Schotse Hooglanders

schotse-HSchotse Hooglanders in Huis ter Heide hebben toch wel een mooi leven zo heel de dag te grazen en te lopen door het Natuurgebied.

Schotse Hooglanders, ook wel Highland Cow genoemd, is een meestal roodbruin runderras dat oorspronkelijk uit Schotland komt. Ze hebben lang haar en lange horens.
Naast roodbruine exemplaren komen ook zwarte, blonde, ‘roan’ (bruin/zwart gestreept) en soms ook witte exemplaren voor. Een volwassen stier weegt 800 kilo en een koe 500 kilo. Schotse hooglanders kunnen tot achttien jaar oud worden. In die tijd kan een koe ongeveer vijftien kalveren ter wereld brengen. De draagtijd is ongeveer tien maanden. Koeien hebben wijd uitstaande, naar boven gerichte horens, terwijl die van de stieren horizontaal naar voren staan.

Schotse-jong.1000

Dit runderras is geschikt om in natuurgebieden jaarrond als grote grazer te worden ingezet. Ze hebben weinig zorg nodig en zijn zelden agressief. De dieren zijn in Nederland dan ook veelvuldig te zien in natuur- en recreatiegebieden zoals in het Nationaal Park Veluwezoom. Hooglanders voeden zich ook met planten die veel andere rundersoorten links laten liggen, en door hun lange haar kunnen ze ook in de wintermaanden buiten blijven.

Bron: Wikipedia  Foto’s T.V.S. Nature Photography

Wilde zwanen

wilde-zwanen

Op zoek naar trekvogels kwam ik 2 Wilde zwanen tegen bij het Leikeven in Huis ter heide. De Wilde zwanen zijn echte wintergasten.

De wilde zwaan (Cygnus cygnus) is een ongeveer 1,5 meter grote, witte zwaan die voorkomt in Noord-Europa en Azië.
Kenmerken
De lengte varieert van 140 tot 165 centimeter; de spanwijdte bedraagt 205 tot 275 cm. De soort is verwant aan de trompetzwaan (Cygnus buccinator), die voorkomt in het noorden van Amerika. Het onderscheid met de even grote en ook in Noordwest-Europa voorkomende knobbelzwaan is dat de wilde zwaan een zwarte snavel heeft met een grote gele vlek aan de basis. De gele vlek loopt naar voren uit in een punt, een verschil met de afgeronde en minder ver naar voren doorlopende gele vlek bij de kleinere maar in uiterlijk verder sterk gelijkende kleine zwaan (Cygnus bewickii). De bovenkant van de snavel verloopt recht, zonder de knobbel die de knobbelzwaan heeft. Wilde zwanen zijn schuwer dan de knobbelzwaan, en geven de voorkeur aan een rustige nestelgelegenheid. Ze zijn luidruchtig, zowel tijdens het vliegen als bij de verdediging van hun territorium.

Voortplanting
Het legsel bestaat meestal uit vier tot zeven crèmewitte eieren, die in ongeveer 36 dagen door het vrouwtje worden uitgebroed. De kuikens zijn grijswit.

Verspreiding en leefgebied
Deze soort komt voor in Eurazië en overwintert in India en zuidoostelijk China.

Bron: wikipedia.nl    Foto: T.V.S. Nature Photography

Grote Zilverreiger

grote-zilverreiger.1000

Op dit moment ben ik dikwijls bij Huis ter Heide aan het fotograferen vanwege de vogeltrek. De Grote Zilverreiger is daar ook al een paar weken aanwezig, het is een hele grote Reiger in zijn vlucht kun je de grote spanwijdte goed zien.

De grote zilverreiger (Ardea alba) is een witte vogel uit de familie der reigers. Voorheen stond de vogel ook bekend als Egretta alba (Linnaeus, 1758) of Casmerodius albus.
Met zijn lengte van 85 – 100 cm is de zilverreiger zelfs nog iets groter dan de blauwe reiger. De spanwijdte is 1,45 tot 1,70 m, zijn gewicht 1-1,5 kg.

Voortplanting
De grote zilverreiger nestelt in bomen, vaak in kolonies met andere in kolonies broedende watervogels.
Voedsel

Grote zilverreiger spiest met zijn dolkvormige snavel een vis.
Hij leeft van vis, amfibieën, kleine zoogdieren en soms ook reptielen en vogels. Hij foerageert meestal in ondiep water, maar ook op het land. Zijn jachttechniek is eenvoudig: langdurig roerloos staan tot een prooidier in de buurt komt, of heel rustig wadend zijn prooi achtervolgen. Eenmaal dichtbij, spiest (“rijgt”) hij zijn prooi aan zijn dolkvormige snavel.

Verspreiding en status
De reiger komt meer voor in Italië, op de Balkan en in Turkije. De grote zilverreiger is bezig aan een opmars in Europa. De vogel broedt nu ook in België, Nederland, Duitsland, Slowakije, Polen, Wit-Rusland en Litouwen. Het eerste broedgeval in Nederland vond plaats in 1978 (Oostvaardersplassen). Het aantal broedparen in Nederland steeg geleidelijk tussen 1978 en 2007 naar 150 per jaar. Omdat het in het begin niet duidelijk was dat deze vogel als broedvogel zich zou handhaven, werd hij in 2004 als gevoelig op de Nederlandse rode lijst gezet. Op de internationale IUCN-lijst (vermeld als Casmerodius albus) staat hij als niet bedreigd, maar hij valt wel onder het AEWA-verdrag.
Buiten de broedtijd wordt de grote zilverreiger in Nederland en België ook steeds vaker waargenomen.

Bron: wikipedia.nl Foto: T.V.S. Nature Photography

Rode Eekhoorn

eekhoorn

Een mooie rode Eekhoorn met prachtige dikke staart in de bossen van het Vennenbos tegengekomen.

De eekhoorn is 18 tot 24 centimeter lang en 250 tot 350 gram zwaar. De borstelige pluimstaart is van 14 tot 20 centimeter lang. Het is een omnivoor, die tot de knaagdieren behoort.
Anders dan de naam doet vermoeden, kan de kleur variëren van zwart tot gelig, met allerlei tinten rood en bruin daartussen. Melanisme komt voor, maar de mate waarin individuen melanistisch zijn verschilt per regio. Gewoonlijk zijn de dieren roodbruin met een witte buikzijde, ’s winters meer grijzig donkerbruin. De kleur wordt ook grijsachtiger naarmate de eekhoorn ouder wordt. De oorpluimen vallen vooral in de winter op. Een eekhoorn kan de haren op de pluimstaart opzetten.
Met zijn lange, gekromde klauwen kan hij makkelijk in bomen klimmen en van tak naar tak springen. Tijdens een sprong spreidt hij zijn ledematen, waarbij de losse huid op de flanken het dier helpt in de lucht te blijven. De pluimstaart dient als roer, waarmee hij zijn sprong kan sturen. Ook kan hij goed zwemmen. De lange staart, de elegante wijze van voortbewegen en de pluimpjes op de oren geven hem een hoge aaibaarheidsfactor.

eekhoorn.1

De eekhoorn voedt zich met name met plantaardig materiaal als noten en zaden van sparren en pijnbomen. Verder eten ze knoppen, paddenstoelen, stukken boomschors, en soms dierlijk materiaal, als insecten, eieren en zelfs jonge vogels. Ook eten ze aarde om mineralen binnen te krijgen. De eekhoorn eet dagelijks vijf procent van zijn lichaamsgewicht aan voedsel. Net als veel andere knaagdieren leggen eekhoorns wintervoorraden aan.

De eekhoorn is een dagdier, dat zich meestal vlak na zonsopgang al laat zien. Ze zijn voornamelijk na zonsopgang en vlak voor zonsondergang actief. ’s Winters laten ze zich alleen ’s ochtends zien. De eekhoorn houdt geen winterslaap. In plaats daarvan houdt hij zich bij gure dagen in zijn nest verborgen, en bezoekt hij op betere dagen ’s ochtends zijn wintervoorraad.
Bron: Wikipedia Foto’s T.V.S. Nature Photography

Kauw met blauwe ogen

Kauw.1

In de Reeshof leeft een Kauw met een afwijkende kleur, vorig jaar zag ik de Kauw al rond scharrelen, nu heb ik er toch maar een foto genomen en toen zag ik de mooie blauwe ogen van de Kauw. hij heeft een wetenschappelijk ring aan.

Kenmerkend zijn de grijze kleur van de zijhals en het achterhoofd en de lichtgroen-grijze oogring. Vrijwel volledig zwarte exemplaren komen overigens ook voor. Kauwen komen meestal in groepen of paren voor en foerageren vaak gezamenlijk in weilanden en wegbermen, ook binnen de bebouwde kom. De paarband blijft ook binnen een grotere groep waarneembaar. De roep is een tsjak-tsjak-achtig geluid. In de groep hebben ze veel geluiden waarmee ze communiceren, van vrolijk kwetteren tot zacht tokkelen (kikakaka ko). De bekendste roep is hun naam “kauw kauw”. De dieren hebben complexe banden met elkaar en blijven als koppel elkaar trouw voor het leven.

TVS_1332

Voedsel
Kauwen hebben een zeer uitgebreid menu, dat voornamelijk bestaat uit kleine ongewervelde dieren (zoals insecten, slakken en spinnen), zaden, granen, eieren en fruit. In de omgeving van de mens doen kauwen zich ook tegoed aan afval en karkassen van overreden dieren.

Kauw als huisdier[bewerken]
Kauwen werden vroeger als huisdier gehouden. Vooral als ze als jong al met de mens in contact komen kunnen ze erg tam worden. Het is wettelijk niet meer toegestaan om kauwen te houden die in de vrije natuur zijn geboren. In gevangenschap geboren en correct geringd mogen zij wel als huisdier worden gehouden.

Het houden van kauwen was niet eenvoudig. Het zijn zeer energieke vogels en in een kooitje kwijnen ze weg. Als ze ouder worden gaan ze vaak een soort paarbinding aan met hun verzorger en mijden anderen in de omgeving. Het dier kan dan zelfs jaloers en agressief reageren op andere mensen.

Bron: wikipedia.nl  Foto’s: T.V.S. Nature Photography

Wintertalingen

TVS_0990.1

De Wintertalingen zijn aan het verzamelen bij het Leikeven in Huis ter Heide.

De wintertaling (Anas crecca) is een vogel uit de familie van Anatidae (zwanen, ganzen, grondel- en zwemeenden). Deze eend komt voor in een groot deel van Europa en Azië. In de noordelijke delen is het een trekvogel die overwintert in de tropen (zie kaartje).
Kenmerken
Een volwassen wintertaling is ca. 35 cm groot en 350 gram zwaar. Het is daarmee de kleinste eend die in Europa voorkomt. Deze eend wordt ook wel de Euraziatische wintertaling genoemd omdat in Amerika een sterk gelijkende soort voorkomt, de Amerikaanse wintertaling (Anas carolinensis) die vroeger (en soms nog) beschouwd werd (wordt) tot een ondersoort (A. crecca carolinensis).
Het mannetje van de wintertaling is overwegend grijs en heeft een kastanjebruine kop met daarop rond het oog een glazend groene vlek, omzoomd door dunne gele lijntjes. Andere opvallende kenmerken zijn een horizontale witte streep op beide flanken en een helder, okergele vlek op de anaalstreek. Vrouwtjes zijn bruin, met uitzondering van een kleine groene spiegel (achterkant van de vleugel), een kenmerk dat beide seksen hebben en waardoor zij zich onderscheidt van het vrouwtje van de zomertaling.

TVS_0989.1

Leefwijze
Hun voedsel bestaat voornamelijk uit plantenkost (zaden), maar ook kreeftachtigen en insecten staan op het menu. Het mannetje maakt een hoog fluitend geluid, terwijl het vrouwtje kwaakt.

Broedgedrag
Deze vogels broeden op de toendra, in graslanden en bosachtige streken, soms in zeer kleine watertjes. Het legsel bestaat uit acht tot elf lichtgele of lichtgroene eieren, die door het vrouwtje gedurende 23 dagen worden bebroed.

Bron: wikipedia.nl   Foto: T.V.S.Nature photography

Stadsreus

TVS_2946

Stadsreus ook wel Hoornaarzweefvlieg genoemd,  is een insect uit de familie zweefvliegen vliegt al een paar dagen rond in de tuin is een onschuldig diertje.

Deze zweefvlieg wordt groter dan de meeste soorten en kan 2,5 centimeter bereiken.
Het is zoals alle zweefvliegen een onschuldig diertje dat leeft van nectar en stuifmeel, maar sprekend op een gevaarlijke soort lijkt. Dit wordt mimicry genoemd, en deze soort lijkt op de hoornaar, die tot de wespen behoort, vanwege de grootte en de oranjebruine kleuren.

TVS_2952

Andere zweefvliegen lijken meer op kleinere soorten wespen vanwege een zwart-gele bandering of meer op hommels door een dichte beharing. De belangrijkste verschillen zijn de taille, die zweefvliegen niet hebben maar wespen wel, en de zeer schichtige vliegbewegingen, de hoornaar vliegt zigzaggend en meer vloeiend. Ook zijn wespen ogen meer langwerpig van vorm, die van de zweefvlieg bijna rond. Het achterlijf van de stadsreus is geel met dunne zwarte dwarsstrepen, een bruinoranje glanzend borststuk en een gele kop.

Bron: Wikipedia Foto’s: T.V.S. Nature Photography

Ooievaars

TVS_2737

Ooievaars

De 37 Ooievaars waren in een wei geland, vorige zondag waren ze vlakbij in Huis ter Heide te zien aan het Leikeven.

Ooievaars zijn een groep grote vogels met lange poten en een lange hals. Zij hebben een lange, rechte en stevige snavel. Ze hebben vrij korte tenen die aan de basis enigszins gewebd zijn. Zij hebben enige kenmerken gemeen met de Gieren van de Nieuwe Wereld (Cathartidae), onder andere dat ze bij dreigende oververhitting hun poten met vloeibare uitwerpselen bedekken om zo door verdamping warmte te verliezen. Zij hebben een statige manier van lopen en in tegenstelling tot de reigers vliegen ze met gestrekte hals. Zij zweven vaak groepsgewijs op de thermiek rond, soms tot grote hoogte.

TVS_2745

Zij houden van drassige gebieden en eten vooral insecten, kikkers, kleine reptielen en andere waterbewoners, hoewel sommigen ook aaseters zijn. Ze hebben geen roep omdat er spieren in hun keel ontbreken en gebruiken snavelgeklepper om elkaar te begroeten.

Bron: wikipedia  Foto’s: T.V.S. Nature Photography

Blauwborst

blauwborst

Blauwborst, een paartje Blauwborsten in Huis ter Heide tegengekomen een prachtige vogel met vele kleuren, de kleur van de vrouwtjes zijn bruin met beige en een witte borst.

blauwborst.1

De Blauwborst is een zangvogel uit de onderfamilie Saxicolinae en is verwant aan de nachtegaal.
Kenmerken
In het voorjaar heeft het mannetje een helderblauwe keel en borst, afgezet met een zwarte en roodbruine band. ’s Winters vervaagt de blauwe kleur enigszins. De blauwborst meet van kop tot puntje van de staart circa 14 centimeter.
Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit insecten, in de nazomer eet hij ook wel bessen. Het is een snelle vlieger, die meestal verborgen leeft in de vegetatie.

Voortplanting
Het nest is aan de binnenzijde gevoerd met paardenhaar of pluisjes en bevindt zich goed verborgen tussen de vegetatie op de bodem. Het legsel bestaat uit 5 tot 6 groenachtige eieren met fijne roodbruine stippen. De broedtijd neemt ongeveer 14 dagen in beslag. Beide ouders belasten zich met de zorg.

Voorkomen in Nederland en Vlaanderen
De blauwborst is een stuk minder bekend dan de roodborst die ook tot dezelfde onderfamilie behoort. De soort broedt in lastig toegankelijk moerasgebied en trekt ’s winters weg. Het roodborstje daarentegen broedt in bossen, tuinen en parken en is het hele jaar te zien en te horen. De blauwborst was tussen ca. 1900 en 1975 in Nederland en Vlaanderen een geleidelijk in aantal afnemende vogelsoort die broedde in kleine veenmoerassen, broekbossen langs beken en in grienden. Deze biotoop werd steeds zeldzamer door drooglegging en herverkaveling. Rond 1975 kwam hierin kentering. Door de afsluiting van het Haringvliet ontstonden verruigde, natte wilgenbossen in de Biesbosch. Ook in Flevoland ontstonden grote, moerassige natuurgebieden, evenals in het rivierengebied (‘ruimte voor de rivieren’). Dit leidde ertoe dat de blauwborst tussen ca. 1975 en 2005 geleidelijk toenam.
In Vlaanderen komt de blauwborst voor in kreken, opgespoten vlaktes en riviervalleien. De soort breidt zich ook daar verder uit, zelfs naar beekoevers in verder intensief gebruikte landbouwgebieden.

Bron: wikipedia.nl Foto’s T.V.S. Nature Photography

Huis ter Heide De Moer

Huis ter Heide  De Moer

TVS_2646

Een mooie wandeling door de bossen en langs het Leikeven gemaakt in het natuurgebied van Huis ter Heide in De Moer.
TVS_2606-2

Het Landgoed Huis ter Heide is een natuurgebied van de Vereniging Natuurmonumenten. Het is gelegen tussen de plaatsen De Moer en Loon op Zand, ten noordwesten van Tilburg, in de Nederlandse provincie Noord-Brabant. De grootte van het gebied is ongeveer 650 hectare.

Het noordelijke gedeelte van het gebied bestaat vooral uit bos, terwijl het zuidelijke gedeelte, Loonse Heide genaamd, vooral vennen en landbouwpercelen bevat. Het doel van Natuurmonumenten is de ongerepte natte heide, zoals die hier in 1940 zichtbaar was, weer terug te krijgen. Flora en fauna als de waterlobelia, de klokjesgentiaan, de zonnedauw, de heikikker en de vinpootsalamander zijn hier te vinden. Ook grazen er Schotse hooglanders, om te zorgen voor een grotere variatie aan begroeiing.

Het gebied bevat een landhuis uit 1864. De talrijke munitie-opslagcomplexen die eveneens in het gebied lagen werden opgeruimd.

De toponiemen: Galgeneind en Galgenbaan verwijzen naar het galgenveld dat zich hier eens bevond. Hier werden de lijken tentoongesteld van onder meer de leden van een bende die in de 18e eeuw de omgeving van Loon op Zand onveilig maakte.

Men is voornemens het Plan Woudspoor tot uitvoering te brengen, waarmee een verbinding tussen het Landgoed Huis ter Heide en de Loonse en Drunense Duinen tot stand zal worden gebracht.
TVS_2570

ooievaars

Bron: wikipedia.nl    Foto’s: T.V.S.nature photography

Kolibrievlinder

TVS_1851

Kolibrievlinder, Elke dag komen er 2 kolibrievlinders in de tuin, de ene is een stuk groter dan de andere.

De Kolibrievlinder is te herkennen aan de grijze tot bruine voorvleugels met twee van elkaar af gelegen donkerbruine, dunne en enigszins grillige strepen aan de bovenzijde. De achtervleugels hebben een oranje kleur aan de bovenzijde. De spanwijdte (of vlucht) van de vleugels is ongeveer 5 centimeter.

De waardplanten van de rupsen bestaan voornamelijk uit walstro (Galium) en meekrap (Rubia tinctorum), maar ook andere planten worden gegeten. De rupsen worden tot 4,5 centimeter lang en zijn groen met witte en gele lengtestrepen. De volwassen vlinders zuigen nectar uit bloemen van plantensoorten uit verschillende plantenfamilies. De kolibrievlinder is overdag actief maar kan ook in de schemering en ’s nachts vliegend worden aangetroffen.

TVS_1834

De kolibrievlinder is als trekvlinder en als standvlinder in de Benelux het gehele jaar aan te treffen. In de hete en droge zomers van 2003 en 2006 is de soort hier massaal waargenomen. Veel trekvlinders, zoals de doodshoofdvlinder, komen pas aan het einde van de zomer aan in Nederland, maar de kolibrievlinder is soms al in het voorjaar te vinden. De eieren worden in Nederland van mei tot september afgezet. Van exemplaren die al in januari werden aangetroffen werd gedacht dat het overwinterende vlinders betrof maar het blijkt waarschijnlijk toch om immigrerende vlinders te gaan. De vlinder kan in Nederland vrijwel het gehele jaar worden waargenomen, maar vliegt vooral in de maanden augustus en september.

Ook in België is de vlinder de afgelopen jaren in het gehele land aangetroffen. De kolibrievlinder heeft de beschermingsstatus “Vrij Algemeen”.

Bron: wikipedia.nl  Foto’s T.V.S.Photography

Watersnuffel

TVS_1147

Watersnuffel zat op een sprietje aan de bosrand van de Gaas, Watersnuffel zijn maar heel klein, als ze vliegen kunt je ze in de gaten houden waar ze gaan zitten. De Watersnuffel is een 32 à 35 mm grote juffer.

De soort Watersnuffel staat op de Rode Lijst van de IUCN als niet bedreigd, beoordelingsjaar 2007.. De watersnuffel komt in Nederland en België algemeen voor. De soort is over heel Europa verspreid, behalve in IJsland. De watersnuffel kan waargenomen worden vanaf begin mei tot september meestal bij stilstaand water. De soort kan massaal voorkomen bij zure en voedselarme vennen en op hoogveen.

TVS_1154

De watersnuffel is zeer moeilijk te onderscheiden van de azuurwaterjuffer (Coenagrion puella). Op de rug van het borststuk heeft de watersnuffel meer blauw dan zwart, bij de azuurwaterjuffer is dat omgekeerd. Verder is het eerste zwarte figuurtje op het achterlijf bij de watersnuffel paddenstoelvormig, bij de andere soort hoefijzervormig. Ten slotte heeft de watersnuffel op de zijkant van het borststuk één klein zwart streepje in het blauw terwijl alle andere blauwe waterjuffers er twee hebben…

Op de foto is een kenmerkend verschil met echte libellen (Anisoptera) goed zichtbaar: juffers houden de vleugels in rust samengeklapt achter zich, terwijl echte libellen de vleugels horizontaal houden (vergelijk bijvoorbeeld met de paardenbijter).

Bron: wikipedia.nl   Foto’s T.V.S.photography

Groot Dikkopje

TVS_1008Groot Dikkopje Sinds gisteren vliegt het Groot Dikkopje weer rond in de natuur, tijdens mijn wekelijkse vlinderroute ben ik 10 Grote Dikkopjes tegengekomen.

Het groot dikkopje (Ochlodes sylvanus) is een vlinder uit de familie dikkopjes (Hesperiidae). De wetenschappelijke naam van de soort is, als Papilio sylvanus, voor het eerst geldig gepubliceerd in 1853 door Otto Vasilievich

TVS_1064

 

De vleugel varieert in lengte tussen de 12 en 15 millimeter en is aan de bovenkant oranje/bruin en aan de onderkant geel/bruin met lichte vlekken. Bij de mannelijke vlinder zijn op de voorvleugels donkerkleurige geurschubben te zien.

Verspreiding en leefgebied
Het leefgebied van het groot dikkopje loopt van Europa via Noord-Azië tot Japan. De vlinder komt voor in bosrijke gebieden op vochtige, matig voedselrijk grasland. In berggebied komen ze tot een hoogte van 1800 à 2000 meter voor.

Leefwijze
De vliegtijd is van juni tot en met augustus met jaarlijks één generatie.

Bron: wikipedia.nl    Foto’s: T.V.S.Photography

Bruin zandoogje

TVS_0806

 

 

 

 

 

Wel leuk om ook eens een Bruin zandoogje tegen te komen ipv een Oranje zandoogje.

Het Bruin zandoogje heeft een voorvleugellengte van 21 tot 28 millimeter. Het vrouwtje is iets groter dan het mannetje. Bij het mannetje is de bovenkant van de vleugels bruin. In de vleugelpunt van de voorvleugel bevindt zich een zwarte “oogvlek”. Bij het vrouwtje bevindt zich op de voorvleugel een oranje veld, en heeft de oogvlek meestal een witte kern. Verwarring met het oranje zandoogje is mogelijk, maar bij het vrouwtje van het bruin zandoogje zit geen oranje op de achtervleugel, of heel weinig, terwijl bij het oranje zandoogje de achtervleugel oranje met een bruine rand is.

De achterrand van de achtervleugel is gekarteld.

bruinzandoogje

De onderkant van de achtervleugel is lichtbruin, de buitenste helft is meestal wat lichter van kleur. In dit wittige veld bevinden zich enkele kleine zwarte soms oranje omrande vlekjes. Bij het oranje zandoogje is de onderzijde van de achtervleugel duidelijk contrastrijker. De bovenvleugel is oranje met een bruine rand, en in de vleugelpunt een zwarte oogvlek met een of soms twee witte puntjes.

Bron: wikipedia.nl   Foto’s: T.V.S.fotografie zoomm.nl