Papaver Slaapbol

De Papaver staan weer in bloei 10 jaar geleden zaadjes meegenomen uit de tuin van mijn Zus in Canada.
Tuinpapaver speciaal gekweekt voor zijn fraaie bloemen.

Alhoewel de slaapbol vooral bekend is door zijn narcotische werking is de plant ook erg voedzaam.
De zaden bevatten veel olie. Met een pers is het mogelijk om olie uit de zaden te krijgen, de zaden bevatten 45% aan niet drogende olie.
De olie is goed als olijfolievervanger. De zaadjes zijn ook geschikt om mee te koken met rijst,
deze maken de rijst wat voller en geven de rijst een lekkere nootachtige smaak.
De zaadjes worden vaak over broodjes gestrooid (voor het bakken) en zijn het maanzaad.
De zaadjes bevatten nagenoeg 0% van de narcotische middelen.
De plant is zelfuitzaaiend, als je de zaadjes oogst moet je ze niet allemaal oogsten, laat er een paar zitten en hark de plant eventueel onder. Volgend jaar krijg je dan gegarandeerd nieuwe planten.
De planten kunnen gemakkelijk uit maanzaad worden gezaaid.

Bron: http://www.permacultuurnederland.org Foto’s Tonnie Verheijden

Klein geaderd Witje

Klein geaderd Witje kom je weer regelmatig tegen in de Gaas.

De voorvleugellengte van het Klein geaderd Witje is 20 tot 24 millimeter. De grondkleur van de vleugels is wit, op de onderzijde is de ondervleugel en de vleugelpunt van de voorvleugel soms geel. De aders zijn aan de onderkant van de vleugels groengrijs bestoven, dit is echter in de zomer aanzienlijk minder duidelijk dan in het voorjaar. De soort is dan niet makkelijk te onderscheiden van het klein koolwitje. Aan de bovenzijde van de voorvleugel heeft het mannetje een zwartige stip, het vrouwtje twee. De vlek aan de vleugelpunt (apex) is gelobd, en loopt naar beneden toe druppelsgewijs af.

De eitjes van het klein geaderd witje worden afzonderlijk door het vrouwtje op de onderkant van het blad van de waardplant afgezet. Na een drie tot zeven dagen verschijnen de rupsjes De voornaamste waardplanten zijn pinksterbloem en look-zonder-look, maar ook andere soorten kruisbloemigen zoals andere soorten veldkers dan de pinksterbloem en mosterd. In de zomer kunnen ze ook gevonden worden op gekweekte koolplanten in tuinen, maar is niet een gekend plaaginsect. De planten moeten met name in vochtige omgeving in de halfschaduw staan. Het rups van het oranjetipje leeft ook vooral van pinksterbloem en look-zonder-look, maar eet van de bloemen en zaden, terwijl de rups van het klein geaderd witje van de bladeren eet. Rupsen van het klein geaderd witje vallen vooral ten prooi aan loopkevers en hooiwagens en in mindere mate vogels.

Landkaartje

Vanmorgen was er een Landkaartje in de tuin, het is al een paar jaar geleden dat ik hem hier in de Gaas ben tegengekomen.

Het landkaartje (Araschnia levana) is een dagvlinder uit de familie Nymphalidae, de vossen, parelmoervlinders en weerschijnvlinders.

 

De onderkant van de vleugels is een netwerk van lijnen en daar dankt deze vlinder zijn naam aan. Bijzonder aan deze vlinder is dat er twee vormen zijn. De eerste generatie in het voorjaar is oranjerood met zwarte vlekken terwijl de zomergeneratie zwart is met een witte band en rood-oranje streepjes op de bovenvleugel. De voorjaarsgeneratie is met een voorvleugellengte van 16 tot 18 millimeter ook kleiner dan de zomergeneratie met 17 tot 21 millimeter. Door het aderwerk op de onderzijde kan de zomervorm niet verward worden met andere vlinders zoals de kleine ijsvogelvlinder of de voorjaarsvorm met parelmoervlinders. De verschillende vormen had Carolus Linnaeus in 1758 als twee verschillende soorten beschreven. De voorjaarsvorm als Papilio levana en de zomervorm als Papilio prorsa.[1] Het seizoendimorfisme wordt veroorzaakt door de diapauze die de overwinterende poppen van de voorjaarsvorm ondergaan.

Verspreiding en leefgebied

Het landkaartje komt in grote delen van Europa algemeen voor en heeft als leefgebied de bossen, tuinen, en bosranden. De vlinder vliegt van zeeniveau tot 1500 meter. De vliegtijd is van mei tot en met oktober.

Gekraagde Roodstaart

 Gekraagde Roodstaart

Gekraagde roodstaart is een vogelsoort van oude, parkachtige bossen met weinig ondergroei. Vooral te vinden op de hogere zandgronden en duinen die begraasd worden. Open plekken, oude bomen, graslanden of heiden moeten elkaar afwisselen. Ook in kleinschalig boerenland met oude, lommerrijke erven. Gekraagde roodstaarten zijn holenbroeders, die ook wel van nestkasten gebruik maken. De gekraagde roodstaart is tegenwoordig niet meer zo algemeen als enkele decennia geleden.
Volwassen mannetjes hebben een oranjerode borst, zwarte keel, wit voorhoofd en grijze kruin en mantel. Vrouwtjes zijn minder opvallend getekend en hebben een grijsbruine rug en een beige onderzijde. Beide geslachten hebben een roestrode staart. Trilt vaak met staart, maar is verder tamelijk onopvallend.

Bron: www.vogelbescherming.nl  foto: TVS Naturephotography

Dagpauwoog

Dagpauwoog

Dagpauwogen waren aan balsen voor de volgende generatie.
Deze overwinteraar werd ook verstoord door een bewonderaar.

De dagpauwoog (Aglais io) is een middelgrote vlinder uit de familie Nymphalidae en de onderfamilie aurelia’s (Nymphalinae).

De dagpauwoog is een van de bontst gekleurde en bekendste soorten vlinders in Europa. De soort komt binnen Europa algemeen voor in de gematigde zones en ontbreekt in het uiterste noorden en zuiden. Ook in de gematigde gebieden van Azië vinden we de soort tot in Japan. Het grote verspreidingsgebied is onder meer te verklaren doordat de belangrijkste voedselplant, de brandnetel, zoveel voorkomt. In België en Nederland is de dagpauwoog algemeen aanwezig.

De dagpauwoog is hier niet te verwarren met andere vlinders vanwege de grootte, de oranjerode vleugels en de karakteristieke oogvlek op de bovenzijde van iedere vleugel. De onderzijde is juist goed gecamoufleerd door donkerbruine kleuren en donkere strepen.

De dagpauwoog is goed onderzocht waardoor er veel bekend is over de levenswijze, de voortplanting en de ontwikkeling van de vlinder. Het is een van de soorten die als volwassen vlinder overwintert en ’s winters kan worden aangetroffen in huizen.

Grijze Zandbijen


De Grijze Zandbijen zijn volop aanwezig op de Hei in de Gaas.

De grijze zandbij is een van de grootste zandbijen. Het vrouwtje wordt 13 tot 15 millimeter lang. Het mannetje is kleiner en wordt 10 mm. De bij is zwart met een egaal lichtgrijze, donzige beharing over het gehele borststuk en kop. Het achterlijf is kaal en zwartglanzend. Het mannetje, dat duidelijk kleiner is dan het vrouwtje, lijkt een wit snorretje te hebben.

De bij heeft een vrij korte tong en bezit verzamelharen voor het stuifmeeltransport aan de achterpoten. De voorvleugels bezitten drie submarginale cellen en een zeer zwak gekromde basale ader die schuin van het midden tot aan de rand van de vleugel loopt. De soort vliegt van maart tot en met mei, met de piek halverwege april. Vanaf de tweede helft van mei worden ze niet meer waargenomen. Als voedsel wordt wilgenstuifmeel gebruikt; de zandbij is een soortspecifieke specialist. Hun vliegperiode is dan ook beperkt tot de bloeitijd van de wilgen. Iets later op het jaar haalt ze ook stuifmeel van paardenbloemen. De soort leeft in pioniersvegetaties.

Grijze zandbijen hebben geen angel en kunnen dan ook niet steken.
In maart zijn de eerste mannetjesbijen waar te nemen. Ze worden een paar dagen voor de vrouwtjes actief. Op zoek naar vrouwtjes vliegen ze laag over de grond. Als een vrouwtje verschijnt, vliegen ze ernaartoe en proberen soms meerdere mannetjes tegelijk ermee te paren. De enige functie van de mannetjes is paren. Nadien sterven ze dan ook.
De grijze zandbij leeft vooral in zandgrond in heide, bos of zandputten, in open plekken nabij dijken en rivieren. Het leefgebied is steeds in de omgeving van wilgen; deze bevinden zich gemiddeld in een straal van 250 meter eromheen.

Sperwer Man

                                                     Sperwer man
De Sperwer zien we een paar keer per week in de tuin op jacht naar voedsel, hij probeert het steeds bij de laurierboom om dat daar huismussen in verblijven.

Sperwers komen in heel Europa voor, met uitzondering van IJsland en het uiterste noorden van Scandinavië en Rusland. Het verspreidingsgebied strekt zich in een gordel uit van Rusland tot Kamtsjatka, Japan en Korea. Sperwers leven voornamelijk in bosgebieden (vaak naaldbos), maar ook in cultuurland en in steden. Vogels uit de noordelijke streken overwinteren in gematigde gebieden.
De naam sperwer is een verkorting van spreeuwenarend, waarmee tevens is aangegeven welke vogel op het menu van de sperwer staat.

Sperwer vrouwtje

De sperwer vrouwtje zat op de de uitkijk naar voedsel.

De sperwer is een kleine, snelle roofvogel uit de familie van de Accipitridae (Haviken en Arenden).

Opvallend is de gele iris, net als de fijn gebandeerde borst en de dunne maar krachtige, gele poten. Sperwers hebben stompe vleugels met een relatief groot oppervlak. De vleugels zijn veel breder dan van valken, waarvoor ze vaak worden aangezien. Opvallend is het grote verschil in formaat tussen mannetje en vrouwtje. Vrouwtjes zijn groter en zwaarder dan mannetjes en jagen op grotere prooien dan mannetjes. De lengte van kop tot staart varieert van 28 tot 38 centimeter.

Zangvogels zijn de voornaamste prooi, met name huismus, vink, merel, spreeuw en mees. Het vrouwtje vangt ook grotere prooien als de Turkse tortel. De sperwer jaagt vanuit dekking, of met een plotselinge, snelle vlucht in het voorbijgaan.

De sperwer bouwt ieder jaar hoog in de bomen een nieuw nest, waarin één tot zes, maar meestal vier of vijf eieren worden gelegd.

Passiebloemvlinders

Parende Passiebloemvlinders

Een Heliconius Cydno ook wel Passiebloemvlinders genoemd is gemaakt in een vlindertuin in Benamadena.

Heliconius cydno is een vlinder uit de familie Nymphalidae. De wetenschappeliojke naam van de soort werd in 1847 gepubliceerd door Edward Doubleday. De soort komt voor van Colombia en Ecuador tot in Mexico.

De vrouwtjesvlinders leggen per waardplant één ei. Het larvale stadium duurt twee tot drie weken, waarna de rups verpopt. Het duurt acht tot twaalf dagen voordat er een volwassen vlinder uit de pop kruipt. Mannetjesvlinders hebben op hun achterste vleugels kliertjes, die feromonen kunnen uitscheiden. Hiermee kunnen ze vrouwtjes veroveren.

De volwassen vlinders voeden zich met nectar van planten uit de geslachten Lantana, Psiguria en Gurania, Waardplanten voor de rupsen zijn de meeste soorten passiebloemen, maar bij voorkeur Passiflora biflora en Passiflora vitifolia.

 

Huis ter Heide in de Moer

Huis ter Heide in de Moer

Het een mooi natuurgebied om te wandelen om foto’s te maken of je hoofd leeg te maken.
Op Huis ter Heide bij Tilburg vind je zeer afwisselende natuur. Loop over het fraaie landgoed en geniet van het uitzicht vanaf het vlonderpad.
Ontdek tijdens je wandeling de vele riet-, zang- en watervogels en sta zomaar oog in oog met de Schotse hooglanders die in dit gebied grazen.

Dit prachtige natuurgebied met heide en vennen, kruidenrijke akkers, gevarieerde bossen en een voormalig jachthuis is een paradijs voor rustzoekers.
Heel vroeger bestond dit landgoed aan de noordelijke stadsrand van Tilburg uit heidevelden, in de volksmond ‘woeste gronden’ genoemd.

Via de gele en witte route maak je een wandeling langs de nieuwe vennen. Geniet vanaf de twee uitkijktorens van het uitzicht en speur naar de vele vogels.
De groene route gaat over het fraaie vlonderpad. Bij de westelijke uitkijktoren bij het Leikeven komen de rode, gele en witte wandelroute samen.
Aan de oostkant van het Leikeven staat nog een uitkijktoren!

Grote bonte Specht

De Grote bonte Spechten zijn een paar keer per dag in de tuin aanwezig.

In tegenstelling tot wat zijn naam doet vermoeden is de grote bonte specht een relatief kleine spechtensoort. Een volwassen exemplaar weegt doorgaans 20 tot 24 centimeter en weegt 60 tot 110 gram. De vleugelspanwijdte bedraagt 34 tot 39 centimeter.

Het verenkleed is aan de bovenzijde overwegend zwart en aan de onderzijde wit, met uitzondering van de rode anaalstreek. De veren hebben aan de bovenzijde grote, ovaalvormige witte schoudervlekken en zijn sterk gebandeerd. De kop is overwegend wit op de zijkanten en de keel. Vanaf de snavel loopt de zwarte baardstreep door in een grillige Z-vormige zwarte vlek, die naar beneden naar de borst en naar achter tot in de nek loopt. Het voorhoofd en het gedeelte rond de ogen is wit, de kruin is zwart. Net als de meeste Europese spechten is de grote bonte specht seksueel dimorf en zijn de geslachten voornamelijk te herkennen aan de koptekening. Het mannetje heeft een rode vlek in de nek, terwijl het vrouwtje een geheel zwarte kruin heeft. De drie paar buitenste staartveren zijn gebandeerd en duidelijk te zien wanneer de staart is gespreid. Net als de meeste spechten zijn de staartveren stug en dienen ze als extra ondersteuning tijdens het klimmen.

De iris is roodbruin gekleurd. De snavel is grijs en heeft fijne veren rond de neusgaten, om het inademen van fijn zaagsel te voorkomen. De tenen met krachtige klauwen zijn als bij veel spechten zygodactyl geplaatst: twee tenen staan naar voren en twee naar achteren gericht. De grijze huid op de poten is opmerkelijk dik, als bescherming tegen insectenbeten.

Zowel mannelijk als vrouwelijke juvenielen hebben een grote rode kruinvlek en een roze anaalstreek. Hierdoor lijken ze sterk op de middelste bonte specht (Dendrocoptes medius), al heeft deze geen zwart in de kruintekening. De schoudervlekken van een juveniel zijn vaak nog gebaanderd.

Vinken

Vinken
Volwassen mannelijk exemplaar onderzijde wijnrood, buik wat lichter. Kruin en nek leiblauw, voorhoofd zwart. Rug donkerroodbruin. Vleugel met twee witte banden. Groenachtige stuit. Staart met witte rand.
Volwassen vrouwelijk exemplaar vleugel en staart bruiner; onderzijde lichtgrijsbruin; rug donkerder olijfgroen.
Jong als volwassen vrouwelijk exemplaar .
In de trektijd kleine of grote groepen van soortgenoten, soms bestaande uit één sekse. Zeer vaak met verwante kepen. Ook met andere zaadeters als groenling en geelgors, verder met piepers en leeuweriken.

In de winter kunnen vinken zich op de voedertafel agressief gedragen ten opzichte van andere bezoekers.

Vlucht
Wit schild en witte band op vleugel. Veel wit in staart. Golvende vlucht.

Lokroep
Een herhaald en helder pink, ook wiet en tsjwit. In vlucht en tijdens de trek een zacht tjuub-tjuub.

Zang
Heftig, melodieus “tsitsitsitsitsitsitsi-tjoe-ie-ò”. De zang is te horen van februari tot in september. Het liedje duurt maximaal 5 seconden en wordt makkelijk 10 keer per minuut herhaald. In Vlaanderen wordt het liedje ook wel “suskewiet” genoemd (en de vink ook).

Voedsel
Allerlei zaden, vooral oliehoudende; kiemend zaad, vruchten en bessen, knoppen, insecten, maar ook broodkruimels. Jongen worden met insecten grootgebracht.

Voorplanting
De vink broedt van half april tot juli. Nesten van deze “randbroeder” vindt men op verschillende hoogtes aan de rand van een bos, open plek of weg. De broedduur bedraagt 12 – 15 dagen. Hoofdzakelijk broedt het ♀, dat soms door het ♂ gevoerd wordt, vanaf het laatste ei. Beide vogels verzorgen de jongen, die het nest na 13 – 14 dagen verlaten, waarna ze nog enige tijd gevoerd worden. Meestal 2 legsels per jaar. Bigamie. Legsel: gewoonlijk 4 – 5 eieren, soms 6 of 7. Lichtblauwgroen tot roodbruin met donkerbruine vlekjes en streepjes, grijze ondervlekken. Gemiddeld 19 x 15 mm.

Bruine Winterjuffer

De bruine winterjuffer (Sympecma fusca) is een kleine Europese pantserjuffer, die vrij algemeen in België en in Nederland voorkomt. De bruine winterjuffer is de enige libel die als volwassen dier de winter doorkomt, en daardoor ook reeds vroeg in het voorjaar rondvliegt.

De volwassen bruine winterjuffer (imago) is een zeer atypische pantserjuffer voor wat betreft de kleur, glans en houding.

Het lichaam is maximaal 3 cm lang, lichtbruin met donkerbruine tot bronskleurige vlekken op de bovenzijde. Er is nooit een blauwe berijping op het achterlijf aanwezig. De achterlijfaanhangsels van de mannetjes zijn tangvormig en opvallend lichtgekleurd, de onderste bijna half zo lang als de bovenste.


De bruine winterjuffer plooit in rusthouding de vleugels over het achterlijf zoals de meeste juffers, maar met beide vleugels strak tegen elkaar aan één zijde. De andere pantserjuffers houden hun vleugels altijd half gespreid.

De juffer kent twee vliegperiodes, in april-mei en in augustus-september.

De bruine winterjuffer overwintert als imago (volwassen dier) in op heideterreinen goed verborgen tussen de vegetatie en wordt actief bij de eerste warme dagen, soms al in maart of april. De voortplanting is in april en mei en in het zuiden van het verspreidingsgebied kan overlap optreden tussend de overwinterde en de nieuwe generatie. De jonge winterjuffers komen tevoorschijn vanaf augustus en vliegen tot in de herfst. Elk jaar zijn er dus twee generaties te zien, één in het vroege voorjaar en één in de zomer. De eieren worden afgezet in stengels van drijvende, rottende planten in ondiep water. De dieren vormen een tandem voor de paring en de eileg. Het vrouwtje boort met haar legboor gaatjes in de stengel, en plaatst vervolgens in ieder gaatje een eitje.