Oranje Zandoogje

Dit jaar vliegen er weer vele Oranje Zandoogjes in de Gaas rond.

Het oranje zandoogje (Pyronia tithonus) is een vlinder uit de onderfamilie Satyrinae (de zandoogjes en erebia’s). De wetenschappelijke naam tithonus verwijst naar de tweede geliefde van Eos, de godin van de dageraad.

Het oranje zandoogje heeft een voorvleugellengte van 21 tot 28 millimeter. De bovenzijde van de vleugels is oranje met een brede bruine rand. Bij de mannetjes loopt over de voorvleugel een brede bruinzwarte geurstreep. Bij de apex bevindt zich in het oranje veld een zwarte vlek met twee witte puntjes. Verwarring is mogelijk met het vrouwtje van het bruin zandoogje, dat een oranje vlek op de voorvleugel heeft en soms ook een dubbel wit puntje in de zwarte vlek. Het bruin zandoogje is echter groter dan het oranje zandoogje, de oranje tekening is bij het bruin zandoogje meestal kleiner en minder strak omrand en ontbreekt vrijwel op de achtervleugel. Bovendien wordt in rust de rand van de voorvleugel bij het bruin zandoogje meer naar achtergebogen dan bij het oranje zandoogje.

De onderzijde van de voorvleugel van het oranje zandoogje is oranje met bruine rand. De achtervleugel is bruin met een wittige velden ongeveer halverwege de vleugel, en een aantal witte stipjes. De achtervleugel is duidelijk contrastrijker getekend dan bij het bruin zandoogje.

Bron: wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

Keizersmantel in de Gaas


Vanmiddag Koninklijke bezoek gehad dit keer een Keizersmantel.(zeldzaam)

De keizersmantel (Argynnis paphia) is een vlinder uit de familie Nymphalidae, de vossen, parelmoervlinders en weerschijnvlinders.

De vlinder heeft veel nectar nodig, die hij meestal vindt in de wilde marjolein en distels.

De vlinder komt in vrijwel heel Europa voor en leeft in gemengde en naaldbossen. De vliegtijd is van mei tot en met september, rupsen kunnen worden aangetroffen vanaf de tweede helft van augustus tot de eerste week van juni. Deze vlinder staat in Nederland op de Rode lijst als verdwenen, maar toch worden er regelmatig vooral in het zuiden zwervers gezien. In mei 2010 werd een rups in de omgeving van Zwolle aangetroffen. Inmiddels is succesvolle voortplanting van de Keizersmantel vastgesteld in de Amsterdamse Waterleidingduinen en een gebied in Gelderland.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Icarusblauwtje in de Gaas

De Icarusblauwtjes zijn weer in de Gaas te vinden.

Het icarusblauwtje is een vlinder uit de familie van de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes.
Veel vrouwtjes zijn van boven bruingekleurd met oranje vlekjes. Daardoor worden ze soms aangezien voor een bruin blauwtje. De mannetjes zijn aan de bovenzijde egaal blauw.

Verspreiding
Het icarusblauwtje komt algemeen voor in heel Europa, op droge schrale graslanden tot matig vochtige steppe. Ook in Nederland en België is de vlinder zeer algemeen. In 2005 is de soort voor het eerst ook in Noord-Amerika gevonden, in de buurt van Mirabel in de Canadese provincie Quebec.

De vliegtijd is van april tot en met oktober. De rups overwintert, meestal het derde rupsstadium.

Waarnemingen van feitelijke ei-afzetting zijn vrij zeldzaam. De eitjes worden tussen de bovenste bladeren op de jonge nog niet bloeiende planten van gewone rolklaver afgezet.

Voedselplanten
De rupsen worden gevonden op diverse planten uit de vlinderbloemenfamilie als sikkelklaver (Medicago falcata), hopklaver (Medicago lupulina), kleine klaver (Trifolium dubium), gewone rolklaver (Lotus corniculatus), moerasrolklaver (Lotus uliginosus), paardenhoefklaver (Hippocrepis comosa), bont kroonkruid (Coronilla varia), kattendoorn (Ononis spinosa) en kruipend stalkruid (Ononis repens). De jonge rupsen mineren.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Vinken in de Gaas

Een prachtige Vink in de Gaas met een mooie vinkenslag.

De vink (Fringilla coelebs), ook wel boekvink, bokvink of botvink genoemd, is een zangvogel. In de lage landen is hij de bekendste en meest frequent voorkomende vinkachtige. Zijn zang, waarvan de laatste tonen de “vinkenslag” wordt genoemd, kent vele dialecten.

Lengte ca. 15 cm. Poten bruin.

Volwassen mannelijk exemplaar onderzijde wijnrood, buik wat lichter. Kruin en nek leiblauw, voorhoofd zwart. Rug donkerroodbruin. Vleugel met twee witte banden. Groenachtige stuit. Staart met witte rand.
Volwassen vrouwelijk exemplaar vleugel en staart bruiner; onderzijde lichtgrijsbruin; rug donkerder olijfgroen.
Jong als volwassen vrouwelijk exemplaar .
In de trektijd kleine of grote groepen van soortgenoten, soms bestaande uit één sekse. Zeer vaak met verwante kepen. Ook met andere zaadeters als groenling en geelgors, verder met piepers en leeuweriken.

In de winter kunnen vinken zich op de voedertafel agressief gedragen ten opzichte van andere bezoekers.
Vlucht
Wit schild en witte band op vleugel. Veel wit in staart. Golvende vlucht.

Lokroep
Een herhaald en helder pink, ook wiet en tsjwit. In vlucht en tijdens de trek een zacht tjuub-tjuub.

Zang
Heftig, melodieus “tsitsitsitsitsitsitsi-tjoe-ie-ò”. De zang is te horen van februari tot in september. Het liedje duurt maximaal 5 seconden en wordt makkelijk 10 keer per minuut herhaald. In Vlaanderen wordt het liedje ook wel “suskewiet” genoemd (en de vink ook).

Bron Wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

Bosrandroofvlieg


Een Bosrandroofvlieg tegegekomen in de gaas, ik stond op de uitkijk om de jonge spechten te spotten, ging dit kleine vliegje voor mijn lens zitten.

Bosrandroofvlieg

12-17 mm. Bruine roofvlieg met vrij kleine en laaggeplaatste middenknobbel op gezicht. Borstels op achterhoofd sterk naar voren geknikt. Dijen zwart, schenen rood met zwarte top. Metatarsen meestal grotendeels zwart met smal rode basis. Alleen eerste vijf segmenten van het achterlijf bruin bestoven, de overige zwart. Boventang van mannelijke genitalien tweemaal zo lang als hoog.

Gelijkende soorten __

Lijkt op de Oostelijke bosrandroofvlieg Neoitamus cothurnatus, die zich onderscheidt door de grote middenknobbel op het gezicht en de vorm van de mannelijke genitalien.

Lijkt ook op de Zuidelijke bosrandroofvlieg Neoitamus socius, die zich onderscheidt door de bijna driehoekig gevormde boventang van de mannelijke genitalien, waarop aan de onderzijde een kenmerkende pluk zwart haar zit. De metatarsen van N. socius zijn gewoonlijk rood met een zwarte top, maar vrouwtjes zijn alleen onder een stereomicroscoop met zekerheid te onderscheiden.

De Zwartdijroofvlieg Paritamus geniculatus verschilt door het geheel (tot aan de genitalien) bestoven achterlijf. De uiterste top van dij 1 is rood. Boventang van de mannelijke genitalien heeft een opvallend uitsteekseltje aan het uiteinde. __

Biotoop __

Bossen, bosranden en tuinen (ook in steden) op droge tot iets vochtige zandgrond.

Verspreiding __

Een algemene soort op de zandgronden en in de duinen. Vliegtijd van begin mei tot half september.

Bron Waarneming.nl foto Tonnie Verheijden

Kleine bonte Specht voert de Jonkies


Kleine Bonte Specht voert de jonkies.

De kleine bonte specht vertoont qua gedrag en leefwijze veel overeenkomsten met de grote bonte specht. Ook de sterk golvende vlucht van beide vogels lijken sterk op elkaar. De kleine bonte specht brengt het grootste deel van de dag door in de bovenste boomlagen. ’s Nachts slaapt hij in oude nestholtes.
De broedtijd van de kleine bonte specht ligt in de maanden maart tot augustus, afhankelijk van de regio. In een groot deel van Europa worden de eieren van laat april tot begin mei gelegd. In Noord-Afrika en Scandinavië is dit respectievelijk twee en drie weken later.
De nestholte wordt in een boomstam of in een sterke tak uitgehakt, meestal in zacht, dood hout. Soms wordt echter een oude nestholte of een natuurlijke boomholte gebruikt. De kleine bonte specht maakt een vlieggat met een diameter van 3 tot 3,5 centimeter doorgaans tien tot twintig meter boven de grond. De nestholte zelf is 10 tot 18 centimeter diep en is op de bodem bedekt met houtkrullen en fijn zaagsel. Een schacht verbindt de holte met het vlieggat en kan relatief lang zijn. Vaak bevindt de eigenlijke holte zich dertig centimeter of meer onder de ingang.
Het broedsel bestaat uit vier tot zeven glanzende witte eieren van ongeveer 19 bij 14,5 millimeter. Deze worden in elf à twaalf dagen door beide ouders uitgebroed. Na achttien tot twintig dagen vliegen de jongen uit. Er wordt per broedpaar jaarlijks slechts één legsel grootgebracht. Het komt vaak voor dat een vrouwtje met twee mannetjes paart en derhalve twee legsels produceert.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

grote Bonte Specht met zijn jonkie


Een grote Bonte Specht is zijn jong aan het voeren in de Gaas.

Net als alle spechten is de grote bonte specht een holenbroeder. De nestholte wordt aan het einde van een kalenderjaar door het mannetje uitgehakt in een zachtere houtsoort van een volgroeide boom. Hij vertoont geen voorkeur voor een bepaalde boomsoort en maakt het nest in zowel naald- als loofbomen. Ook oude nestholtes worden soms gebruikt, al nestelt de grote bonte specht nooit in een nestkast. De nestholte is doorgaans vijftien tot dertig centimeter diep en heeft een met houtsnippers beklede bodem.

Wanneer een mannetje rond december een nieuwe nestholte heeft uitgehakt of een oude heeft uitgekozen, begint hij met zijn geroffel die dient als hofmakerij. Als een vrouwtje in het territorium deze roffel beantwoordt, volgt er verder baltsgedrag. Deze omvat onder andere dreigende bewegingen, zoals het opzetten van de kopveren.

In april en mei worden vier tot zeven crème-witte eieren gelegd, die in elf tot dertien dagen worden uitgebroed. De jongen worden drie tot vier weken door beide ouders gevoerd, alvorens ze uitvliegen. In de tweede helft van deze periode is dit nest eenvoudig te ontdekken, daar de jongen dicht bij het vlieggat continu om de ouders roepen.

Bron: Wikipedia  Foto: Tonnie Verheijden

Roodborst in de Gaas


Gisteren zag ik een vreemd vogeltje zingend in de boom in de Gaas, naar speurwerk bleek het om een Roodborstje te gaan die een bad had genomen.

De roodborst of het roodborstje (Erithacus rubecula) is een zangvogel uit de familie Muscicapidae (vliegenvangers). Hij waagt zich dicht bij huizen, vooral ’s winters. Verder is het een zeer talrijke broedvogel van grote tuinen, parken en bossen.

Het is een vrij gedrongen vogeltje en zowel mannetjes als vrouwtjes hebben een opvallende bruinrode tot oranje keel. De staart is roodbruin, de rug bruin en de buik lichtgekleurd. De zang is het hele jaar te horen. Hij begint ’s ochtends te zingen als het nog donker is. Bij gevaar stoot hij de kreet ’tsik’ uit. Een bijzonderheid van de roodborst is dat ook de vrouwtjes zingen, vooral in de herfst. Jonge vogels hebben een gespikkelde kop en borst. Het vogeltje is 14 cm lang. Tegen soortgenoten zijn zowel mannetjes als vrouwtjes heel agressief. Zowel in de zomer als in de winter verdedigen zij hun territorium fel.

Het roodborstje eet voornamelijk op de grond levende insecten (vooral kevers) en slakken, wormen en spinnen. Van de herfst tot vroeg in de lente vormen wormen, fruit en bessen een belangrijk deel van zijn dieet.

Een legsel bestaat meestal uit vijf tot zes roze eieren met grijze ondervlekken en roestbruine vlekjes.

Bron: Wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

Boompieper in de Gaas


De boompieper zit elke dag te zingen in een dennenboom in de Gaas.

De boompieper (Anthus trivialis) is een insectenetende zangvogel uit de familie piepers en kwikstaarten (Motacillidae

De boompieper is een slanke vogel en lijkt op een mus, en wordt ongeveer 15 cm groot, heeft een geelachtige borst met donkere streepjes en roze poten. Aan de achterteen heeft hij een sterk gekromde nagel. Mannetjes en vrouwtjes zijn lastig uit elkaar te houden. Verder is het verschil in uiterlijk met de graspieper niet zo groot. De boompieper is contrastrijker.

In heel Europa komen boompiepers gedurende de zomermaanden voor, met uitzondering op IJsland, Spanje en Ierland. Ook in Midden-Azië wordt hij wel aangetroffen. Hij komt voor in droge gebieden (heidevelden en halfopen bos- en struikgebied), terwijl de graspieper typisch een vogel van natte graslanden is.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Kuifmeesje in de Gaas

Een Kuifmeesje met eten voor hun jonkies in de Gaas.

De kuifmees is 10,5 tot 12 cm lang, even lang als de pimpelmees. Hij heeft een opvallende kuif die fijn zwart-wit getekend is en een zwart-witte tekening op het gezicht. De kuif kan plat over de kruin gelegd worden. Het verenkleed is aan de bovenzijde grijsbruin en de onderzijde is vuilwit en wat geelachtig aan de flanken. De voorkop is wit met een gebogen zwarte oogstreep. Verder heeft het dier een zwarte halsband, een donkere snavel en donkerbruine poten.

Voortplanting
Het nest wordt gebouwd in een holte. Het legsel bestaat uit vijf tot acht witte eieren met vrij grote, kastanjebruine vlekken, die alleen door het wijfje worden bebroed. Er wordt tweemaal per jaar gebroed.

Zijn voedsel bestaat in de zomer uit insecten, insectenlarven, spinnen en andere kleine diertjes. In het najaar en de winter eet hij vooral zaden van naaldbomen. De kuifmees nestelt in zelfgemaakte holen in vermolmd of heel zacht hout.

Bron: Wikipedia  Foto: Tonnie Verheijden

kleine Bonte Specht in de Gaas


Vandaag kwam ik de kleine Bonte Specht tegen in de Gaas.

De kleine bonte specht is de kleinste specht in een groot deel van zijn verspreidingsgebied, inclusief geheel Europa. De lichaamslengte van een volwassen vogel bedraagt 14 tot 16 centimeter en de vleugelspanwijdte 25 tot 27 centimeter.
De snavel en poten zijn grijs gekleurd en de iris kastanjebruin. Het verenkleed is aan de bovenzijde overwegend zwart en aan de onderzijde wit met vage donkere streepjes. De vleugels zijn aan de bovenzijde duidelijk gebandeerd met brede, witte banen. De zwarte onderrug heeft smallere witte banen. Ook de staart is wit gebandeerd. Net als de meeste spechten heeft de kleine bonte specht staartpennen met stugge veerschachten, die extra ondersteuning bieden tijdens het klimmen. De kop is overwegend wit op de zijkanten en de keel. Vanaf de snavel loopt een zwarte baardstreep door tot halverwege de nek. Het voorhoofd is wit gekleurd, vaak met een gele tint.

De kleine bonte specht is duidelijk seksueel dimorf wat betreft de koptekening. Alleen het mannetje heeft een rode kruin, aan de zijkanten gebiesd met een zwarte streep. Het vrouwtje heeft een geheel zwarte kruin en is dus geheel zwart-wit gekleurd. Het juveniele mannetje heeft een roze vlek op de voorste helft van de kroon, bij het vrouwtje is deze plek donker of grijs gevlekt.
De kleine bonte specht vertoont qua gedrag en leefwijze veel overeenkomsten met de grote bonte specht. Ook de sterk golvende vlucht van beide vogels lijken sterk op elkaar. De kleine bonte specht brengt het grootste deel van de dag door in de bovenste boomlagen. ’s Nachts slaapt hij in oude nestholtes.

De kleine bonte specht prefereert loofbossen en boreale bossen, maar komt ook voor in gemengde bossen, oeverbossen, boomgaarden en parken. De kleine bonte specht kan zich goed handhaven in productiebossen, mits er voldoende volwassen en dode bomen aanwezig zijn.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Kleine Vuurvlinders in de Gaas

Kleine Vuurvlinders in de Gaas zorgen voor een volgende generatie.

Het verschil tussen de mannelijke en vrouwelijke exemplaren is niet zo groot: aan de onderzijde zijn de zwarte vlekjes op de voorvleugel van het vrouwtje groter en meer ongeordend. In zeer kleine aantallen worden exemplaren waargenomen met een lichtgele of witte in plaats van het oranje tekening.

Met een voorvleugellengte van rond de 13 millimeter is de kleine vuurvlinder een vrij kleine vlinder. De vliegtijd in Nederland en België is van maart tot en met oktober, in twee of drie jaarlijkse generaties. De grootste aantallen vlinders worden gezien in augustus en september.

Het mannetje zoekt een vrouwtje om mee te paren. Er zijn twee zoekstrategieën: patrouilleren en op wacht zitten. Bij het patrouilleren vliegt een mannetje rond en zoekt actief naar een vrouwtje. Bij het op wacht zitten, blijft een mannetje aan de grond en vliegt het op als er een soortgenoot verschijnt. Recent onderzoek aan een ondersoort van de kleine vuurvlinder geeft aan dat bij hogere lichtintensiteit er meer wordt gepatrouilleerd. Vermoedelijk kunnen vlinders die patrouilleren makkelijker warmte kwijt aan de omgeving. Vrouwtjes paren in hun leven slechts een keer, mannetjes zijn vrij vasthoudend bij het aandringen op paring. Als vrouwtjes hebben gepaard, voorkomen zij daarom toenadering door aandringende mannetjes door hun vleugels gesloten te houden.

De eitjes worden bij volle zon afzonderlijk afgezet op de onderkant van het blad van de waardplant. Een wijfje dat eitjes gaat afzetten heeft een lage vlucht die vaak wordt onderbroken. Als er een wolk voor de zon schuift, wordt het afzetten van de eitjes onderbroken. In het voorjaar heeft het wijfje een voorkeur voor hoge planten in hoge begroeiing, in het najaar voor lage planten in een lage begroeiing.

Bron Wikipedia Foto’s Tonnie Verheijden

Putters in de Witbrant

Deze week heel veel putters tegengekomen in de Witbrant, ook wel Distelvinken genoemd.

De putter is een relatief slanke vink met een kenmerkende koptekening. Zijn rode gezicht is omlijst met een brede witte band, terwijl het achterhoofd zwart is. Over de zwarte vleugels loopt in de lengte een brede gele band. Verder is het verenkleed lichtbruin op de rug en de flanken, wit op de onderzijde en zwart op de staart.

In de westerse wereld wordt de putter sinds lange tijd als kooivogel gehouden. Sommige putten met een klein emmertje zelf hun water uit een waterreservoir. Hieraan dankt de putter zijn Nederlandse naam.

Een volwassen putter heeft een rood masker en een donkere teugelstreep. Achter dit rode masker loopt bij de meeste ondersoorten een brede witte baan van de oorstreken tot aan de kin. Daarachter bevindt zich een volgende zwarte baan, die van boven de schouders tot aan de kruin loopt. Bij putters in het meest oostelijke gedeelte van het verspreidingsgebied, de zogenoemde caniceps-groep, ontbreekt de zwart-witte tekening achter het rode masker. Bij hen is dit gebied effen grijs.

De vleugels zijn overwegend zwart. De slagpennen hebben witte toppen en een grote gele vlek in het midden. Wanneer de putter zijn vleugels spreidt, is een brede gele vleugelstreep zichtbaar. Ook de staartpennen zijn zwart en hebben een wit uiteinde. Aan de onderzijde is het verenkleed overwegend wit.

De bovenzijde en de borst van de putter is geelbruin in het winterkleed en grijzer en lichter gekleurd in het zomerkleed. Het zomerkleed verschijnt na het slijten van de veerpunten. De bovendelen en de borst worden grijzer en lichter gekleurd en de uiteinden op de slag- en staartpennen vertonen minder wit. Ook is de lichte vlek achter in de nek witter. De snavel is in het zomerkleed geheel wit, maar in het winterkleed krijgt het een donker gekleurde snavelpunt.

De putter heeft een voorkeur voor kleine zaden, zoals die van distels en andere composieten. Dankzij zijn lange snavel kan de putter deze moeilijk te bereiken zaden bemachtigen. In een groot deel van zijn verspreidingsgebied is de putter de enige vogel die het zaad van kaardebollen kan bereiken, welke zich aan de onderkant van lange, stekelige buizen bevindt.

Behalve kleine zaden voedt de putter zich met bessen, knoppen (onder andere van de paardenbloem) en gras. In de winter bezoekt hij ook de voedertafel. Nestlingen worden ook gevoerd met insecten.

Bron Wikipedia – foto Tonnie Verheijden