Torenvalk

_tvs9771

Altijd mooi om de zien als een Torenvalk ziet vliegen boven je gebied.

Een volwassen exemplaar is 30 tot 38 centimeter groot.Het mannetje heeft een grijsblauwe kop en nek, een roodbruine rug en vleugels met donkere vlekken. De staart is blauwachtig grijs en heeft een zwarte eindband. Het vrouwtje is identiek aan het mannetje, maar heeft een bruine kop en nek, dwarsbandjes op de rug en vleugels en een bruine staart.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine zoogdieren en insecten, bijvoorbeeld muizen en kevers. Torenvalken zijn in staat urinesporen van muizen te detecteren. Hierdoor kunnen ze snel populaties van muizen vinden en bejagen.
Ze bouwen zelf geen nest, maar kiezen vaak een oud kraaiennest als nestplaats. Ook gebruiken ze graag nestkasten waar ze zicht hebben op een open ruimte waar ze kunnen speuren naar voedsel. Het legsel bestaat uit vier tot negen witte, rode of geelgrijze eieren.

handtekening.5

Hazenpootje

tvs_8960Het hazenpootje (Coprinopsis lagopus) is een paddenstoel uit de familie Psathyrellaceae. De smalle capsule-vormige hoed van jonge exemplaren van de hazenpootinktzwam is dicht bezet met witte haren, die niet opvallen als de hoed nat is. Bij rijpheid, slechts enkele uren later, is de hoed vrijwel kaal, in het midden vlak uitgespreid en de rand is sterk naar boven en naar binnen gekruld. Als de sporen rijp worden vervloeien de plaatjes tot een zwarte “inkt”, net als bij andere “inktzwammen”. Hij komt voor op houtafval in bossen over de hele wereld en in stedelijke gebieden. Soms lijkt hij op aarde te groeien, maar die blijkt dan altijd rijk aan weinig verteerde houtresten. De zwamvlok bevindt zich in vochtig dood loofhout, bijvoorbeeld in houtsnippers in plantsoenen, en leeft dus als saprofiet.

tvs_8954

De hazenpootinktzwam is een saprofyt die leeft van dood, niet al te sterk verteerd hout in bossen en stedelijke gebieden. Hij staat op zichzelf of in kleinere groepen. Hij verschijnt afhankelijk van vochtigheid en temperatuur op verschillende tijden van het jaar, in Groot-Brittannië van mei tot november, in mediterrane gebieden in de winter. De paddenstoelen komen voor in sterk uiteenlopende formaten van minder dan 1 cm tot meer dan 10 cm hoog. Een individuele paddenstoel verschijnt, groeit uit en vervloeit in minder dan een dag.

handtekening.5

Hoornaar

_tvs9247

De Hoornaar kwam elke dag voor zijn fruithapje.

De hoornaar of paardenwesp (Vespa crabro) is een vliesvleugelig insect uit de familie plooivleugelwespen (Vespidae). De hoornaar behoort tot de echte wespen of papierwespen (Vespinae) en is een van de bekendere soorten wespen in Europa.

De hoornaar kan tot 3,5 centimeter lang worden en is hiermee de grootste wespachtige van België en Nederland. Daarnaast komt de wesp voor in delen van Azië en is door de mens uitgezet in Noord-Amerika. Behalve door indrukwekkende afmetingen valt de hoornaar op door zijn roodbruine kop en borststuk en het duidelijk hoorbare, zoemende vlieggeluid. De soort komt niet in grote aantallen voor in België en Nederland, maar is ook weer geen zeldzaamheid. De hoornaar is vooral aan te treffen in het oosten van Nederland. De hoornaar wordt meer dan twee keer zo groot als de meeste andere wespen zoals die uit het geslacht Vespula. Ondanks de indrukwekkende lichaamsgrootte en het luide gezoem is de hoornaar beduidend minder agressief in vergelijking met andere wespen.

De steek van de hoornaar is pijnlijker dan de steek van een honingbij maar het gif is minder krachtig. Hoornaars gebruiken het gif om insecten te doden die zij vervolgens met de kaken vermalen tot een papje en aan de larven voeren. De larven geven op hun beurt een zoete vloeistof af aan de werksters die de suikers gebruiken als brandstof om te kunnen vliegen en zo nog meer insecten te vangen.

Het nest wordt gemaakt van cellulosevezels die van bomen worden geknaagd. Het nest is bolvormig en bestaat uit meerdere raten. In het nest van de hoornaar is geen honing aanwezig zoals bij de ver verwante honingbij het geval is.

handtekening.5

Boomblauwtjes

TVS_8454Boomblauwtjes vliegen langs de bomen in de Gaas en gaan op zoek naar bloemetjes voor nectar.

Het boomblauwtje (Celastrina argiolus) is een vlinder uit de familie Lycaenidae, de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes.
De wetenschappelijke naam argiolus is een verkleinwoord van argus en verwijst ernaar dat de soort kleiner is dan het heideblauwtje (Plebejus argus).

De voorvleugellengte van de vlinder bedraagt tussen de 13 en 16 millimeter.
De vleugels van mannetjes zijn aan de bovenzijde vrijwel geheel fel lichtblauw met een smalle zwarte rand, terwijl de vrouwtjes een brede zwarte band langs de voorvleugels hebben. De franje is wit, bij de voorvleugel zijn er enkele zwarte onderbrekingen. De vlinder is met name goed te herkennen aan de zilverwitte tot lichtblauwe onderzijde van de vleugel waarop zwarte stippen te zien zijn. Verder vliegt deze vlinder niet of nauwelijks dicht bij de grond (beneden 50 cm hoogte), dit in tegenstelling tot vele andere blauwtjes.
TVS_8459Het eitje is klein een afgeplat wittig bolletje en heeft een honingraatstructuur. Eitjes zijn bijzonder lastig te vinden.

De rups is geelachtig groen, met een variabele rode tekening, al dan niet met rozewit, langs de rand en als rugstreep. Deze tekening ontbreekt echter vaak. Het lichaam is bedekt met korte witte haartjes. De kop is zwartbruin. De rups wordt 14 tot 17 mm lang.
De waardplanten van de vlinder zijn diverse struiken, onder andere klimop, hulst, vlinderstruik, struikhei, vuilboom, kornoelje, grote kattenstaart, wegedoorn en kardinaalsmuts. De eitjes worden afzonderlijk afgezet hoog in de waardplant, aan de basis van bloemknoppen of bij jonge vruchten. Er is een voorkeur voor grotere planten die in de zon staan. Het vrouwtje zet soms ook eitjes af op planten die ongeschikt zijn. De rups overleeft niet op sneeuwbes en op bijvoorbeeld blauwe regen kan hij niet volgroeid raken, omdat de bloemen te snel afvallen en geen vrucht vormen. In verschillende generaties worden verschillende waardplanten gebruikt. In het voorjaar worden vooral hulst en sporkehout gebruikt, in de zomer vooral klimop, grote kattenstaart, struikhei en vlinderstruik.
handtekening.5

Icarusblauwtje

TVS_8414 copyIcarusblauwtje vloog langs de bosrand in de Gaas altijd mooi om de blauwe kleur te zien.

Veel Icarusblauwtje-vrouwtjes zijn van boven bruingekleurd met oranje vlekjes. Daardoor worden deze vrouwtjes soms aangezien voor bruin blauwtjes. De mannetjes zijn aan de bovenzijde egaal blauw.

TVS_8419 copyVerspreiding
Het Icarusblauwtje komt algemeen voor in heel Europa, op droge schrale graslanden tot matig vochtige steppe. Ook in Nederland en België is de vlinder zeer algemeen. In 2005 is de soort voor het eerst ook in Noord-Amerika gevonden, in de buurt van Mirabel in de Canadese provincie Quebec.

De vliegtijd is van april tot en met oktober. De rups overwintert, meestal het derde rups stadium.

Waarnemingen van feitelijke ei-afzetting zijn vrij zeldzaam. De eitjes worden tussen de bovenste bladeren op de jonge nog niet bloeiende planten van gewone rolklaver afgezet.

handtekening.5

Paardenbijter

_TVS8190De Paardenbijter is ook weer aanwezig in de tuin toevallig ging hij even zitten, ze zijn heel moeilijk te fotograferen ze vliegen met snelle bewegingen op en neer om insecten te vangen.
De paardenbijter bijt geen paarden, maar dankt zijn naam aan het feit dat hij vaak jaagt op insecten die zich dicht bij het lijf van dieren of mensen ophouden, waardoor het lijkt of hij ze bijt.
De paardenbijter vliegt laat: van begin juli tot in november, met de grootste aantallen in augustus en september. Paardenbijters zijn vooral in de middag actief, op warme avonden zelfs tot diep in de schemering.

De levenscyclus duurt een jaar, mogelijk soms twee jaar. De (eerste) winter wordt doorgebracht als ei. De larven leven in allerlei stilstaande en langzaam stromende, vaak voedselrijke en niet zure wateren. Ze houden zich op in de oeverzone of in verlandingsvegetatie, tussen plantenstengels en dood plantenmateriaal. De larve kan zich ook ontwikkelen onder licht brakke omstandigheden. Het uitsluipen gebeurt gedurende een lange periode van eind juni tot eind september. Imago’s worden vaak in groepen aangetroffen, jagend langs bosranden op boomkruinhoogte. De mannetjes vertonen territoriaal gedrag langs de waterkant, maar zijn minder agressief dan andere glazenmakers. De eitjes worden door het vrouwtje afgezet in allerlei levende en dode plantendelen.

In Nederland plant de paardenbijter zich voort in allerlei typen stilstaand water, waaronder kleine en middelgrote plassen, poelen, tuinvijvers en sloten. De voorkeur gaat uit naar wateren met een goed ontwikkelde oevervegetatie. De larven kunnen zich zelfs ontwikkelen in brak water. In het buitenland is de soort ook aangetroffen bij zwakstromend water.[2][3]

handtekening.5

Melkwitte zomervlinder

P1020479Melkwitte zomervlinder, Op de raam zat een klein Melkwitte zomervlindertje, een nachtvlinder dat kun je zien aan zijn veren antennes.

De voorvleugellengte bedraagt tussen de 11 en 13 millimeter. De kleur van de vleugels is aanvankelijk bleekgroen, maar al snel bleekt het groen weg en is de vlinder vooral melkwit. Zowel op de voorvleugel als op de achtervleugel bevinden zich twee witte dwarslijnen, die ook bij uitgebleekte exemplaren in het algemeen zichtbaar zijn.

De melkwitte zomervlinder gebruikt berk, eik en bosbes als waardplanten.
De soort komt verspreid over het Palearctisch gebied voor. Hij overwintert als pop.
De melkwitte zomervlinder is in Nederland en België een algemene soort, die verspreid over het hele gebied kan worden gezien, in Nederland vooral op de zandgronden en in de duinen. De vlinder kent jaarlijks een of twee generaties die vliegen van halverwege april tot halverwege augustus.

handtekening.5

Groene Specht

TVS_8027

De jonge Groene Specht landen in een kale berk naast ons huis, het is weer een tijdje geleden dat ik hem in onze omgeving had gespot

De groene Specht is 31 tot 34 cm groot en 160 tot 250 gram zwaar. De groene specht is olijfgroen van boven en licht grijsgroen van onder, hij is zwart in zijn gezicht en het mannetje heeft een rode wangvlek, is rood boven op de kop en in de nek, geel op de borst, in de oorstreek, de kin en de keel witachtig. De vleugelveren zijn bruinzwart, gelig of bruinwit gevlekt, de stuurveren zijn groengrijs en zwart geband; de ogen zijn blauwwit en de poten en snavel zijn loodgrijs. Hij beweegt zich gemakkelijker op de grond voort dan de meeste andere spechten. Deze specht roffelt weinig, maar heeft een luide lach. Vrouwtjes hebben een zwarte streep onder het oog, die baardstreep wordt genoemd. Bij mannetjes is deze rood en zwart omzoomd.

TVS_8071

Het voedsel van de groene specht bestaat uit grote mieren, vooral rode mieren maar ook uit andere insecten en bessen. De tong kan tot 10 cm buiten de snavelpunt worden uitgestoken, zo kunnen larven en cocons van mieren uit hun nest gelikt worden. Het uiteinde is daartoe verbreed en plat en heeft haakvormige uitsteeksels. Een speekselklier houdt de tong kleverig.

handtekening.5

 

Distelvlinder

distel.2016

Als de Distelvlinder eenmaal je vlinderstruik heeft ontdekt dan blijft hij ook elke dag terugkomen.

Distelvlinders hebben oranje vleugels met zwarte vlekken, en aan de vleugelpunten van de voorvleugels een zwart gebied met witte vlekken. Aan de onderzijde van de achtervleugels zitten 5 ronde vlekken, die soms een blauw hart hebben en oogvlekken worden. De onderzijde is verder bruin met wit lijntjes in een fijn vakjespatroon. De spanwijdte is 5 tot 6 centimeter. De distelvlinder lijkt door zijn oranje-zwarte tekening enigszins op parelmoervlinders, maar onderscheidt zich makkelijk door de zwart met witte vleugelpunten.

De imago van de distelvlinder drinkt graag nectar van allerlei bloemen, en is bijvoorbeeld vaak te vinden op vlinderstruiken in tuinen. In tegenstelling tot de verwante atalanta komt de distelvlinder echter niet af op rottend fruit.

De distelvlinder gebruikt vooral soorten vederdistel (Cirsium) als waardplant, met een voorkeur voor akkerdistel, kale jonker en speerdistel. Maar ook vele andere planten zoals klit (Arctium), alsem (Artemisia), bernagie (Borago officinalis)[1], slangenkruid (Echium vulgare), zonnebloem (Helianthus), en brandnetel (Urtica) worden gebruikt.

De eitjes worden door het vrouwtje een voor een op de bovenzijde van het blad afgezet. De voorkeur gaat uit naar planten in de volle zon in een lage vegetatie. De rups gaat vervolgens naar de onderzijde van het blad, spint dat met een paar losse draden bij elkaar en voedt zich met het blad. Alleen harde nerven blijven over. Als het blad op is, maakt hij een nieuw spinsel op dezelfde plant en eet daar verder. Zo blijven er rommelige kaalgevreten samengebonden bladeren met uitwerpselen achter. Alleen in het laatste stadium loopt de rups “vrij” over de waardplant. Uiteindelijk verpopt hij meestal op een plant in de buurt van de waardplant, weer in een los spinsel. De totale levensfase als rups duurt ongeveer een maand.

handtekening.5

Grote bonte specht voert haar jonkie

juni.2

Grote bonte specht voert haar jonkie. Een paar keer per dag komt het gezin op bezoek voor voedsel, eerst eet het vrouwtje daarna voer ze haar jonkie.

De grote bonte specht is met een lengte van 20 tot 26 cm en een gewicht van 60 tot 110 gram een vrij grote vogel, die bovenop zwart is en wit van onder. Hij heeft grote, ovale witte schoudervlekken en een rode anaalstreek. De ogen zijn bruinrood, de snavel en de poten zijn grijs. Het mannetje heeft een rode vlek op het achterhoofd, het vrouwtje heeft een geheel zwarte kruin. Juveniele vogels hebben een geheel rode kruin en een roze anaalstreek en lijken daardoor op de middelste bonte specht. Vaak hebben jonge vogels nog gebandeerde schoudervlekken.

De grote bonte specht broedt in alle soorten bos, maar ook in cultuurlandschap met boomgroepen, parken en tuinen, zelfs in grote steden. De grote bonte specht is een vrij schuwe en voorzichtige vogel, maar hij bezoekt wel voedertafels, vetbollen en pindastrengen in tuinen.

handtekening.5

Hooibeestje

TVS_7192
Er zijn heel weinig vlinder op dit moment in de omgeving, de volgende generatie moet nog komen, af en toe kom je er weleens eentje tegen waaronder dit Hooibeestje.
Het hooibeestje (Coenonympha pamphilus) is een kleine vlinder uit de onderfamilie van de zandoogjes en erebia’s (Satyrinae) van de familie Nymphalidae. Het is een standvlinder.

Kenmerken
De voorvleugellengte bedraagt ongeveer 15 millimeter. De bovenzijde is licht oranjebruin met een, vooral bij de vrouwtjes, opvallende kleine zwarte vlek aan de punt van de voorvleugel. Zittend is vaak alleen de bruingrijze onderkant te zien. De mannetjes bezetten een territorium en maken patrouillevluchten.

Verspreiding en leefgebied
Het hooibeestje komt in heel Europa voor; ook in Nederland en België is de soort algemeen. Verder ook in noordelijk Afrika en Azië.

Grasland met een niet te hoge vegetatie, bermen en heidegebieden worden als leefgebied door de vlinder gebruikt, hij is vooral te zien in mozaïekvormige begroeiingen. De vliegtijd is van februari tot en met oktober. Het hooibeestje is een slechte vlieger en daardoor vaak laag boven het maaiveld te zien.

Voortplanting
Er zijn jaarlijks twee generaties van deze vlinder. De eerste generatie is in mei en juni te zien. De eitjes die dan gelegd worden zullen, afhankelijk van de grassoort waarop ze zich bevinden en waarmee ze zich voeden, langzaam of sneller groeien. De snel volgroeide rupsen verpoppen zich nog hetzelfde jaar en vliegt als tweede generatie van eind juli tot ver in oktober. Hun nageslacht overwintert als jonge rups en vliegt in juni en juli van het daarop volgend jaar. De rupsen de langzamer groeien brengen de winter als volgroeide rups door en zijn vanaf de maand mei als vlinder te zien. De verpopping gebeurt aan een stevige grasstengel kort boven de grond.

Waardplanten
Waardplanten van het hooibeestje zijn verschillende soorten grassen, zoals zwenkgras, schapengras en beemdgras. De soort overwintert als rups.

Status
De soort heeft in Nederland in 1991 te maken gehad met een grote terugval in aantal. Dit kwam doordat de rupsen uit hun diapauze waren gekomen in een warme periode in april, waarna enige tijd later weer een koude periode met zelfs nachtvorst kwam, die veel diertjes fataal werd. Daarna zijn de aantallen weer behoorlijk hersteld
handtekening.5

Slotje Oosterhout

IMG_20160604_110615

Telkens als we in Oosterhout gaan winkelen lopen we langs het Slotje een prachtig monument midden in Oosterhout.

Dit slotje was van oorsprong een omgrachte hoeve die in 1454 tot slotje werd uitgebouwd door Peter de Hertog. Het is vernoemd naar het stadje Limburg, hoofdstad van het Hertogdom Limburg, alwaar Peter de Hertog rentmeester was. Ook was hij schepen van Oosterhout. Na Peter’s dood in 1463 kwam het achtereenvolgens aan de geslachten Gijsels van Lier, Van Alkemade, Van Duivenvoorde, Coenen Zegenwerp, Oirtsen, Van der Hoeven, Van Loon, Heyliger en Brouwer.

IMG_20160604_131620

Van 1875-1879 werd het slotje bewoond door de Zusters van het Magdalenenconvent, die gevlucht waren uit het toen Pruisische Czarnowąsy (Opper-Silezië) ten gevolge van de Kulturkampf. Hierna kwamen de Franse Redemptoristen, die toen uit Frankrijk waren verdreven vanwege de Seculariseringspolitiek. Vervolgens werd het slotje weer particulier bezit. Van 1902-1910 woonde er een Franse baron, ene R. de Denesvres de Domecy. Daarna woonde er mevrouw Brouwer Ancher, een telg uit het geslacht Van Oldenzeel tot Oldenzeel. Deze verkocht het slotje aan de gemeente Oosterhout.

Na een verbouwing fungeerde het van 1940-1980 als gemeentehuis. Vervolgens kwam er een architectenbureau in het slotje. Vanaf 24 november 2012 wordt het gebouw gebruikt als hoofdkantoor van de firma De Haan Minerale Oliën.

Gebouw
Het oudste deel van het Slotje Limburg ligt aan de Ridderstraat. Later kwamen er vleugels in westelijke en zuidelijke richting, die om een binnenplaats waren gelegen. In 1940 werd ook de binnenplaats onder een kap gebracht. Hoewel het gebouw veel van zijn oorspronkelijke karakter heeft verloren heeft het met zijn torentjes en omgrachting nog steeds een kasteelachtig karakter.

handtekening.5

Canadese Ganzen

mei.4De Canadese Gans met haar jongen sloeg op de vlucht voor de Camera. mooi om de zien hoe de kleintjes achter hun moeder
aan rende, de vader stond wat verder weg op de uitkijk.

De grote Canadese gans (Branta canadensis), kortweg Canadese gans of canadagans, behoort tot het genus Branta.

Dit genus bevat veel soorten die voornamelijk zwarte veren hebben, zwarte kop en zwarte, lange hals.
Typisch voor deze soort zwarte ganzen is de witte band van de keel tot over de wangen.
De zwarte hals gaat over in een witachtige borst. Dit in tegenstelling tot de soorten van het genus Anser.
Het verenkleed is bij beide geslachten gelijk. De lichaamslengte bedraagt 55 tot 100 cm en het gewicht 3 tot 6 kg.

TVS_6954

Deze herbivore vogels overnachten op het water en eten overdag, zowel op het water als op het land.
Hun voedsel bestaat voornamelijk uit grassen, zaden en graan. Ook dierlijk voedsel staat op hun menu.
Het vrouwtje legt 4 tot 8 witte eieren, die ongeveer 30 dagen worden bebroed.

De grote Canadese gans is een exoot in Europa.
In Nederland waren er al in 1951 broedgevallen in het wild van Canadese ganzen.
Tot in de jaren 1980 werden deze verwilderde dieren afgeschoten.
Na 1987 werd dit niet meer gedaan. Tussen 1987 en 1997 steeg het aantal broedparen van 100 naar 225.
Volgens door SOVON gecoördineerde tellingen van het waterwild in Nederland nam het aantal waargenomen grote Canadese ganzen tussen 1981 en 2006 met 27% per jaar toe.
Het gemiddelde aantal bereikte in 2006 de 20.000. Volgens SOVON is het aantal broedparen in Nederland gestegen tot 3000.

handtekening.5

Brandganzen

TVS_2145-copyDe Brandganzen vlogen richting Huis ter Heide.
De vogel is 58 tot 70 cm lang en heeft een spanwijdte van 120 tot 142 cm, gemiddeld 15 cm korter dan de grauwe gans. De kop is geelachtig wit; achterzijde van de kop, nek en bovenborst zijn zwart. De buik en de onderkant zijn grijswit met een grijze bandering. De vleugels zijn grijsblauw met zwart-witte strepen. De poten en snavel zijn zwart.Het is een sterke vogelsoort die weinig of geen last ondervindt van vriesweer.

Voorkomen
Hun verspreidingsgebied is het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan, van de oostkust van Groenland tot Spitsbergen en het zuiden van Nova Zembla in moerassige gebieden in de nabijheid van de zee, in riviermondingen en op wadden. In de zomer broeden de vogels rond de poolcirkel, waar ze door de extreem lange daglengte bijna 24 uur per dag zicht hebben en zo in staat zijn hun eieren en kuikens te beschermen. Belangrijke predatoren, zoals poolvossen, hebben zo aanzienlijk minder kans om de brandganzen te bedreigen. Het wintergebied bevindt zich vooral aan de kusten van Ierland, de westkust van Schotland en de Noordzeekust van Duitsland en Nederland. Over het algemeen volgen deze dieren de zogenaamde vorstlijn en trekken ze met dit vorstgebied mee. Hiermee weten ze een aantal van hun natuurlijke vijanden te ontlopen.

Voorkomen in de Lage Landen
De aantallen overwinterende brandganzen zijn vanaf de jaren 1970 voortdurend gestegen. Volgens Sovon Vogelonderzoek Nederland steeg alleen al in Nederland het aantal overwinteraars van ongeveer 50.000 individuen in de jaren 1990 tot 300.000 in 2010. Daarnaast komt de vogel ook steeds frequenter voor als broedvogel. Deze vestiging begon in de jaren 1990 met broedgevallen in onder andere het Haringvliet. In 2011 werden alleen al in het Nederlandse rivierengebied 4190 broedparen geteld. Sinds de jaren 1990 zijn daardoor in de weilanden van de Lage Landen het hele jaar door brandganzen aanwezig, in steeds toenemende aantallen.
handtekening.5