Goudhaan

Goudhaantje in de Gaas.

Het goudhaantje wordt slechts 8,5 cm groot, bij een gewicht van 4 tot 7 gram. Daarmee is deze vogel, samen met het nauw verwante vuurgoudhaantje de kleinste Europese vogelsoort.

De vogel heeft een tere snavel met een neusopening die bedekt is met veerborstels. Het bruingrijsgroene verenkleed is heel dicht met een zwart omzoomde kruinstreep, die bij het mannetje meer oranje en bij het wijfje geel is.

Een goudhaantje is monogaam en na een jaar geslachtsrijp. Het vrouwtje kan tweemaal per jaar een legsel produceren, dat bestaat uit 7 tot 11 witte, grijsgewolkte eitjes, die in 12 tot 16 dagen uitgebroed worden. Het met haren en veertjes beklede komvormige nest wordt aan de rand min of meer dichtgetrokken om de warmte binnen te houden. Verreweg de meeste jongen halen de geslachtsrijpe leeftijd niet: jaarlijks sterft 80% en daardoor wordt een goudhaan gemiddeld slechts 8 maanden oud. De hoogste gerapporteerde leeftijd betrof een exemplaar dat dood gevonden werd in Marokko 7 jaar en 7 maanden nadat hij geringd was in Winchester.

Het goudhaantje is een broedvogel van gemengd loof- en naaldbos, met een voorkeur voor sparrenbos. Het is een trekvogel, die overwintert in Zuid-Europa.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Staartmeesje

De staartmezen zie je weleens in de wintermaanden samen met de koolmezen in de Gaas.

De staartmees is een zangvogel uit de familie staartmezen. Hij behoort niet tot de familie van echte mezen; staartmezen vormen een eigen familie.

Een volwassen staartmees heeft een totale lengte van 13 tot 16 centimeter, inclusief de lange, smalle staart van 6 tot 10 centimeter. De vleugelspanwijdte is 16 tot 19 centimeter, wat relatief klein is voor een zangvogel. Hij heeft een rond lichaam, een korte, stompe snavel en lange, slanke poten. De donkere ogen zijn bij sommige vogels omrand met een felgekleurde oogring.

De staartmees dankt zijn pluizig uiterlijk aan zijn veren die hij meestal opgezet heeft. Het verenkleed aan de bovenzijde is zwart en wit en aan de onderzijde wit. Veel ondersoorten hebben bovendien roze en/of grijze tinten over het hele verenkleed. Over de gehele lengte van de staart loopt een witte streep. Er bestaan veel geografische variaties in het kleurpatroon en sommige ondersoorten als A. c. caudatus en A. c. japonicus hebben een geheel witte kop, terwijl andere soorten een grijze tekening op de kop hebben. In gebieden als Noord-Europa krijgen koppels van verschillende ondersoorten regelmatig gemengd gekleurde nakomelingen.

Het kleed van geslachten is gelijk. Jonge vogels ondergaan voor hun eerste winter een complete rui die leidt tot het volwassen verenpak.

Staartmezen leven doorgaans in groepen met een hechte sociale structuur. De grenzen van hun voedselterritorium worden door de groep verdedigd tegen soortgenoten. Buiten het broedseizoen vormen staartmezen groepen van drie tot zestig vogels.

In het voorjaar bakenen de staartmezen hun territorium af en trachten ze indringers buiten te houden. Als ramen (of autospiegels) een spiegelbeeld weerkaatsen, is het mogelijk dat staartmezen wekenlang gedurende lange tijd tegen het raam komen fladderen of pikken om de vermeende indringer af te houden.

Bron Wikipedia   foto Tonnie Verheijden

Grote bonte Specht

De Grote bonte Specht is druk bezig in de Gaas.

De grote bonte specht is met een lengte van 20 tot 26 cm en een gewicht van 60 tot 110 gram een vrij grote vogel, die bovenop zwart is en wit van onder. Hij heeft grote, ovale witte schoudervlekken en een rode anaalstreek. De ogen zijn bruinrood, de snavel en de poten zijn grijs. Het mannetje heeft een rode vlek op het achterhoofd, het vrouwtje heeft een geheel zwarte kruin. Juveniele vogels hebben een geheel rode kruin en een roze anaalstreek en lijken daardoor op de middelste bonte specht. Vaak hebben jonge vogels nog gebandeerde schoudervlekken.

Hij voedt zich met insecten, vooral met de larven van kevers die zich onder de bast van naaldbomen ingraven, maar hij eet ook noten, bessen en zaden van naaldbomen. Hij hakt vaak een gat in een boom om daar de dennenappel in vast te klemmen. Dit noemt men een spechtensmidse. Als de kans zich voordoet eet hij jonge vogels.
Vijanden
De grote bonte specht heeft een heel bijzondere vijand: de halsbandparkiet – oorspronkelijk uit India maar als ontsnapte kooivogel nu onder andere gevestigd in Nederland – verjaagt de dieren uit hun nestholen. Er is echter nog geen bewijs dat de halsbandparkiet negatieve invloed heeft op de populatie van de grote bonte specht. De grote bonte specht is de laatste jaren in aantal alleen maar toegenomen.

De grote bonte specht hakt zijn nest het liefst uit wat zachtere houtsoorten en begint een aantal verschillende gaten te hakken voor hij er een uitkiest om te nestelen. Nestkastjes hebben bij deze vogels geen nut omdat het maken van een nest een onderdeel is van het baltsgedrag. Het wijfje legt 4 à 6 witte eieren.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Gewone Zwavelkopje

Zwavelkopjes in de Gaas.

De gewone zwavelkop (Hypholoma fasciculare, synoniem Psilocybe fascicularis) of het dwergzwavelkopje is een giftige paddenstoel die tot de familie Strophariaceae behoort.

De kleur van de gewone zwavelkop is zwavelgeel met oranjebruin centrum en vaak met bleekgele tot donkerbruine vlies stukjes (velumresten) aan de rand. De plaatjes die aan de onderkant van de hoed zitten zijn geelgroenig en bij het ouder worden donkerbruin. De tot 10 cm lange en nauwelijks 1 cm brede steel van de paddenstoel is zwavelgeel met een zwakke ringzone en aan de voet oranjebruin. De hoed heeft een doorsnede van 2-6 cm. De sporen zijn purperbruin van kleur.

De paddenstoel is in Nederland zeer algemeen en groeit in dichte groepen aan de voet van loof- of naaldbomen in bossen of plantsoenen

De gewone zwavelkop smaakt zeer bitter en is zeer giftig.

Bron: Wikipeda  foto: Tonnie Verheijden

Gaai

Er zijn weer volop Gaaien aanwezig in de Gaas.

De gaai is 32 tot 35 cm lang. De nominaatvorm van de vogel, die onder andere in de Benelux voorkomt, is overwegend grijsbruin met een roze tint. De keel, onderbuik, anaalstreek, de stuit en een gedeelte van de handpennen zijn wit. Kenmerkend zijn een brede zwarte snorstreep en een blauw vleugelveld dat bestaat uit lichtblauwe veertjes met daarin een fijne, zwarte bandering. De vogel kan bij opwinding de kruinveren opzetten, deze zijn afwisselend licht van kleur met zwart.

Voedsel vindt de gaai in bomen en struiken, in de lucht en op de grond; het betreft een breed spectrum van dierlijk en plantaardig dieet: insecten en ongewervelden (waaronder veel plaagdieren), eikels, beukennootjes, hazelnoten en andere zaden en noten, vruchten als bramen, kersen, frambozen en lijsterbessen. Ook kleine of jonge zangvogels en eieren behoren tot het dieet, evenals kleine knaagdieren. Met de sterke snavel hakt de gaai gaten in harde omhulsels als slakkenhuizen, notendoppen en eierschalen en doorwoelt hij bodem, dierenpoep en menselijk afval.

De eik is afhankelijk van de gaai voor het verspreiden van eikels: de gaai vervoert ze in zijn keel en tussen zijn snavel naar plaatsen met een zachte ondergrond, waarna hij ze in de aarde duwt. Zo legt hij een wintervoorraad aan. Hij vergeet alleen een aantal plekjes. Wat niet teruggevonden wordt, kan uitgroeien tot een nieuwe eik. Om deze reden wordt de gaai ook wel ‘de grootste bosbouwer’ genoemd. De Duitse naam voor de gaai (Eichelhäher) typeert het gedrag. De wetenschappelijke naam Garrulus glandarius valt vrij te vertalen als voortdurend krassende eikelzoeker.

Bron wikipedia – foto Tonnie Verheijden

Blauwe uur

Het blauwe uur in de Gaas.

Het blauwe uur is de benaming voor het verschijnsel dat ’s ochtends, het uur voor zonsopkomst en ’s avonds, net na zonsondergang bij bepaalde omstandigheden de lucht en de omgeving een blauwe kleur aannemen. Het blauwe uur is een onderdeel van de schemering en duurt meestal slechts een tiental minuten. De naam is ontstaan uit het Frans: l’heure bleue.

De periode moet niet verward worden met het “gouden uur” genoemd naar de Engelse term golden hour (ook wel magic hour). Dat is namelijk het uur na zonsopkomst of voor zonsondergang; het licht heeft dan een warme, goudachtige kleur.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Rijp in de Gaas

Een prachtige ochtend in de Gaas met Rijp op de Heide

Rijp of rijm is een witte aanslag die soms op gras, struiken en voorwerpen als daken, hekken en auto’s wordt aangetroffen. Deze ontstaat bij temperaturen onder nul door de overgang van waterdamp in ijs.IJskristallen op een grafsteen in Wedde, Groningen

Rijp ontstaat bij voorkeur tijdens een rustige, heldere nacht op voorwerpen, die snel warmte verliezen door uitstraling naar de ruimte. Zodra de temperatuur van het voorwerp onder het vriespunt daalt, gaat de waterdamp direct over in ijskristalletjes, bv. op het raam van buiten geparkeerde auto’s na een koude winternacht. Dit proces heet (ver)rijpen of desublimeren.

Rijp kan ook ontstaan doordat de waterdamp bij afkoeling eerst als dauw neerslaat en daarna bevriest. Dit wordt rijm genoemd.
Rijp heeft een kristallijne structuur, meestal in de vorm van naaldenschubbenwaaiers of veren, afhankelijk van de vochtigheid van de lucht, de temperatuur, de warmtecapaciteit en warmtegeleiding van het voorwerp en de temperatuur en beweging van de lucht.

Rijp kan ook ontstaan door capillaire werking, vooral in het geval van planten of grond. In dit geval onttrekt een ijskristal water uit kleine kanaaltjes, waardoor het ijskristal van binnenuit aangroeit.

Bron Wikipedia – foto Tonnie Verheijden

Mist in de Gaas

Mist is een weersverschijnsel waarbij kleine waterdruppeltjes in de lucht zweven als een aerosol, wat het zicht beperkt.

Mist kan zich vormen door afkoeling van zeer vochtige lucht (tot onder het dauwpunt) of door menging van koude met warme vochtige lucht. De vorming van mist hangt af van veel factoren, zoals luchtvervuiling, begroeiing, reliëf en de nabijheid van open water.Hoogbouw in de mist.

Mist kan ontstaan door afkoeling rond zonsondergang of vaak pas tegen zonsopkomst en vormt zich het eerst boven een weiland, waarschijnlijk in de buurt van een sloot waar de lucht vochtig is. Mistbanken die de weg opdrijven, lossen daar in eerste instantie op door luchtbeweging en warmte van het verkeer. De mistvrije “tunnel” kan op sommige weggedeelten een tijdje standhouden, maar op andere plaatsen blijven de mistbanken hangen. Zo’n situatie, met grote verschillen in zicht, is gevaarlijk voor verkeer dat pas in de mist snelheid mindert.

Grondmist of laaghangende mist is mist beneden ooghoogte. Deze ontstaat doordat de temperatuur aan de grond lager is dan op ooghoogte waardoor er hier sneller mist ontstaat.

Een mistbank, mistsliert of mistflarden is recent ontstane mist die door een zwakke wind van plaats verandert en hierdoor geen geheel vormt. Het zicht in een gebied met mistbanken is daarom zeer variabel. Dit kan verraderlijk zijn voor het verkeer, daar het onmogelijk is om te voorspellen waar deze mistbanken kunnen opduiken. In Noord- en Oost-Nederland worden ze ook weleens witte wieven genoemd.

Bron Wikipedia Foto’s Tonnie Verheijden

Geschubde inktzwam

Inktzwammen in de Gaas.

De geschubde inktzwam (Coprinus comatus) is een van de meest voorkomende van de honderd soorten inktzwammen (Coprinus) die in België (en Nederland) voorkomen. De geschubde inktzwam is een nematofage (nematoden etende) schimmel.

Van mei tot in november is de geschubde inktzwam vaak in groepen te vinden op grond die pas is omgewerkt op akkers, weilanden, parken en wegbermen. Ook in de stad is deze paddenstoel veel gezien op bemest gras.

Een jonge geschubde inktzwam smaakt uitstekend, maar moet wel direct na het plukken verwerkt worden. De zwam is niet meer eetbaar wanneer vervloeiing of verkleuring optreedt. Verwisseling kan voorkomen met de kale inktzwam (Coprinus atramentarius), die giftig is indien alcohol twee dagen voor of na consumptie wordt gebruikt.

Bron Wikipedia – Foto Tonnie Verheijden

Kleine Vuurvlinders

Deze kleine Vuurvlinders waren in oktober van dit jaar nog voor nageslacht aan het zorgen voor het volgend jaar in de Gaas.

De bovenzijde van de voorvleugel is oranje met onregelmatige zwarte vlekken en een bruine rand. Aan de onderzijde is de tekening vergelijkbaar, maar met een licht grijsbruine bruine rand en lichter oranje. De achtervleugel is aan de bovenzijde bruin met wat zwarte vlekken en een oranje veld bij de achterrand. De onderzijde is licht grijsbruin en heeft een heel onduidelijke tekening: hieraan is de soort in Europa gemakkelijk van andere vuurvlinders te onderscheiden. Bij sommige ondersoorten buiten Europa is echter een duidelijke oranje band langs de achterrand van de vleugel te herkennen.

Het verschil tussen de mannelijke en vrouwelijke exemplaren is niet zo groot: aan de onderzijde zijn de zwarte vlekjes op de voorvleugel van het vrouwtje groter en meer ongeordend.

In zeer kleine aantallen worden exemplaren waargenomen met een lichtgele of witte in plaats van het oranje tekening.

Met een voorvleugellengte van rond de 13 millimeter is de kleine vuurvlinder een vrij kleine vlinder.

De kleine vuurvlinder komt in heel het Palearctisch gebied algemeen voor. Ook in het Nearctisch gebied en in oostelijk Afrika komt de vlinder voor. De soort vliegt tot een hoogte van 2400 meter in berggebied. Hij komt ook boven de poolcirkel nog voor. De habitat bestaat vooral uit open gebieden, met name schrale graslanden en duinen en heide, maar de soort wordt ook in tuinen en wegbermen waargenomen.

De vliegtijd in Nederland en België is van maart tot en met oktober, in twee of drie jaarlijkse generaties. De grootste aantallen vlinders worden gezien in augustus en september.

Gele Trilzwam

Gele Trilzwam,

De Gele Trilzwam kom je regelmatig tegen in de Gaas.

De gele trilzwam is het gehele jaar door, maar vooral in voorjaar en late herfst, te vinden op takken van loofbomen en struiken. De soort is algemeen in België en Nederland.

Het vruchtlichaam heeft een doorsnede van 1 tot 5 cm en is onregelmatig hersenachtig geplooid. Het komt tevoorschijn uit spleten in boomschors en is eerst geel en later bleekgeel gekleurd. In droge toestand verandert de substantie van geleiachtig tot kraakbeenachtig taai en wordt ook donkerder van kleur.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Witkop staartmeesje

De staartmeesje kom je weer tegen in de Gaas dit keer weer een Witkop staartmeesje.

De staartmees (Aegithalos caudatus) is een zangvogel uit de familie staartmezen (Aegithalidae). Hij behoort niet tot de familie van echte mezen (Paridae); staartmezen vormen een eigen familie. Ze worden ongeveer 14 cm groot (daarvan neemt zijn staart 7 cm in beslag), ongeveer even groot als de koolmees. De staartmees komt voor in bosrijke omgevingen, in struikgewas, op bouwland en soms in parken en tuinen. Ze leven in groepen van 20 tot 60 individuen. Ze bouwen bolvormige nesten met een ingang aan de voorzijde. De vogel moet zijn staart over zijn rug leggen als hij op de eitjes zit. Staartmezen hebben een klein zwart/wit/roze lichaam met een zeer lange staart. Zijn zang bestaat uit korte kreten en roepgeluiden

Staartmees is tevens een verzamelnaam van allerlei moeilijk te herkennen ondersoorten, die een behoorlijk complexe groep vormen. In Nederland komt de ondersoort europaeus voor, die een samenraapsel is van vogels met een grote variatie in verenkleed. Van witkoppig (de zogenaamde witkoppige staartmezen) tot donkerkoppig (de vogels die standaard in de boekjes zijn afgebeeld). Deze verzamelgroep komt voor in het grootste deel van Europa. Andere ondersoorten die gevonden kunnen worden in Europa zijn de rosaseus in Engeland, Ierland en Schotland, de caudatus van Scandinavië tot noordelijk Japan, irbii uit Spanje en taiti uit Frankrijk/Spanje (waarschijnlijk een overgangsvorm tussen europaeus en irbii), verder komen in Turkije en omgeving nog tephronotus en alpinus voor waarbij met name de eerste waarschijnlijk weer een overgansvorm is net zoals de major.

Bron Wikipedia foto Tonnie Verheijden

Middelste bonte Specht.

Middelste bonte Specht kwam op bezoek voor de zonnenpitten en nootjes.

De middelste bonte specht (Dendrocoptes medius; synoniem: Dendrocopos mediusLeiopicus medius) is een vogel die tot de familie spechten (Picidae) behoort. Het is een standvogel in een groot deel van Europa en het zuidwesten van Azië.

De middelste bonte specht vertoont uiterlijke overeenkomsten met de grote bonte specht (Dendrocopos major), maar is wat kleiner en meer gedrongen. In tegenstelling tot de meeste spechtensoorten hebben het mannetje en het vrouwtje vrijwel hetzelfde uiterlijk. De middelste bonte specht roffelt zelden en foerageert voornamelijk in de toppen van bomen met een ruwe bast. Hier voedt hij zich voornamelijk met insecten en boomsappen. De habitat bestaat voornamelijk in oude loofbossen, met name in bossen met veel eiken.

Het verenkleed van de middelste bonte specht is aan de bovenzijde glanzend zwart. De zwarte vleugels hebben witte ovale vleugelvlekken aan de basis en een witte, brede bandering. De schouder en onderzijde is wit. De borst en flanken zijn bedekt met zwarte, verticale strepen en vertonen vaak gele tinten. Van de buik tot de anaalstreek verloopt de kleur van het verenkleed van vuilroze naar rood. De staart is zwart, met uitzondering van de zwart-wit gebandeerde buitenste staartpennen.

De middelste bonte specht heeft een relatief korte, lichtgrijze snavel die minder sterk is dan bij veel andere spechten. De iris is rood tot roestbruin en steekt meestal duidelijk af in het gezicht. Het gezicht is met uitzondering van een vage donkere snorstreep overwegend wit, net als het voorhoofd, de keel en nek. Door de spaarzame zwarte veertjes in het gezicht heeft de specht soms een smoezelig uiterlijk. Het wit van het gezicht en de schouder wordt gescheiden door een horizontale zwarte vlek, die in tegenstelling tot bij de grote bonte specht niet doorloopt tot in de nek.Bij het vrouwtje is de kleurgrens tussen de rode kopkap en de zwarte nek soms minder scherp dan bij het mannetje

Beide geslachten hebben een geheel rode kopkap zonder zwarte bies. Bij verstoring of opwinding worden de rode kopveren opgezet. Op het achterhoofd heeft het mannetje meestal een duidelijke grens tussen het rood van de kopkap en het zwart in de nek. Het vrouwtje heeft een iets minder felrood gekleurde kopkap. De overgang tussen het rood en het zwart op het achterhoofd is soms vager en vertoont soms ook gelige of bruinige tinten. Buiten dit verschil, dat niet altijd aanwezig is en in het veld moeilijk is te onderscheiden, bestaat er geen noemenswaardige seksuele dimorfie. Hiermee onderscheidt de middelste bonte specht zich van de meeste andere spechtensoorten.

Het juveniel van de middelste bonte specht is valer en minder contrastrijk gekleurd. De kopkap is minder felgekleurd, het gezicht is grijzer, de iris is grijs of bruin en de vleugels hebben een bruine tint.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden