltjes, naaldjes of vlokjes en aan de voet van de steel, dat dan een beurs genoemd wordt. Bij regen kunnen de resten op de hoed makkelijk wegspoelen.

Het gescheurde velum partiale vormt het manchet aan de steel.

De zwamvlok groeit soms in een ringvorm, zoals het geval is bij heksenkringen. Dit gebeurt als de oudere hyfen afsterven door autolyse of andere oorzaken. Omdat de oudere schimmeldraden vaak aan de binnenkant van het mycelium zitten, ontstaat een ringvorm.

TVS_2817

Paddestoelen als zwavelkopjes, inktzwammen, oesterzwammen en elfenbankjes voeden zich met afstervend hout en tasten geen gezond hout aan. Het gewoon meniezwammetje, dat vooral op dode takken voorkomt, kan ook levend hout aantasten. Deze zwam is te herkennen aan de vele oranjerode stippen op afgestorven takken. Ook de echte honingzwam groeit op zowel levend als afgestorven hout en wortels in loofbossen.

Ook grondpaddenstoelen leven van afgestorven materiaal. Als tuinen niet drastisch worden opgeruimd, kunnen vele soorten waargenomen worden.

Ook vochtig constructiehout in gebouwen kan door schimmels aangetast worden.

_DSC5274.1001

handtekening.5

Vliegenzwammen

TVS_2507

Altijd mooi als je Vliegenzwammen tegenkomt in de bossen, deze zijn gemaakt in Huis ter heiden.

De vliegenzwam (Amanita muscaria) is een opvallende paddenstoel, die algemeen voorkomt in de lage landen. Het eten ervan kan leiden tot vergiftigingsverschijnselen, maar de ernst hiervan valt meestal mee.

Voorkomen
Vliegenzwammen groeien veelal in loofbossen, in nauwe associatie (symbiose) met berk, tamme kastanje, eik, beuk, ook wel met den en spar. Ze vormen een ectomycorrhiza, wat betekent dat het mycelium niet binnendringt in de wortels van de boom, maar de haarwortels aan de buitenkant omgeeft.

TVS_2749

Kenmerken
De bekendste verschijningsvorm van de vliegenzwam is een donkerrode hoed met witte stippen. De witte stippen zijn restanten van het algeheel omhulsel (velum universale) waarin de paddenstoel ‘opgesloten’ zat, voordat hij uit de grond omhoog kwam. Deze spoelen bij regenachtig weer vrij snel van de hoed. De kleur van de hoed is echter variabel en kan variëren van rood tot oranje met gele tinten. De eerste foto in de fotogalerij hieronder geeft een idee van de variatie in kleur bij vliegenzwammen.

De hoed wordt 5–15 cm breed. Het vlees, de plaatjes en de sporen zijn wit. De sporen zijn elliptisch van vorm (9-12 µm bij 6-9 µm) en niet amyloïd. Op de witte steel zit meestal een duidelijke ring en aan de onderkant een (vlokkige) beurs. Vliegenzwammen kunnen voorkomen vanaf juli tot en met de late herfst, met een hoogtepunt rond eind augustus.nbsp;

handtekening.5