Bloedrode Heidelibellen

Vorige Maand nog Bloedrode Heidelibellen tegen gekomen in de Gaas.

De bloedrode heidelibel (Sympetrum sanguineum) is een echte libel (Anisoptera) uit de familie van de korenbouten (Libellulidae).

De libel is in grote delen van zijn areaal een algemene soort die te herkennen is aan de dieprode kleur, hoewel het niet de enige rode libel is. Het is met een spanwijdte tot 6 centimeter een middelgrote soort.

De bloedrode heidelibel komt voor in grote delen van Europa, waaronder België en Nederland. Het is een generalist die rond verschillende wateren leeft en een van de meest voorkomende heidelibellen (geslacht Sympetrum).

De bloedrode heidelibel dankt zijn naam aan de dieprode kleur van de mannetjes, de vrouwtjes zijn geel. De soortnaam sanguinea betekent ‘bloedrood’. In andere talen verwijst de naam ook naar de rode kleur, zoals in het Engelse ruddy darter dat ‘rode libel’ betekent.

De lichaamslengte ligt tussen 34 en 36 millimeter, de spanwijdte is 50 tot 60 millimeter.

De ogen raken elkaar aan de bovenzijde. Het voorhoofd en de ogen van het mannetje zijn roodbruin, die van het vrouwtje bruin.

Het borststuk is roodbruin. De vleugels zijn doorzichtig en hebben geen vlekken of dwarsbanden. De vleugelbasis is oranje aangelopen. De kleur wordt veroorzaakt door een fijne oranje beharing. De oranje zone is groter dan die bij de bruinrode (Sympetrum striolatum) en steenrode heidelibel (Sympetrum vulgatum), maar het is geen echte oranje vlek zoals bij de geelvlekheidelibel (Sympetrum flaveolum). Het pterostigma is bij mannetjes roodbruin, bij vrouwtjes bruin.

Het achterlijf is bij mannetjes helder rood, met kleine zwarte vlekken op de achterste segmenten. Ook aan de onderzijde van het achterlijf zitten zwarte vlekjes. Bij het mannetje is het achterlijf duidelijk ingesnoerd ter hoogte van vierde segment, waardoor een enigszins knotsvormige achterlijfspunt ontstaat. Het achterlijf van het vrouwtje is in eerste instantie geel maar wordt later bruingeel. Jonge mannetjes hebben een geelbruin achterlijf. Als ze zijn uitgekleurd, wat enkele dagen kan duren, komt de rode kleur tevoorschijn. Tot die tijd zijn ze makkelijk met vrouwtjes te verwarren. Bij oudere vrouwtjes kan het achterlijf soms wat rood kleuren, maar nooit zo bloedrood als bij de mannetjes.

De opvallend rode mannetjes zijn op het eerste gezicht te verwarren met andere roodgekleurde soorten zoals de vuurlibel. Van andere heidelibellen zijn zowel het mannetje als het wijfje echter relatief eenvoudig te onderscheiden door de volledig zwarte poten. De gelijkende vuurlibel heeft rode poten.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Grote Bonte Specht in de Gaas

De grote Bonte Specht en de Groene Specht maken altijd gebruik van de dode Eik in de Gaas.

De meest algemene specht van Nederland. Zowel mannetje als vrouwtje roffelt op takken met een korte snelle roffel om territorium en paarband te versterken. Grote bonte spechten hakken in bomen een nestholte uit met een rond gat. Ze hebben een voorkeur voor zachte houtsoorten, zoals berken. Spechten kunnen op die manier hakken doordat de hersenen in een soort schokdempers zijn ingekleed. In de nestholte worden de eieren gewoon op het hout gelegd.

Broedt overal waar bomen zijn: in bos, park of tuin. Loofbossen en gemengde bossen met een diverse opbouw (jonge en oude bomen, dicht en open bos) zijn favoriet. Het nest wordt uitgehakt in een wat zachtere boomsoort, vanaf enkele meters hoogte aan te treffen. Klimt over dikke takken of tegen de stam van een boom op, op zoek naar voedsel tussen de schors of de bast. Roffelt al vroeg in het voorjaar om zijn territorium veilig te stellen. Past zich makkelijk aan aan omstandigheden, koloniseert nieuwe gebieden met geschikte nestbomen en kan dicht bij mensen broeden.

Bron: vogelbescherming.nl Foto: Tonnie Verheijden

Scheefbloemwitje in de Gaas

Scheefbloemwitje vliegt nog steeds rond in de Gaas opzoek naar nectar.

Het scheefbloemwitje is een relatief nieuwe soort in Nederland. In 2015 werden de eerste waarnemingen gedaan in Limburg. In 2016 werd de soort op veel meer plaatsen in Limburg aangetroffen. In 2017 kwamen de waarnemingen weer wat noordelijker uit Limburg tot aan Arcen en ook uit Twente (waarschijnlijk vanuit het oosten binnen gekomen). Op 25 september 2017 werd het scheefbloemwitje gefotogafeerd in Wageningen. Uit de publicaties over de sterke uitbreiding in Duitsland komt wel naar voren dat vooral de septembergeneratie een sterke trekdrang heeft en juist dan de grootste afstanden aflegt. In 2018 en 2019 heeft de soort zich verder uitgebreid en is waargenomen in het grootste deel van het land. Waarnemingen ontbreken nog uit het Noordwesten inclusief de Wadden en ook in Zeeland zijn de meldingen nog schaars.

Bron Vlinderstichting.nl Foto Tonnie Verheijden

Koninginnepage

Altijd heel bijzonder wanneer een Koninginnenpage vlinder op bezoek komt.
Een vrij schaarse standvlinder die vooral in de zuidelijke helft van het land wordt waargenomen. De laatste jaren komen er ook steeds meer meldingen uit de rest van Nederland, tot aan de Waddeneilanden toe. Het aantal exemplaren per jaar wisselt.
Diverse biotopen, waaronder ruderale terreinen en kruidenrijke graslanden.

Waardplanten
Vooral peen (ook de gecultiveerde vorm); daarnaast ook andere schermbloemigen, zoals bevernel, engelwortel, pastinaak en venkel.

Eind april-half juni en begin juli-half september in twee generaties. In warme jaren vliegt er mogelijk een partiële derde generatie in oktober. De koninginnenpage wordt vaak bij heuveltoppen gezien waar mannetjes en vrouwtjes elkaar ontmoeten; dit gedrag wordt ‘hill-topping’ genoemd.

Rups: half mei-half juni en half augustus-eind september. Bij gevaar wordt een rood vorkvormig orgaan uitgestulpt waarmee de rups een doordringende stank verspreidt. De soort overwintert als pop in de kruidlaag.
Bron: vlindernet.nl Foto’s Tonnie Verheijden

Oranje Zandoogje

Dit jaar vliegen er weer vele Oranje Zandoogjes in de Gaas rond.

Het oranje zandoogje (Pyronia tithonus) is een vlinder uit de onderfamilie Satyrinae (de zandoogjes en erebia’s). De wetenschappelijke naam tithonus verwijst naar de tweede geliefde van Eos, de godin van de dageraad.

Het oranje zandoogje heeft een voorvleugellengte van 21 tot 28 millimeter. De bovenzijde van de vleugels is oranje met een brede bruine rand. Bij de mannetjes loopt over de voorvleugel een brede bruinzwarte geurstreep. Bij de apex bevindt zich in het oranje veld een zwarte vlek met twee witte puntjes. Verwarring is mogelijk met het vrouwtje van het bruin zandoogje, dat een oranje vlek op de voorvleugel heeft en soms ook een dubbel wit puntje in de zwarte vlek. Het bruin zandoogje is echter groter dan het oranje zandoogje, de oranje tekening is bij het bruin zandoogje meestal kleiner en minder strak omrand en ontbreekt vrijwel op de achtervleugel. Bovendien wordt in rust de rand van de voorvleugel bij het bruin zandoogje meer naar achtergebogen dan bij het oranje zandoogje.

De onderzijde van de voorvleugel van het oranje zandoogje is oranje met bruine rand. De achtervleugel is bruin met een wittige velden ongeveer halverwege de vleugel, en een aantal witte stipjes. De achtervleugel is duidelijk contrastrijker getekend dan bij het bruin zandoogje.

Bron: wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

Keizersmantel in de Gaas


Vanmiddag Koninklijke bezoek gehad dit keer een Keizersmantel.(zeldzaam)

De keizersmantel (Argynnis paphia) is een vlinder uit de familie Nymphalidae, de vossen, parelmoervlinders en weerschijnvlinders.

De vlinder heeft veel nectar nodig, die hij meestal vindt in de wilde marjolein en distels.

De vlinder komt in vrijwel heel Europa voor en leeft in gemengde en naaldbossen. De vliegtijd is van mei tot en met september, rupsen kunnen worden aangetroffen vanaf de tweede helft van augustus tot de eerste week van juni. Deze vlinder staat in Nederland op de Rode lijst als verdwenen, maar toch worden er regelmatig vooral in het zuiden zwervers gezien. In mei 2010 werd een rups in de omgeving van Zwolle aangetroffen. Inmiddels is succesvolle voortplanting van de Keizersmantel vastgesteld in de Amsterdamse Waterleidingduinen en een gebied in Gelderland.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Icarusblauwtje in de Gaas

De Icarusblauwtjes zijn weer in de Gaas te vinden.

Het icarusblauwtje is een vlinder uit de familie van de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes.
Veel vrouwtjes zijn van boven bruingekleurd met oranje vlekjes. Daardoor worden ze soms aangezien voor een bruin blauwtje. De mannetjes zijn aan de bovenzijde egaal blauw.

Verspreiding
Het icarusblauwtje komt algemeen voor in heel Europa, op droge schrale graslanden tot matig vochtige steppe. Ook in Nederland en België is de vlinder zeer algemeen. In 2005 is de soort voor het eerst ook in Noord-Amerika gevonden, in de buurt van Mirabel in de Canadese provincie Quebec.

De vliegtijd is van april tot en met oktober. De rups overwintert, meestal het derde rupsstadium.

Waarnemingen van feitelijke ei-afzetting zijn vrij zeldzaam. De eitjes worden tussen de bovenste bladeren op de jonge nog niet bloeiende planten van gewone rolklaver afgezet.

Voedselplanten
De rupsen worden gevonden op diverse planten uit de vlinderbloemenfamilie als sikkelklaver (Medicago falcata), hopklaver (Medicago lupulina), kleine klaver (Trifolium dubium), gewone rolklaver (Lotus corniculatus), moerasrolklaver (Lotus uliginosus), paardenhoefklaver (Hippocrepis comosa), bont kroonkruid (Coronilla varia), kattendoorn (Ononis spinosa) en kruipend stalkruid (Ononis repens). De jonge rupsen mineren.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Vinken in de Gaas

Een prachtige Vink in de Gaas met een mooie vinkenslag.

De vink (Fringilla coelebs), ook wel boekvink, bokvink of botvink genoemd, is een zangvogel. In de lage landen is hij de bekendste en meest frequent voorkomende vinkachtige. Zijn zang, waarvan de laatste tonen de “vinkenslag” wordt genoemd, kent vele dialecten.

Lengte ca. 15 cm. Poten bruin.

Volwassen mannelijk exemplaar onderzijde wijnrood, buik wat lichter. Kruin en nek leiblauw, voorhoofd zwart. Rug donkerroodbruin. Vleugel met twee witte banden. Groenachtige stuit. Staart met witte rand.
Volwassen vrouwelijk exemplaar vleugel en staart bruiner; onderzijde lichtgrijsbruin; rug donkerder olijfgroen.
Jong als volwassen vrouwelijk exemplaar .
In de trektijd kleine of grote groepen van soortgenoten, soms bestaande uit één sekse. Zeer vaak met verwante kepen. Ook met andere zaadeters als groenling en geelgors, verder met piepers en leeuweriken.

In de winter kunnen vinken zich op de voedertafel agressief gedragen ten opzichte van andere bezoekers.
Vlucht
Wit schild en witte band op vleugel. Veel wit in staart. Golvende vlucht.

Lokroep
Een herhaald en helder pink, ook wiet en tsjwit. In vlucht en tijdens de trek een zacht tjuub-tjuub.

Zang
Heftig, melodieus “tsitsitsitsitsitsitsi-tjoe-ie-ò”. De zang is te horen van februari tot in september. Het liedje duurt maximaal 5 seconden en wordt makkelijk 10 keer per minuut herhaald. In Vlaanderen wordt het liedje ook wel “suskewiet” genoemd (en de vink ook).

Bron Wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

Bosrandroofvlieg


Een Bosrandroofvlieg tegegekomen in de gaas, ik stond op de uitkijk om de jonge spechten te spotten, ging dit kleine vliegje voor mijn lens zitten.

Bosrandroofvlieg

12-17 mm. Bruine roofvlieg met vrij kleine en laaggeplaatste middenknobbel op gezicht. Borstels op achterhoofd sterk naar voren geknikt. Dijen zwart, schenen rood met zwarte top. Metatarsen meestal grotendeels zwart met smal rode basis. Alleen eerste vijf segmenten van het achterlijf bruin bestoven, de overige zwart. Boventang van mannelijke genitalien tweemaal zo lang als hoog.

Gelijkende soorten __

Lijkt op de Oostelijke bosrandroofvlieg Neoitamus cothurnatus, die zich onderscheidt door de grote middenknobbel op het gezicht en de vorm van de mannelijke genitalien.

Lijkt ook op de Zuidelijke bosrandroofvlieg Neoitamus socius, die zich onderscheidt door de bijna driehoekig gevormde boventang van de mannelijke genitalien, waarop aan de onderzijde een kenmerkende pluk zwart haar zit. De metatarsen van N. socius zijn gewoonlijk rood met een zwarte top, maar vrouwtjes zijn alleen onder een stereomicroscoop met zekerheid te onderscheiden.

De Zwartdijroofvlieg Paritamus geniculatus verschilt door het geheel (tot aan de genitalien) bestoven achterlijf. De uiterste top van dij 1 is rood. Boventang van de mannelijke genitalien heeft een opvallend uitsteekseltje aan het uiteinde. __

Biotoop __

Bossen, bosranden en tuinen (ook in steden) op droge tot iets vochtige zandgrond.

Verspreiding __

Een algemene soort op de zandgronden en in de duinen. Vliegtijd van begin mei tot half september.

Bron Waarneming.nl foto Tonnie Verheijden