Stekelbrem in de Gaas


De oeroude stekelbrem staat weer volop in bloei op de heide in de Gaas.

De stekelbrem (Genista anglica) is een dwergstruik die behoort tot de vlinderbloemenfamilie (Leguminosae of Fabaceae). De soort staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als algemeen voorkomend maar zeer sterk afgenomen.
De stekelige struik wordt 15-40 (soms tot 170) cm hoog en heeft langwerpige, blauwgroene, kale bladeren. De stekels zijn meestal onvertakt. De stekelbrem bloeit van april tot augustus met gele bloemen. De vlag van de bloem is 6 tot 8 mm lang. De stijl is gekromd. De bladachtige schutbladen zijn langer dan de bloemstelen. Aan beide kanten van de kelk zit vaak een steelblaadje. De bloeiwijze is een tros. De vrucht is een smalle, gekromde, iets opgeblazen peul. Stekelbrem is zwak giftig.


De struik komt voor in droge tot natte heidevelden en in borstelgraslanden, in duinvalleien en schrale graslanden, in bermen en langs spoorwegen. Hij groeit op zonnige plaatsen op droge tot matig vochtige, zure en stikstofarme, onbemeste, kalk- en voedselarme grond, bestaande uit lemig zand, leem of veen.
De oeroude Stekelbrem werd vroeger ook wel gebruikt voor afrastering om ’s nachts hun vee te beschermen.

Bron Wikipedia Foto’s Tonnie Verheijden

Zwartkop vrouwtje

Het zwartkop koppeltje is weer in de Gaas, 2 dagen geleden het mannetje ook gespot vandaag het vrouwtje.

De zwartkop is ongeveer net zo groot als een koolmees en dankt zijn naam aan de zwarte pet op zijn kop, die alleen het mannetje draagt. Het vrouwtje heeft een roestbruine pet. Bij het mannetje is de rest van het verenkleed grijs, bij het vrouwtje grijsbruin. Een jong mannetje heeft in de winter een zwarte pet, met bruine vlekken. De zwartkop vliegt weinig en laat zich vooral horen.

Zang vanaf half maart tot in juli. Broedperiode vanaf half april tot eind juni, met piek in mei en begin juni. Eén tot twee broedsels per jaar, meestal 4-6 eieren. Broedduur 12-16 dagen. Maakt zijn komvormig nest vaak laag in dicht struikgewas, zoals braam. De jongen zitten 11-12 dagen op het nest. Na het uitvliegen worden ze nog 2-3 weken gevoerd.

Broedt in bossen en halfopen landschappen met bomen en struiken. Leeft bij voorkeur in loof- en gemengde bossen met een rijke ondergroei van vooral bramen. Komt ook voor in parken, tuinen en andere halfopen landschappen met bomen en struiken

Eet tijdens de broedperiode insecten. De rest van het jaar vooral allerlei soorten bessen en vruchten.

Zwartkoppen trekken grotendeels weg vanaf half augustus tot half oktober naar het zuidwesten, samen met Duitse en Scandinavische broedvogels. Ze overwinteren in Zuid-Engeland of het westelijk deel van het Middellandse Zeegebied: voornamelijk Spanje, Marokko en Algerije. Zwartkoppen keren in begin april terug in Nederland en steeds vaker al in maart.

Bron Vogelbescherming.nl   Foto Tonnie Verheijden

Koninginne Hommel op een voorjaarsdruifje


Een mooie Koninginne Hommel op een voorjaarsdruifje.

De meeste hommels zijn sociale insecten die in kolonies leven met een enkele koningin. Deze kolonies zijn vele malen kleiner dan die van honingbijen, en bereiken een grootte van vijftig tot vierhonderd individuen per nest. Hommels hebben een rond lichaam dat bedekt is met een zachte vacht van setae wat ze een donzig uiterlijk geeft. Om predatoren af te schrikken hebben ze een aposematische kleuring, bestaande uit afwisselende kleurenbanden.
In het voorjaar gaat de koningin eerst een beetje nectar en later wat stuifmeel verzamelen. Na enkele weken zoekt ze een geschikte plek voor haar kolonie, ook wel staat genoemd. In de nestruimte wordt een bolvormig nest van 3 tot 5 centimeter in doorsnee van in stukjes gebeten plantendeeltjes gemaakt. Voor het nest worden oude muizenholen of gangen van andere knaagdieren gebruikt, maar ook wel onder graspollen en onder stukken mos. Andere hommels maken bij voorkeur geen nest in de grond, maar op hogere plaatsen, zoals in oude vogelnesten en in holle bomen. Ook worden nestkastjes weleens gebruikt als nest.

Van was worden de eerste broedcellen op een soort voorraadpotje gemaakt dat gevuld wordt met stuifmeel. Een tweede potje van was wordt gevuld met nectar, dat de koningin ’s nachts of op dagen met slecht weer als voedsel gebruikt. De was wordt gemaakt door klieren in haar achterlijf en komt aan de onderzijde tussen de segmenten van haar achterlijf naar buiten.

Een mannetje van de aardhommel, een werkster van de akkerhommel en een koningin van de koekoekshommel.
In elke broedcel of larvenwieg worden verscheidene bevruchte eieren gelegd. De koningin bevrucht de eieren met zaad van het mannetje waarmee ze gepaard heeft en dat ze de hele winter in haar lichaam heeft bewaard. De broedcellen worden met was afgesloten. De broedcellen van hommels zijn tonvormig en hebben geen honingraatstructuur zoals bij de bij het geval is. De cellen worden op een ongeordende manier aan elkaar bevestigd zodat het hommelnest een rommelige indruk maakt. Een ander verschil met de bij is dat een broedcel slechts eenmaal wordt gebruikt als nestkamertje, daarna wordt de cel alleen nog gebruikt als voedselcel.

De koningin legt in totaal vijf tot vijftien eieren. Ze broedt de eitjes deels zelf uit. Door met de spieren van de vleugels in het borststuk te trillen wordt warmte opgewekt voor de juiste temperatuur van de eieren. Door de weinige beharing aan de onderkant van het achterlijf kan de lichaamswarmte gemakkelijk op het broed overgedragen worden.

Na vier dagen komen de larven uit de eitjes. Eerst eten zij van het stuifmeel uit het voorraadpotje en van de was in het larvenwiegje. De made-achtige larven worden regelmatig van nieuw voedsel (nectar en stuifmeel) voorzien. De eerste werksters krijgen minder voedsel dan de latere generaties die gevoed worden door een groeiende groep werksters in het nest. Deze eerste hommels zijn duidelijk kleiner dan de latere generaties van werksters.

De uitwerpselen van de larven worden niet afgescheiden maar bewaard in het achterste deel van het achterlijf. Tijdens de groei vervellen de larven een aantal keren, omdat hun huid niet kan meegroeien. Als ze volgroeid zijn wordt de ontlasting in één keer afgescheiden en spinnen de larven zich vlak voor de verpopping in. Het spinsel om de pop wordt hard en vormt zo een cocon. Elke larve maakt zijn eigen cocon. Op deze cocons bouwt de koningin nieuwe eibekers en legt weer eitjes in deze eibekers. Hierdoor profiteren de eitjes van de warmte die van de cocons afkomt. Na twee tot drie weken bijten de jonge werksters, bij latere broedsels geholpen door de oudere werksters, aan de bovenkant van hun cocon een gat. Als het gat groot genoeg is kruipen ze naar buiten.

De eerste dag kleuren ze uit en bouwen ze hun cocons om tot honing- en stuifmeelpotten en maken ze de bekers groter. Na 2-3 dagen begint hun eigenlijke taak, het verzamelen van nectar en stuifmeel. Een hommel vliegt meestal niet verder dan 100 tot 200 meter van het nest. De nectar wordt verzameld in de nectarmaag, die vele malen kan uitvouwen. De nectarmaag is een zak met alleen een opperhuid en één opening. Er kan, afhankelijk van de grootte van de hommel, ongeveer 0,06-0,20 ml nectar worden opgenomen.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Oranje Tipje in de tuin

Het Oranje Tipje is al vroeg dit jaar in de tuin, meestal kom ik ze eind april tegen.

Het oranjetipje (Anthocharis cardamines) is een dagvlinder uit de familie Pieridae, de witjes. Het is een gemakkelijk te herkennen voorjaarsvlinder die in Nederland vliegt in april en mei.

De imago kent seksueel dimorfisme. Het mannetje heeft een grote oranje vlek aan de vleugeltip van de voorvleugel, die bij het vrouwtje ontbreekt. De onderkant is geschakeerd geelgroen van kleur. De vleugellengte is ongeveer 20 millimeter.

Ecologie
Waardplanten voor de rups van het oranjetipje zijn pinksterbloem, look zonder look, scheefkelk en andere kruisbloemigen, soms ook reseda.

Voortplanting en ontwikkeling
Het flesvormige eitje is eerst licht van kleur, later oranje. De eitjes worden meestal afgezet vlak bij bomen, struiken of ruigtes op zonnige plaatsen. Veelal wordt er maar één eitje per plant afgezet, en geeft het vrouwtje een feromoonsignaal af dat andere vrouwtjes weerhoudt van eileg. De rupsjes komen na anderhalve week uit het ei. Als er toch twee rupsen op één plant zitten, dan eet de oudste de jongste vaak op.

De onopvallende groene rups heeft over de lengte een witte streep en verder over het hele lichaam kleine zwarte stippen. De rupsen eten eerst bloemen en daarna de hauwtjes van de waardplant; ze worden ongeveer drie centimeter lang. Als de rups in de struiken verpopt is, lijkt de pop sprekend op een stekel en is goed gecamoufleerd. Het oranjetipje overwintert als pop.

De vlinders ontpoppen in maart of april en worden hoogstens drie weken oud. Ze eten in die periode niet en drinken alleen nectar. De mannetjes, die eerder uitkomen, gaan actief op zoek naar vrouwtjes om mee te paren. Na het afzetten van de eitjes gaat het vrouwtje snel dood.

Verspreiding
Het verspreidingsgebied loopt van Schotland naar het zuiden. Het oranjetipje komt in grote delen van Europa voor, waaronder Nederland en België. Het oranjetipje is een algemene standvlinder die verspreid over heel Nederland voorkomt, met de meeste waarnemingen in het oosten.

De vlinder geeft de voorkeur aan matig vochtige graslanden bij bossen als leefgebied. De vliegtijd is van maart tot en met juni.

Bron Wikipedia Foto’s Tonnie Verheijden

Koppel Groenlingen

Een koppel Groenlingen zijn weer gearriveerd om te broeden in de omgeving.

De groenlinggroenvink of groninger (Chloris chloris synoniem: Carduelis chloris) is een zangvogel van de familie der vinkachtigen (Fringillidae). De vogel eet vooral zaden.

Een groenling is ongeveer 15 centimeter lang. Het mannetje is olijfgroen van kleur, vooral op de stuit. De rug heeft een bruine tint en de onderzijde is meer geelachtig. De randen van de vleugel en de meeste staartpennen zijn aan de basis helder geel. De dikke snavel is bijna wit en de poten zijn vleeskleurig. Het wijfje is minder intens van kleur, zij is meer grijsgroen en haar geel in de veren is veel valer. Het voedsel bestaat voornamelijk uit jonge plantjes, zaden, haver, bessen, bladknoppen en soms ook weleens insecten. De jongen eten voornamelijk insecten zoals bladluis of fruitvliegjes.

Het nest bevindt zich in heggen en struiken of in altijdgroene planten. Het is gemaakt van takjes, twijgjes of worteltjes en afgewerkt met haren en veertjes. Het legsel bestaat uit vier tot zes witte tot lichtblauwe eieren met roestbruine vlekjes en hebben een broedtijd van 12 tot 14 dagen. De jongen worden door beide ouders verzorgd. De vogel is vaak te vinden in parklandschappen met dichte bosjes of boomgroepen, met name in parken, tuinen, heggen alsook langs bosranden. In de winter als het voedsel schaars is, komen de groenlingen in gezelschap van andere vogelsoorten zoals de vinken, mezen, merels en spreeuwen op de voederplaatsen bij de huizen af.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden