Merry Christmas and Happy new Year.
Aan al mijn trouwe lezers en bezoekers van mijn websites.
zoomm.nl en mijn-natuur.nl
Tonnie en Fons Verheijden
Oude Leij-De Donge in de avondzon
De Donge, in de zestiende eeuw Dongh Aa genoemd, ontstaat ten oosten van Baarle-Nassau uit enkele kleine stroompjes en heet dan Leij. Het riviertje loopt langs Alphen en Riel, en stroomt als Oude Leij Tilburg binnen. Vanaf de Bredaseweg (bij Dongewijk) heet het riviertje De Donge.
De Donge loopt vandaar verder noordwestwaarts via Dongen naar Geertruidenberg, en mondt daar uit in de Amer. Aan het eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn de boven- en benedenloop van het riviertje van elkaar gescheiden, waardoor de bovenloop sindsdien ten westen van de Reeshof via een brede afvoersloot rechtstreeks afwatert op het Wilhelminakanaal. Inmiddels is het in de Reeshof gelegen deel weer veranderd in een meanderende stroom (Dongevallei).
Bron:Tilburg Wiki – Foto’s Tonnie Verheijden
Vandaag een zonnige dag een mooie wandeling gemaakt over de Vrachelse heide in Oosterhout.
De Vrachelse Heide is een voormalig heide– en stuifzandgebied in de gemeente Oosterhout in de provincie Noord-Brabant. Het is gelegen ten zuidwesten van Oosterhout tussen de Zandwinplas en de Warandeplas. Het is tegenwoordig grotendeels beplant met grove den. De Vrachelse Heide is 149 ha groot en eigendom van Defensie.
Het gebied bestaat overwegend uit naaldbos met hier en daar resten heide- en stuifzandgebied. Alleen het oostelijk deel heeft zijn oorspronkelijk reliëf goed bewaard. Daar is ook meer gemengd bos te vinden en is eikenstruweel aanwezig. Dit is vroeger door boeren aangeplant om het stuifzand te beteugelen en ten behoeve van geriefhout. Dit bevindt zich op de hoogste stuifzandruggen. Er komen een aantal min of meer zeldzame planten- en diersoorten voor zoals grasklokje, heidespurrie, rode bosmier, mierenleeuw, bruin zandoogje, groene specht, zwarte specht, sperwer, boomvalk, havik, steenuil, ransuil, gekraagde roodstaart en bonte vliegenvanger.
Regenboog boven de heide,tijdens de Landelijke Natuurwerkdag in de Gaas verscheen er een prachtige dubbele Regenboog.
Een regenboog is een gekleurde cirkelboog die aan de hemel waargenomen kan worden als de (laagstaande) zon tegen een nevel van waterdruppeltjes aanschijnt en de zon zich achter de waarnemer bevindt. Het is een optisch effect dat wordt veroorzaakt door de breking en weerspiegeling van licht in de waterdruppels.
De regenboog is altijd recht tegenover de zon te zien, dus met de zon in de rug van de waarnemer. Dit komt door de weerkaatsing van het licht in de waterdruppels. De waarnemer staat op één lijn met de zon en het middelpunt van de regenboog. De plaats van de regenboog is daarmee voor iedere positie van een waarnemer verschillend.
Soms is door dubbele terugkaatsing van het zonlicht in de druppels buiten de gewone regenboog nog een tweede, zwakkere bijregenboog te zien. De kleuren in deze secundaire regenboog staan in omgekeerde volgorde ten opzichte van die in de hoofd- of primaire regenboog en de kleurenband is breder. De primaire en secundaire boog worden tezamen veelal aangeduid als een “dubbele regenboog”. Tussen de beide bogen is de hemel donker in de zogenaamde donkere band van Alexander genoemd naar de Griekse filosoof Alexander van Aphrodisias (rond 200 n. Chr) die dit verschijnsel als eerste beschreef.
Vliegenzwammen groeien veelal in loofbossen, in nauwe associatie (symbiose) met berk, tamme kastanje, eik, beuk, ook wel met den en spar. Ze vormen een ectomycorrhiza, wat betekent dat het mycelium niet binnendringt in de wortels van de boom, maar de haarwortels aan de buitenkant omgeeft.
Kenmerken
De bekendste verschijningsvorm van de vliegenzwam is een donkerrode hoed met witte stippen. De witte stippen zijn restanten van het algeheel omhulsel (velum universale) waarin de paddenstoel ‘opgesloten’ zat, voordat hij uit de grond omhoog kwam. Deze spoelen bij regenachtig weer vrij snel van de hoed. De kleur van de hoed is echter variabel en kan variëren van rood tot oranje met gele tinten. De eerste foto in de fotogalerij hieronder geeft een idee van de variatie in kleur bij vliegenzwammen. Vliegenzwammen kunnen voorkomen vanaf juli tot en met de late herfst, met een hoogtepunt rond eind augustus.
Het is onze omgeving nog flink zoeken naar paddenstoelen dit was gisteren de enige die ik bij de oude leij tegenkwam.
De melksteel mycena heeft een kegel- tot klokvormige hoed van 1-2 cm breed. De hoed is wit en fijn gestreept door de lamellen, die enigszins door de hoed heen zichtbaar zijn. De lamellen zijn wit, staan breed uiteen en zijn aangehecht. De tot 8 cm hoge steel is slank (2-3 mm), glad en licht van kleur. Bij beschadiging scheidt de steel een wit melksap af, wat de soort zijn naam heeft gegeven.
Altijd mooi om de zien als een Torenvalk ziet vliegen boven je gebied.
Een volwassen exemplaar is 30 tot 38 centimeter groot.Het mannetje heeft een grijsblauwe kop en nek, een roodbruine rug en vleugels met donkere vlekken. De staart is blauwachtig grijs en heeft een zwarte eindband. Het vrouwtje is identiek aan het mannetje, maar heeft een bruine kop en nek, dwarsbandjes op de rug en vleugels en een bruine staart.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine zoogdieren en insecten, bijvoorbeeld muizen en kevers. Torenvalken zijn in staat urinesporen van muizen te detecteren. Hierdoor kunnen ze snel populaties van muizen vinden en bejagen.
Ze bouwen zelf geen nest, maar kiezen vaak een oud kraaiennest als nestplaats. Ook gebruiken ze graag nestkasten waar ze zicht hebben op een open ruimte waar ze kunnen speuren naar voedsel. Het legsel bestaat uit vier tot negen witte, rode of geelgrijze eieren.
Het hazenpootje (Coprinopsis lagopus) is een paddenstoel uit de familie Psathyrellaceae. De smalle capsule-vormige hoed van jonge exemplaren van de hazenpootinktzwam is dicht bezet met witte haren, die niet opvallen als de hoed nat is. Bij rijpheid, slechts enkele uren later, is de hoed vrijwel kaal, in het midden vlak uitgespreid en de rand is sterk naar boven en naar binnen gekruld. Als de sporen rijp worden vervloeien de plaatjes tot een zwarte “inkt”, net als bij andere “inktzwammen”. Hij komt voor op houtafval in bossen over de hele wereld en in stedelijke gebieden. Soms lijkt hij op aarde te groeien, maar die blijkt dan altijd rijk aan weinig verteerde houtresten. De zwamvlok bevindt zich in vochtig dood loofhout, bijvoorbeeld in houtsnippers in plantsoenen, en leeft dus als saprofiet.
De hazenpootinktzwam is een saprofyt die leeft van dood, niet al te sterk verteerd hout in bossen en stedelijke gebieden. Hij staat op zichzelf of in kleinere groepen. Hij verschijnt afhankelijk van vochtigheid en temperatuur op verschillende tijden van het jaar, in Groot-Brittannië van mei tot november, in mediterrane gebieden in de winter. De paddenstoelen komen voor in sterk uiteenlopende formaten van minder dan 1 cm tot meer dan 10 cm hoog. Een individuele paddenstoel verschijnt, groeit uit en vervloeit in minder dan een dag.
De Hoornaar kwam elke dag voor zijn fruithapje.
De hoornaar of paardenwesp (Vespa crabro) is een vliesvleugelig insect uit de familie plooivleugelwespen (Vespidae). De hoornaar behoort tot de echte wespen of papierwespen (Vespinae) en is een van de bekendere soorten wespen in Europa.
De hoornaar kan tot 3,5 centimeter lang worden en is hiermee de grootste wespachtige van België en Nederland. Daarnaast komt de wesp voor in delen van Azië en is door de mens uitgezet in Noord-Amerika. Behalve door indrukwekkende afmetingen valt de hoornaar op door zijn roodbruine kop en borststuk en het duidelijk hoorbare, zoemende vlieggeluid. De soort komt niet in grote aantallen voor in België en Nederland, maar is ook weer geen zeldzaamheid. De hoornaar is vooral aan te treffen in het oosten van Nederland. De hoornaar wordt meer dan twee keer zo groot als de meeste andere wespen zoals die uit het geslacht Vespula. Ondanks de indrukwekkende lichaamsgrootte en het luide gezoem is de hoornaar beduidend minder agressief in vergelijking met andere wespen.
De steek van de hoornaar is pijnlijker dan de steek van een honingbij maar het gif is minder krachtig. Hoornaars gebruiken het gif om insecten te doden die zij vervolgens met de kaken vermalen tot een papje en aan de larven voeren. De larven geven op hun beurt een zoete vloeistof af aan de werksters die de suikers gebruiken als brandstof om te kunnen vliegen en zo nog meer insecten te vangen.
Het nest wordt gemaakt van cellulosevezels die van bomen worden geknaagd. Het nest is bolvormig en bestaat uit meerdere raten. In het nest van de hoornaar is geen honing aanwezig zoals bij de ver verwante honingbij het geval is.
Boomblauwtjes vliegen langs de bomen in de Gaas en gaan op zoek naar bloemetjes voor nectar.
Het boomblauwtje (Celastrina argiolus) is een vlinder uit de familie Lycaenidae, de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes.
De wetenschappelijke naam argiolus is een verkleinwoord van argus en verwijst ernaar dat de soort kleiner is dan het heideblauwtje (Plebejus argus).
De voorvleugellengte van de vlinder bedraagt tussen de 13 en 16 millimeter.
De vleugels van mannetjes zijn aan de bovenzijde vrijwel geheel fel lichtblauw met een smalle zwarte rand, terwijl de vrouwtjes een brede zwarte band langs de voorvleugels hebben. De franje is wit, bij de voorvleugel zijn er enkele zwarte onderbrekingen. De vlinder is met name goed te herkennen aan de zilverwitte tot lichtblauwe onderzijde van de vleugel waarop zwarte stippen te zien zijn. Verder vliegt deze vlinder niet of nauwelijks dicht bij de grond (beneden 50 cm hoogte), dit in tegenstelling tot vele andere blauwtjes.
Het eitje is klein een afgeplat wittig bolletje en heeft een honingraatstructuur. Eitjes zijn bijzonder lastig te vinden.
De rups is geelachtig groen, met een variabele rode tekening, al dan niet met rozewit, langs de rand en als rugstreep. Deze tekening ontbreekt echter vaak. Het lichaam is bedekt met korte witte haartjes. De kop is zwartbruin. De rups wordt 14 tot 17 mm lang.
De waardplanten van de vlinder zijn diverse struiken, onder andere klimop, hulst, vlinderstruik, struikhei, vuilboom, kornoelje, grote kattenstaart, wegedoorn en kardinaalsmuts. De eitjes worden afzonderlijk afgezet hoog in de waardplant, aan de basis van bloemknoppen of bij jonge vruchten. Er is een voorkeur voor grotere planten die in de zon staan. Het vrouwtje zet soms ook eitjes af op planten die ongeschikt zijn. De rups overleeft niet op sneeuwbes en op bijvoorbeeld blauwe regen kan hij niet volgroeid raken, omdat de bloemen te snel afvallen en geen vrucht vormen. In verschillende generaties worden verschillende waardplanten gebruikt. In het voorjaar worden vooral hulst en sporkehout gebruikt, in de zomer vooral klimop, grote kattenstaart, struikhei en vlinderstruik.

Icarusblauwtje vloog langs de bosrand in de Gaas altijd mooi om de blauwe kleur te zien.
Veel Icarusblauwtje-vrouwtjes zijn van boven bruingekleurd met oranje vlekjes. Daardoor worden deze vrouwtjes soms aangezien voor bruin blauwtjes. De mannetjes zijn aan de bovenzijde egaal blauw.
Verspreiding
Het Icarusblauwtje komt algemeen voor in heel Europa, op droge schrale graslanden tot matig vochtige steppe. Ook in Nederland en België is de vlinder zeer algemeen. In 2005 is de soort voor het eerst ook in Noord-Amerika gevonden, in de buurt van Mirabel in de Canadese provincie Quebec.
De vliegtijd is van april tot en met oktober. De rups overwintert, meestal het derde rups stadium.
Waarnemingen van feitelijke ei-afzetting zijn vrij zeldzaam. De eitjes worden tussen de bovenste bladeren op de jonge nog niet bloeiende planten van gewone rolklaver afgezet.
De Paardenbijter is ook weer aanwezig in de tuin toevallig ging hij even zitten, ze zijn heel moeilijk te fotograferen ze vliegen met snelle bewegingen op en neer om insecten te vangen.
De paardenbijter bijt geen paarden, maar dankt zijn naam aan het feit dat hij vaak jaagt op insecten die zich dicht bij het lijf van dieren of mensen ophouden, waardoor het lijkt of hij ze bijt.
De paardenbijter vliegt laat: van begin juli tot in november, met de grootste aantallen in augustus en september. Paardenbijters zijn vooral in de middag actief, op warme avonden zelfs tot diep in de schemering.
De levenscyclus duurt een jaar, mogelijk soms twee jaar. De (eerste) winter wordt doorgebracht als ei. De larven leven in allerlei stilstaande en langzaam stromende, vaak voedselrijke en niet zure wateren. Ze houden zich op in de oeverzone of in verlandingsvegetatie, tussen plantenstengels en dood plantenmateriaal. De larve kan zich ook ontwikkelen onder licht brakke omstandigheden. Het uitsluipen gebeurt gedurende een lange periode van eind juni tot eind september. Imago’s worden vaak in groepen aangetroffen, jagend langs bosranden op boomkruinhoogte. De mannetjes vertonen territoriaal gedrag langs de waterkant, maar zijn minder agressief dan andere glazenmakers. De eitjes worden door het vrouwtje afgezet in allerlei levende en dode plantendelen.
In Nederland plant de paardenbijter zich voort in allerlei typen stilstaand water, waaronder kleine en middelgrote plassen, poelen, tuinvijvers en sloten. De voorkeur gaat uit naar wateren met een goed ontwikkelde oevervegetatie. De larven kunnen zich zelfs ontwikkelen in brak water. In het buitenland is de soort ook aangetroffen bij zwakstromend water.[2][3]
Melkwitte zomervlinder, Op de raam zat een klein Melkwitte zomervlindertje, een nachtvlinder dat kun je zien aan zijn veren antennes.
De voorvleugellengte bedraagt tussen de 11 en 13 millimeter. De kleur van de vleugels is aanvankelijk bleekgroen, maar al snel bleekt het groen weg en is de vlinder vooral melkwit. Zowel op de voorvleugel als op de achtervleugel bevinden zich twee witte dwarslijnen, die ook bij uitgebleekte exemplaren in het algemeen zichtbaar zijn.
De melkwitte zomervlinder gebruikt berk, eik en bosbes als waardplanten.
De soort komt verspreid over het Palearctisch gebied voor. Hij overwintert als pop.
De melkwitte zomervlinder is in Nederland en België een algemene soort, die verspreid over het hele gebied kan worden gezien, in Nederland vooral op de zandgronden en in de duinen. De vlinder kent jaarlijks een of twee generaties die vliegen van halverwege april tot halverwege augustus.
De jonge Groene Specht landen in een kale berk naast ons huis, het is weer een tijdje geleden dat ik hem in onze omgeving had gespot
De groene Specht is 31 tot 34 cm groot en 160 tot 250 gram zwaar. De groene specht is olijfgroen van boven en licht grijsgroen van onder, hij is zwart in zijn gezicht en het mannetje heeft een rode wangvlek, is rood boven op de kop en in de nek, geel op de borst, in de oorstreek, de kin en de keel witachtig. De vleugelveren zijn bruinzwart, gelig of bruinwit gevlekt, de stuurveren zijn groengrijs en zwart geband; de ogen zijn blauwwit en de poten en snavel zijn loodgrijs. Hij beweegt zich gemakkelijker op de grond voort dan de meeste andere spechten. Deze specht roffelt weinig, maar heeft een luide lach. Vrouwtjes hebben een zwarte streep onder het oog, die baardstreep wordt genoemd. Bij mannetjes is deze rood en zwart omzoomd.
Het voedsel van de groene specht bestaat uit grote mieren, vooral rode mieren maar ook uit andere insecten en bessen. De tong kan tot 10 cm buiten de snavelpunt worden uitgestoken, zo kunnen larven en cocons van mieren uit hun nest gelikt worden. Het uiteinde is daartoe verbreed en plat en heeft haakvormige uitsteeksels. Een speekselklier houdt de tong kleverig.