Distelvlinder

distel.2016

Als de Distelvlinder eenmaal je vlinderstruik heeft ontdekt dan blijft hij ook elke dag terugkomen.

Distelvlinders hebben oranje vleugels met zwarte vlekken, en aan de vleugelpunten van de voorvleugels een zwart gebied met witte vlekken. Aan de onderzijde van de achtervleugels zitten 5 ronde vlekken, die soms een blauw hart hebben en oogvlekken worden. De onderzijde is verder bruin met wit lijntjes in een fijn vakjespatroon. De spanwijdte is 5 tot 6 centimeter. De distelvlinder lijkt door zijn oranje-zwarte tekening enigszins op parelmoervlinders, maar onderscheidt zich makkelijk door de zwart met witte vleugelpunten.

De imago van de distelvlinder drinkt graag nectar van allerlei bloemen, en is bijvoorbeeld vaak te vinden op vlinderstruiken in tuinen. In tegenstelling tot de verwante atalanta komt de distelvlinder echter niet af op rottend fruit.

De distelvlinder gebruikt vooral soorten vederdistel (Cirsium) als waardplant, met een voorkeur voor akkerdistel, kale jonker en speerdistel. Maar ook vele andere planten zoals klit (Arctium), alsem (Artemisia), bernagie (Borago officinalis)[1], slangenkruid (Echium vulgare), zonnebloem (Helianthus), en brandnetel (Urtica) worden gebruikt.

De eitjes worden door het vrouwtje een voor een op de bovenzijde van het blad afgezet. De voorkeur gaat uit naar planten in de volle zon in een lage vegetatie. De rups gaat vervolgens naar de onderzijde van het blad, spint dat met een paar losse draden bij elkaar en voedt zich met het blad. Alleen harde nerven blijven over. Als het blad op is, maakt hij een nieuw spinsel op dezelfde plant en eet daar verder. Zo blijven er rommelige kaalgevreten samengebonden bladeren met uitwerpselen achter. Alleen in het laatste stadium loopt de rups “vrij” over de waardplant. Uiteindelijk verpopt hij meestal op een plant in de buurt van de waardplant, weer in een los spinsel. De totale levensfase als rups duurt ongeveer een maand.

handtekening.5

Grote bonte specht voert haar jonkie

juni.2

Grote bonte specht voert haar jonkie. Een paar keer per dag komt het gezin op bezoek voor voedsel, eerst eet het vrouwtje daarna voer ze haar jonkie.

De grote bonte specht is met een lengte van 20 tot 26 cm en een gewicht van 60 tot 110 gram een vrij grote vogel, die bovenop zwart is en wit van onder. Hij heeft grote, ovale witte schoudervlekken en een rode anaalstreek. De ogen zijn bruinrood, de snavel en de poten zijn grijs. Het mannetje heeft een rode vlek op het achterhoofd, het vrouwtje heeft een geheel zwarte kruin. Juveniele vogels hebben een geheel rode kruin en een roze anaalstreek en lijken daardoor op de middelste bonte specht. Vaak hebben jonge vogels nog gebandeerde schoudervlekken.

De grote bonte specht broedt in alle soorten bos, maar ook in cultuurlandschap met boomgroepen, parken en tuinen, zelfs in grote steden. De grote bonte specht is een vrij schuwe en voorzichtige vogel, maar hij bezoekt wel voedertafels, vetbollen en pindastrengen in tuinen.

handtekening.5

Hooibeestje

TVS_7192
Er zijn heel weinig vlinder op dit moment in de omgeving, de volgende generatie moet nog komen, af en toe kom je er weleens eentje tegen waaronder dit Hooibeestje.
Het hooibeestje (Coenonympha pamphilus) is een kleine vlinder uit de onderfamilie van de zandoogjes en erebia’s (Satyrinae) van de familie Nymphalidae. Het is een standvlinder.

Kenmerken
De voorvleugellengte bedraagt ongeveer 15 millimeter. De bovenzijde is licht oranjebruin met een, vooral bij de vrouwtjes, opvallende kleine zwarte vlek aan de punt van de voorvleugel. Zittend is vaak alleen de bruingrijze onderkant te zien. De mannetjes bezetten een territorium en maken patrouillevluchten.

Verspreiding en leefgebied
Het hooibeestje komt in heel Europa voor; ook in Nederland en België is de soort algemeen. Verder ook in noordelijk Afrika en Azië.

Grasland met een niet te hoge vegetatie, bermen en heidegebieden worden als leefgebied door de vlinder gebruikt, hij is vooral te zien in mozaïekvormige begroeiingen. De vliegtijd is van februari tot en met oktober. Het hooibeestje is een slechte vlieger en daardoor vaak laag boven het maaiveld te zien.

Voortplanting
Er zijn jaarlijks twee generaties van deze vlinder. De eerste generatie is in mei en juni te zien. De eitjes die dan gelegd worden zullen, afhankelijk van de grassoort waarop ze zich bevinden en waarmee ze zich voeden, langzaam of sneller groeien. De snel volgroeide rupsen verpoppen zich nog hetzelfde jaar en vliegt als tweede generatie van eind juli tot ver in oktober. Hun nageslacht overwintert als jonge rups en vliegt in juni en juli van het daarop volgend jaar. De rupsen de langzamer groeien brengen de winter als volgroeide rups door en zijn vanaf de maand mei als vlinder te zien. De verpopping gebeurt aan een stevige grasstengel kort boven de grond.

Waardplanten
Waardplanten van het hooibeestje zijn verschillende soorten grassen, zoals zwenkgras, schapengras en beemdgras. De soort overwintert als rups.

Status
De soort heeft in Nederland in 1991 te maken gehad met een grote terugval in aantal. Dit kwam doordat de rupsen uit hun diapauze waren gekomen in een warme periode in april, waarna enige tijd later weer een koude periode met zelfs nachtvorst kwam, die veel diertjes fataal werd. Daarna zijn de aantallen weer behoorlijk hersteld
handtekening.5

Slotje Oosterhout

IMG_20160604_110615

Telkens als we in Oosterhout gaan winkelen lopen we langs het Slotje een prachtig monument midden in Oosterhout.

Dit slotje was van oorsprong een omgrachte hoeve die in 1454 tot slotje werd uitgebouwd door Peter de Hertog. Het is vernoemd naar het stadje Limburg, hoofdstad van het Hertogdom Limburg, alwaar Peter de Hertog rentmeester was. Ook was hij schepen van Oosterhout. Na Peter’s dood in 1463 kwam het achtereenvolgens aan de geslachten Gijsels van Lier, Van Alkemade, Van Duivenvoorde, Coenen Zegenwerp, Oirtsen, Van der Hoeven, Van Loon, Heyliger en Brouwer.

IMG_20160604_131620

Van 1875-1879 werd het slotje bewoond door de Zusters van het Magdalenenconvent, die gevlucht waren uit het toen Pruisische Czarnowąsy (Opper-Silezië) ten gevolge van de Kulturkampf. Hierna kwamen de Franse Redemptoristen, die toen uit Frankrijk waren verdreven vanwege de Seculariseringspolitiek. Vervolgens werd het slotje weer particulier bezit. Van 1902-1910 woonde er een Franse baron, ene R. de Denesvres de Domecy. Daarna woonde er mevrouw Brouwer Ancher, een telg uit het geslacht Van Oldenzeel tot Oldenzeel. Deze verkocht het slotje aan de gemeente Oosterhout.

Na een verbouwing fungeerde het van 1940-1980 als gemeentehuis. Vervolgens kwam er een architectenbureau in het slotje. Vanaf 24 november 2012 wordt het gebouw gebruikt als hoofdkantoor van de firma De Haan Minerale Oliën.

Gebouw
Het oudste deel van het Slotje Limburg ligt aan de Ridderstraat. Later kwamen er vleugels in westelijke en zuidelijke richting, die om een binnenplaats waren gelegen. In 1940 werd ook de binnenplaats onder een kap gebracht. Hoewel het gebouw veel van zijn oorspronkelijke karakter heeft verloren heeft het met zijn torentjes en omgrachting nog steeds een kasteelachtig karakter.

handtekening.5

Canadese Ganzen

mei.4De Canadese Gans met haar jongen sloeg op de vlucht voor de Camera. mooi om de zien hoe de kleintjes achter hun moeder
aan rende, de vader stond wat verder weg op de uitkijk.

De grote Canadese gans (Branta canadensis), kortweg Canadese gans of canadagans, behoort tot het genus Branta.

Dit genus bevat veel soorten die voornamelijk zwarte veren hebben, zwarte kop en zwarte, lange hals.
Typisch voor deze soort zwarte ganzen is de witte band van de keel tot over de wangen.
De zwarte hals gaat over in een witachtige borst. Dit in tegenstelling tot de soorten van het genus Anser.
Het verenkleed is bij beide geslachten gelijk. De lichaamslengte bedraagt 55 tot 100 cm en het gewicht 3 tot 6 kg.

TVS_6954

Deze herbivore vogels overnachten op het water en eten overdag, zowel op het water als op het land.
Hun voedsel bestaat voornamelijk uit grassen, zaden en graan. Ook dierlijk voedsel staat op hun menu.
Het vrouwtje legt 4 tot 8 witte eieren, die ongeveer 30 dagen worden bebroed.

De grote Canadese gans is een exoot in Europa.
In Nederland waren er al in 1951 broedgevallen in het wild van Canadese ganzen.
Tot in de jaren 1980 werden deze verwilderde dieren afgeschoten.
Na 1987 werd dit niet meer gedaan. Tussen 1987 en 1997 steeg het aantal broedparen van 100 naar 225.
Volgens door SOVON gecoördineerde tellingen van het waterwild in Nederland nam het aantal waargenomen grote Canadese ganzen tussen 1981 en 2006 met 27% per jaar toe.
Het gemiddelde aantal bereikte in 2006 de 20.000. Volgens SOVON is het aantal broedparen in Nederland gestegen tot 3000.

handtekening.5

Brandganzen

TVS_2145-copyDe Brandganzen vlogen richting Huis ter Heide.
De vogel is 58 tot 70 cm lang en heeft een spanwijdte van 120 tot 142 cm, gemiddeld 15 cm korter dan de grauwe gans. De kop is geelachtig wit; achterzijde van de kop, nek en bovenborst zijn zwart. De buik en de onderkant zijn grijswit met een grijze bandering. De vleugels zijn grijsblauw met zwart-witte strepen. De poten en snavel zijn zwart.Het is een sterke vogelsoort die weinig of geen last ondervindt van vriesweer.

Voorkomen
Hun verspreidingsgebied is het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan, van de oostkust van Groenland tot Spitsbergen en het zuiden van Nova Zembla in moerassige gebieden in de nabijheid van de zee, in riviermondingen en op wadden. In de zomer broeden de vogels rond de poolcirkel, waar ze door de extreem lange daglengte bijna 24 uur per dag zicht hebben en zo in staat zijn hun eieren en kuikens te beschermen. Belangrijke predatoren, zoals poolvossen, hebben zo aanzienlijk minder kans om de brandganzen te bedreigen. Het wintergebied bevindt zich vooral aan de kusten van Ierland, de westkust van Schotland en de Noordzeekust van Duitsland en Nederland. Over het algemeen volgen deze dieren de zogenaamde vorstlijn en trekken ze met dit vorstgebied mee. Hiermee weten ze een aantal van hun natuurlijke vijanden te ontlopen.

Voorkomen in de Lage Landen
De aantallen overwinterende brandganzen zijn vanaf de jaren 1970 voortdurend gestegen. Volgens Sovon Vogelonderzoek Nederland steeg alleen al in Nederland het aantal overwinteraars van ongeveer 50.000 individuen in de jaren 1990 tot 300.000 in 2010. Daarnaast komt de vogel ook steeds frequenter voor als broedvogel. Deze vestiging begon in de jaren 1990 met broedgevallen in onder andere het Haringvliet. In 2011 werden alleen al in het Nederlandse rivierengebied 4190 broedparen geteld. Sinds de jaren 1990 zijn daardoor in de weilanden van de Lage Landen het hele jaar door brandganzen aanwezig, in steeds toenemende aantallen.
handtekening.5

Pinksterbloemen

TVS_6601 In een Wadi langs de weg staat het vol met Pinksterbloemen elk jaar komen er meer bij.

De pinksterbloem, Cardamine pratensis, is een plant uit de kruisbloemen familie. De soort kan tot 50 cm hoog worden. De plant heeft een bladrozet. De stengel is hol en rond. De bladeren zijn samengesteld. De deelblaadjes van het bladrozet zijn kort en breed en vaak bochtig getand. De stengelbladeren zijn smal en lang. De vrucht is een hauw. Deze zijn bij de pinksterbloem smal en maximaal 5,5 cm lang.

De bloemen zijn tweeslachtig, er zijn 6 meeldraden en 1 stamper met een korte stijl. De meeldraden hebben gele helmknoppen en komen voor in 3 paar, waarvan 2 lange van 5 tot 10mm en 1 korte van 3 tot 6mm.

Het vruchtbeginsel bestaat uit 2 gefuseerde vruchtbladen, is bovenstandig en bevat 20 tot 30 zaadknoppen. De bloemen groeien in een tros. De kelk bladen zijn onderaan met elkaar vergroeid, de kroonbladen niet. De kroonbladen zijn maximaal 1,8 cm lang en hebben een lila tot roze kleur met paarse aders, ze zijn zelden wit.

De plant bloeit ondanks haar naam met name in de periode vóór Pinksteren. Eind april is meestal het hoogtepunt. In Friesland wordt het fluitenkruid, dat wel rond Pinksteren bloeit, ook wel eens pinksterbloem of pinksterblom genoemd.
TVS_6634

De plant komt voor in graslanden, bossen en in moeras. In een omgeving die heel nat is, heeft ze zich op een bijzondere manier aan dit milieu aangepast.

De deelblaadjes zijn dan kortgesteeld en beginnen al, terwijl ze nog aan de plant zitten, worteltjes te vormen. Wanneer ze van de plant afvallen, kunnen ze uitgroeien tot nieuwe planten. Het zaad komt in een dergelijk permanent nat milieu slecht tot ontkieming en op deze wijze kan de soort zich toch nog voortplanten.

In Nederland en België is de soort zeer algemeen, ze komt nog steeds overal voor.

Toch is ze sterk achteruitgegaan. Vroeger kleurde ze vele weilanden paars op het hoogtepunt van haar bloei. Tegenwoordig is ze door de intensivering van de landbouw meestal beperkt tot de slootkanten. Ook komt de plant voor in gazons, waar ze door het intensieve maaibeheer niet tot bloei komt.

Wanneer de eerste maaibeurten achterwege blijven, blijkt door de uitbundige bloei van pinksterbloemen hoeveel de soort erin voorkomt. De pinksterbloem wordt ook wel “schuimkruid” genoemd (wat overeenkomt met de Duitse naam “Wiesen-Schaumkraut”), vanwege de voorkeur van het schuimbeestje voor deze plant.

handtekening.5

Grauwe Gans en Zwaan

TVS_5606 De Grauwe Gans en de jonge zwaan bleven steeds dicht bij elkaar zwemmen in de Moerven in Huis ter Heide.
De grauwe gans is een grote grijze watervogel met roze poten. Hij heeft zwarte vlekjes op de buik. De kop is lichtgrijs, de voorvleugel is grijswit. De snavel kan roze (oostelijke ondersoort, Anser anser rubirostris) of oranje (westelijke ondersoort, Anser anser anser) zijn. Het is een herbivoor.
Tijdens de rui waarin de gans niet vliegen kan, zoekt de gans een goed heenkomen in rietlanden. Ze kunnen dan zo veel riet (vooral de wortelstokken van het riet) consumeren dat de verlanding door riet wordt tegengegaan. De Oostvaardersplassen waren in eerste instantie vooral gedacht als ganzenreservaat. In het Verdronken Land van Saeftinghe foerageren ’s winters jaarlijks tienduizenden grauwe ganzen op de knolletjes van zeebies.
Jonge Zwaan,
Deze vogels kunnen een spanwijdte van 2,40 meter bereiken en zijn daarmee de grootste watervogels. Zelf zijn ze 140 tot 160 cm groot.[2] Met hun lange nek kunnen ze ver onder water reiken. Ze kunnen tot 10 tot 12 kg wegen. Daarmee behoren ze bij de zwaarste vliegende dieren. Ze zijn ongeveer even groot als de wilde zwaan, maar veel groter dan de kleine zwaan. Ze zijn wit en ze hebben een oranjerode snavel. Hun kop en hals hebben een licht gele schijn. De onbevederde huid aan de snavelwortel en om het oog, onder de voorhoofdsknobbel, zijn zwart. Die voorhoofdsknobbel is bij mannetjes heel opvallend. Ook hun poten zijn zwart. Hun ruglijn is sterk gebogen. Ze houden hun hals bijna altijd in een sierlijke S-vorm. Die hals heeft het grootste aantal halswervels van alle vogels (26). Ze houden hun kop altijd iets omlaag gebogen. Hun snavel is relatief breed. Mannetje en vrouwtje zijn volledig gelijk, alleen hebben de mannetjes in de lente een veel meer gezwollen knobbel en hun snavel is dan ook veel roder. Mannetjes hebben ook een zwaardere nek.handtekening.5

Rietgors

TVS_5634

Mijn eerste Rietgors man spot bij de Moerven in Huis ter heide.
De rietgors is een lid van de gorzenfamilie, zaadetende zangvogels van moerasgebieden met riet en struiken. Het verspreidingsgebied omvat een groot deel van Europa en Azië.

Kenmerken
Het mannetje is in het voorjaar en in de zomer duidelijk herkenbaar aan zijn pikzwarte kop, keel en bovenborst, een witte ‘sjaal’ en een vaalbruine rug met zwarte strepen. De vuilwitte onderzijde heeft een lichtgrijs gestreepte stuit. De flanken bevatten zwartrode strepen. De staart is bruinzwart met wit en de onderstaart is grijs. Het vrouwtje is bruin met een geelbruine onderzijde. Boven de ogen heeft ze een lichte oogstreep, verder zwartwitte baardstrepen en strepen op de stuit, borst en flanken.
TVS_5639Lengte: 15 cm
Spanwijdte: 21-26 cm
Gewicht: 15-22 g
In de winter mist de rietgors zijn zwarte kop en kan de vogel bij vluchtig kijken verward worden met de ijsgors of zelfs met een huismus.

Leefwijze
Vanaf een boom of struik in het rietland zingt hij zijn lied. Het voedsel bestaat uit slakken, rupsen en kevers, in de winter zaden.

Voortplanting
Het legsel bestaat uit drie tot vijf grijsblauwe tot roodbruine eieren met grijze ondervlekken en zwartbruine stippen, in een goed verborgen nest op de grond of in de struiken.

handtekening.5

Winterkoninkjes

aprilDe winterkoninkjes zijn druk in de weer in de tuin om hun broednestjes klaar te maken voor dit jaar.

Wij zien ze telkens in het kleine vogelhuisje allerlei broedmateriaal naar binnenbrengen, maar dat wil nog niet zeggen dat ze daar hun jonkies gaan grootbrengen.
Winterkoninkjes maken namelijk meerdere broednestjes om vijanden te misleiden.

Het is een klein gedrongen, zandbruin vogeltje van bijna tien centimeter met een opgewipt staartje. Zijn zang is helder, met vibrerende scherpe trillers.
De lichaamslengte bedraagt 9 tot 10 cm.

Winterkoninkjes eten voornamelijk insecten en spinnen.

Ze kunnen tot drie nesten per jaar hebben, met vijf à acht jongen per nest.
Deze nesten worden in het voorjaar door het mannetje gemaakt, in heggen, struiken en takkenbossen op een hoogte van ongeveer een meter boven de grond.
Hij maakt er meestal ook meerdere per territorium.

De winterkoning heeft zich aangepast aan zowel bosrijke als open gebieden zoals boomloze eilanden.
Verder broedt de vogel in parken en tuinen. Belangrijk is dat zich ergens dichte struwelen bevinden zoals heggen, braamstruiken of dichte vegetaties bij water.
De winterkoning is in Nederland en België een van de meest algemene vogelsoorten.
handtekening.5

Wilde Eenden

New Image Een koppel Wilde Eenden verbleef een paar dagen in een sloot langs ons huis.

De lengte bedraagt 51 tot 62 cm en de spanwijdte 91 tot 98 cm. Een volwassen eend weegt tussen de 700 en 1500 gram. Gemiddeld wordt een wilde eend vijftien jaar oud. De oudst bekende wilde eend werd negenentwintig jaar. De wilde eend is de stamouder van de gedomesticeerde tamme eend.

 

TVS_5421

Het mannetje (de woerd) is kleurrijk met een glanzend groene kop, een witte halsband, een kastanjebruine borst en gekrulde zwarte veren aan de staart. Het donkerbruine vrouwtje en de eendenkuikens (pullen) hebben een schutkleur. De woerd en het vrouwtje hebben één ding gemeen: de blauw-paarse vleugelspiegel. Sommige dieren zijn (gedeeltelijk) wit; door rasveredeling is de schutkleur vervangen door een geselecteerde kleur. De witte delen bij de volwassen dieren waren geel toen ze nog eendenkuiken waren.

Voedsel
Het voedsel bestaat uit allerlei soorten kleine visjes, slakken en wormen.

Voortplanting
Het vrouwtje bouwt een nest in het lange gras, in een knotwilg of in een holte. De acht tot tien vuilgroene eieren broedt ze uit in 4 weken tijd.

handtekening.5

Zwarte mees

zwartemees

Zwarte mees

Al enkele dagen is de Zwarte mees samen met de Sijsjes in de omgeving aanwezig bij de voederplaatsen.

De zwarte mees is een zangvogel uit de familie van echte mezen.

Kenmerken
Ze worden ongeveer elf centimeter groot, ongeveer even groot als de pimpelmees. De kop is relatief groot, er is geen zwarte buikstreep aanwezig zoals bij de koolmees. De zwarte mees heeft twee witte vleugelstrepen, een zwarte kruin en een witte wangvlek. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Levenswijze
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit spinnetjes en insecten, in de winter zaden van sparren, de mees foerageert ook wel in loofbomen. Nestelt in boomholen, rotsspleten, of nestkasten, maar ook in gaten in de grond.

handtekening.5

 

Sijs

TVS_4800

Vrouw

Sijs

De Sijs heb ik vorig jaar in onze omgeving niet tegengekomen, dit jaar weer gespot in de tuin, ze blijven meestal wel een paar dagen hier rondhangen

In de winter wordt de sijs regelmatig aangetroffen op vetbollen en netjes met pinda’s in de tuin. Sijzen opereren dan veelal in kleine troepjes, en gedragen zich enigszins als mezen: ondersteboven aan de vetbollen hangend. Ze zijn zo groot als een pimpelmees, maar veel duidelijker geelgroen gekleurd, vooral de volwassen mannetjes, die een zwarte kruin hebben. De vlucht is opvallend: gele vleugelstreep en gevorkte zwarte staart, met geel aan de zijden.

Volwassen mannetjes zijn geelgroen met een zwarte kruin en kin, de rug is geelgroen zwartgestreept. De buik heeft in tegenstelling tot de groenling een duidelijk onderbroken gestreept uiterlijk. De streep achter het oog en de stuit zijn geel. De gevorkte staart is zwart met geel aan zijden. De vleugel heeft een gele vleugelstreep.

TVS_4825

Man

Het volwassen vrouwtje is veel minder geelgroen en de onderzijde is lichter en meer gestreept, de kop heeft geen zwart.

Voedsel
De sijs zoekt voedsel op de mezenmanier, en hangt dikwijls ondersteboven. Hij slaapt soms ook zo. Hij eet zaden van naaldbomen, elzen, berken en andere bomen, knoppen en insecten.

Leefgebied en broedgedrag
In broedtijd naaldbossen met veel sparren, maar ook in gemengde bossen en parklandschap. In de winter vooral in elzen.

In goede voedseljaren (veel sparrenkegels) broedt de sijs in maart en april; in slechte jaren later, tot in juni.Het nest is gemaakt van fijne takjes, mos en haar zit hoog in naaldhout en is moeilijk te vinden. De broedduur bedraagt 11 – 13 dagen. Het vrouwtje broedt alleen en wordt door het mannetje gevoerd. Beide vogels verzorgen de jongen, die na 13 – 15 dagen het nest verlaten. Twee broedsels per jaar. Het legsel bestaat gewoonlijk uit 4 – 5 eieren. Lichtblauw met zeer veel fijne roodbruine stipjes en streepjes en een enkel donker vlekje. Gemiddeld 16 x 12 mm.

handtekening.5

Sperwer

jan.2

Sperwer

De Sperwer komt zo’n 2 maal per jaar langs voor voedsel, in ’t begin van het jaar en in ’t najaar zowel de man als de vrouw, deze keer was het weer de man.

Opvallend is de gele iris, net als de fijn gebandeerde borst en de dunne maar krachtige, gele poten. Sperwers hebben stompe vleugels met een relatief groot oppervlak.
De vleugels zijn veel breder dan van valken, waarvoor ze vaak worden aangezien.
Opvallend is het grote verschil in formaat tussen mannetje en vrouwtje.
Vrouwtjes zijn groter en zwaarder dan mannetjes en jagen op grotere prooien dan mannetjes.
De lengte van kop tot staart varieert van 28 tot 38 centimeter.
Zangvogels zijn de voornaamste prooi, met name huismus, vink, merel, spreeuw en mees.
Het vrouwtje vangt ook grotere prooien als de Turkse tortel. De sperwer jaagt vanuit dekking, of met een plotselinge, snelle vlucht in het voorbijgaan.

De sperwer bouwt ieder jaar hoog in de bomen een nieuw nest, waarin één tot zes, maar meestal vier of vijf eieren worden gelegd.
De sperwer is in Nederland en Vlaanderen geen zeldzame vogel meer.
Tussen 1965-1970 was het nog een uiterst schaarse broedvogel van bosgebieden op de zandgronden.
Daarna volgde een geleidelijk herstel.
In de oorspronkelijke broedgebieden nam het aantal toe en er volgde een uitbreiding van het broedareaal naar de laaggelegen gebieden in Nederland en Vlaanderen.
In Nederland broedt de sperwer nu zelfs al in grote steden. Rond 1990 werd een niveau bereikt dat daarna (in ieder geval tot 2007) niet opvallend hoger of lager werd.
Het aantal broedparen rond 2000 in Nederland wordt geschat op 4000 tot 5000 paar en in Vlaanderen op 1500 tot 2500 paar.

Bron Wikipedia handtekening.5