De oude Leij

De oude Leij

Een mooi gebied om te wandelen langs de oude Leij in het gebied de Dongewijk.

De Oude Leij is een beek ten oosten van Goirle, die ontstaat bij de samenvloeiing van de Rovertse Leij en de Poppelse Leij. Ten westen van Goirle, langs Riel stroomt de Lei, een beek die vlak bij de Poppelse Leij ontspringt. Ondanks dat de namen op elkaar lijken, zijn de beken op geen enkel punt met elkaar verbonden.

De beek stroomt in noordoostelijke richting langs Goirle en de buurtschap Abcoven. Bij Goirle is de beek verlegd, dat deel heet de Nieuwe Leij of kortweg Leij. De Oude Leij stroomt nog een stuk parallel aan de Nieuwe Leij, maar voegt zich bij het Wilhelminakanaal weer bij de Nieuwe Leij. Het is hier een smal stroompje door weilanden heen, op zo’n manier dat het net een sloot is. Na het Wilhelminakanaal wordt de beek de Voorste Stroom genoemd.

Wikipedia Foto’s Tonnie Verheijden

Landkaartje

Het landkaart is elke dag in de tuin te bewonderen, zowel in voorjaar als najaar.

Het landkaartje (Araschnia levana) is een dagvlinder uit de familie Nymphalidae, de vossen, parelmoervlinders en weerschijnvlinders.

De onderkant van de vleugels is een netwerk van lijnen en daar dankt deze vlinder zijn naam aan. Bijzonder aan deze vlinder is dat er twee vormen zijn. De eerste generatie in het voorjaar is oranjerood met zwarte vlekken terwijl de zomergeneratie zwart is met een witte band en rood-oranje streepjes op de bovenvleugel. De voorjaarsgeneratie is met een voorvleugellengte van 16 tot 18 millimeter ook kleiner dan de zomergeneratie met 17 tot 21 millimeter. Door het aderwerk op de onderzijde kan de zomervorm niet verward worden met andere vlinders zoals de kleine ijsvogelvlinder of de voorjaarsvorm met parelmoervlinders. De verschillende vormen had Carolus Linnaeus in 1758 als twee verschillende soorten beschreven. De voorjaarsvorm als Papilio levana en de zomervorm als Papilio prorsa.[1] Het seizoendimorfisme wordt veroorzaakt door de diapauze die de overwinterende poppen van de voorjaarsvorm ondergaan.

Het landkaartje komt in grote delen van Europa algemeen voor en heeft als leefgebied de bossen, tuinen, en bosranden. De vlinder vliegt van zeeniveau tot 1500 meter. De vliegtijd is van mei tot en met oktober.

Bron Wikipedia  foto’s Tonnie Verheijden

Grauwe Vliegenvangers

Grauwe Vliegenvangers kun je snel herkenen, doordat ze heel snel van een tak de lucht invliegen een insect vangen en weer terug op de tak gaan zitten.

De grauwe vliegenvanger (Muscicapa striata) is een kleine, onopvallende zangvogel uit de familie van vliegenvangers (Muscicapidae). Het is de enige uit het geslacht Muscicapa die in Europa voorkomt. De grauwe vliegenvanger is te zien op een Belgische postzegel ter waarde van 0,40 Euro.
Het verenkleed is grijsbruin met een gevlekte kruin en een donkerbruine vleugeltekening zonder wit. Verder heeft de vogel een iets gestreepte borst.
Grauwe vliegenvangers komen tijdens het broedseizoen in heel Europa voor. Ze broeden in gevarieerde loofbossen, dorpen met oude bomen en kleinschalig agrarisch landschap. Het is een trekvogel die overwintert in tropisch Afrika.
In Nederland arriveert de grauwe vliegenvangern in april/mei en in oktober zijn ze praktisch weer verdwenen.

De soort staat als niet bedreigd op de internationale Rode Lijst van de IUCN en als gevoelig op de Nederlandse Rode Lijst omdat de grauwe vliegenvanger sinds 1980 (en mogelijk al eerder) geleidelijk afneemt. Hoewel de vogel ook in Vlaanderen achteruitgaat, staat hij (nog) niet op de Vlaamse Rode Lijst.

Bron: Wikipedia Foto:Tonnie Verheijden

De Kolibrievlinder

De Kolibrievlinder is te herkennen aan de grijze tot bruine voorvleugels met twee van elkaar af gelegen donkerbruine, dunne en enigszins grillige strepen aan de bovenzijde. De achtervleugels hebben een oranje kleur aan de bovenzijde. De spanwijdte (of vlucht) van de vleugels is ongeveer 5 centimeter.

De Kolibrievlinder komt voor in Zuid-Europa en Noord-Afrika. Het is een zeer snelle soort, de kolibrievlinder is een van de bekendste trekvlinders. In de zomer vliegen grote aantallen kolibrievlinders naar het noorden en westen van Europa en ’s winters trekken de vlinders naar zuidelijkere delen van Afrika. De vlinder wordt jaarlijks ook in België en Nederland aangetroffen. Het verspreidingsgebied van de soort strekt zich uit tot in noordelijk Scandinavië. De vlinder wordt beschouwd als een algemeen voorkomende en talrijke soort die niet wordt bedreigd.

De Kolibrievlinder beschikt over een lange tong en is in staat om stil te hangen in de lucht bij een bloem tijdens het opzuigen van nectar. Omdat de vlinder hierdoor doet denken aan een kolibrie heeft de soort de Nederlandstalige naam kolibrievlinder gekregen. In de Nederlandse taal wordt de kolibrievlinder ook wel meekrapvlinder, onrustvlinder of onrust genoemd. De naam meekrapvlinder slaat op de plant waarvan de meeste rupsen leven; meekrap. De naam onrustvlinder is te danken aan het zeer snelle vlieggedrag.

Bron: Wikipedia Foto: Tonnie Verheijden

Koninginnenpage


Koninginnenpage

We hebben een Vorstelijk bezoek gehad in de tuin een Koninginnenpage kwam een bezoek brengen.

Eind april-half juni en begin juli-half september in twee generaties. In warme jaren vliegt er mogelijk een partiële derde generatie in oktober. De koninginnenpage wordt vaak bij heuveltoppen gezien waar mannetjes en vrouwtjes elkaar ontmoeten; dit gedrag wordt ‘hill-topping’ genoemd.
De vroegste datum waarop de soort is gezien is 28 maart (er zijn 4 vroegere waarnemingen, die alle uit collecties komen en waarvan het thuis opkweken niet is uitgesloten). De laatste datum waarop een vlinder is gezien is 26 oktober.

Mobiliteit
De koninginnenpage is een zeer mobiele vlinder die over grote afstanden kan zwerven. De omvang van het verspreidingsgebied fluctueert dan ook min of meer jaarlijks. In gunstige zomers zwerft hij naar het noorden en komt dan verspreid in heel Nederland voor. In gemiddelde jaren vliegt hij veel schaarser en in ongunstige jaren wordt de vlinder uitsluitend in Zuid-Limburg gezien.

Regionaal
De koninginnenpage is een zeer mobiele vlinder die over grote afstanden kan zwerven. De omvang van het verspreidingsgebied fluctueert dan ook min of meer jaarlijks. In gunstige zomers zwerft hij naar het noorden en komt dan verspreid in heel Nederland voor. In gemiddelde jaren vliegt hij veel schaarser en in ongunstige jaren wordt de vlinder uitsluitend in Zuid-Limburg gezien.
In warmere perioden zoals tussen 1930 en 1950 was de soort op veel plaatsen aanwezig. Daarna nam de stand weer af en begin jaren zestig was hij door een reeks koude en natte jaren een schaarse soort. Begin jaren tachtig was hij zelfs zeer zeldzaam, met alleen stabiele populaties op de Sint-Pietersberg en rond enkele voormalige mijnbergen in Limburg. Daarna breidde hij zich weer uit en in 2003 was er een grote invasie verspreid over het hele land. Op dit moment is de koninginnenpage een vrij schaarse standvlinder. Vaste populaties bevinden zich nu in Zuid-Limburg en in Zeeuws-Vlaanderen; de vele zwervende vlinders lijken niet in staat zich ergens permanent te vestigen.

Bron Vlinderstichting.nl Foto’s Tonnie Verheijden

Schorpioenvlieg

De schorpioenvliegen (Panorpidae) zijn een familie van insecten die behoren tot de orde Mecoptera (Schorpioenvliegen). Wereldwijd zijn ongeveer 500 soorten beschreven, verdeeld over een vijftal geslachten.

Het is een interessante groep die behoort tot de oudste insectenordes die een volledige gedaanteverwisseling bezitten.

Kenmerkend voor sommige schorpioenvliegen (soorten welke behoren tot de familie van de Panorpidae) is het tangvormig orgaan dat mannetjes aan het achterlijf hebben, dat omhoog gekruld wordt gedragen en dat daarom enigszins doet denken aan de staart van een schorpioen, maar geen angel heeft en verder volkomen ongevaarlijk is. Het insect gebruikt het alleen bij de paring. De vleugels zijn vaak gevlekt. De lichaamslengte varieert van 0,9 tot 2,5 cm.

Schorpioenvliegen zijn roofinsecten, die naast dode insecten en ander aas, ook worden aangetrokken door plantaardig voedsel.

Bron: Wikipedia  Foto: Tonnie Verheijden

Vlaamse Gaaien

Vlaamse Gaai. Eerst kwam een van de ouders voor de appel, daarna durfde ook haar jong uit de boom te komen ze ging meteen haar jong voeren, het jong gaf met heel veel geluid aan wanneer ze nog meer wilde

De vogel kan bij opwinding de kruinveren opzetten, deze zijn afwisselend licht van kleur met zwart.

Voedsel vindt de Vlaamse gaai in bomen en struiken, in de lucht en op de grond; het betreft een breed spectrum van dierlijk en plantaardig dieet: insecten en ongewervelden (waaronder veel plaagdieren), eikels, beukennootjes, hazelnoten en andere zaden en noten, vruchten als bramen, kersen, frambozen en lijsterbessen. Ook kleine of jonge zangvogels en eieren behoren tot het dieet, evenals kleine knaagdieren. Met de sterke snavel hakt de gaai gaten in harde omhulsels als slakkenhuizen, notendoppen en eierschalen en doorwoelt hij bodem, dierenpoep en menselijk afval.

De eik is afhankelijk van de gaai voor het verspreiden van eikels: de gaai vervoert ze in zijn keel en tussen zijn snavel naar plaatsen met een zachte ondergrond, waarna hij ze in de aarde duwt. Zo legt hij een wintervoorraad aan. Hij vergeet alleen een aantal plekjes. Wat niet teruggevonden wordt, kan uitgroeien tot een nieuwe eik. Om deze reden wordt de gaai ook wel ‘de grootste bosbouwer’ genoemd. De Duitse naam voor de gaai (Eichelhäher) typeert het gedrag. De wetenschappelijke naam Garrulus glandarius valt vrij te vertalen als voortdurend krassende eikel zoeker.

De gaai bouwt zijn nest het liefst in bomen en legt eenmaal per jaar 5 tot 7 eieren, van half april t/m mei.

Bron: Wikipedia – Foto’s Tonnie Verheijden

De Kruidenkamer

Een bezoek gebracht aan de Kruidenkamer in Bladel, heerlijke geluncht met een 12 uur plankje is echt een aanrader. Daarna zijn we gaan wandelen in de kruidentuin prachtig aangelegd met velden met wild bloemen, kruiden, en verschillende soorten Lavendels

De Kruidkamer is een uniek theehuis met een prachtige theetuin en eigen kruidentheevelden in de Brabantse Kempen, in het dorpje Bladel.  

Brengt u eens een bezoekje aan onze kruidentheevelden. Vele leuke weetjes over kruiden staan op fleurige borden. U kunt er genieten van de kleurenpracht en de verschillende geuren. De kruidentuin is gratis toegangkelijk tijdens openingsuren.

Binnen is een prachtig zitgedeelte en in onze shop kunt u onze heerlijke losse theeën en unieke theeaccessoires kopen. 

Ook organiseren wij een smaakvolle High Tea. Bij mooi weer zit u in onze mooie theetuin. Reserveren hiervoor is noodzakelijk. 

Vanuit de Kruidkamer is het ook heerlijk wandelen en fietsen. Wij liggen aan een toeristisch fietspad en met ons wandelpad tegen de bossen van landgoed Ten Vorsel aan.

Om lekker te kunnen genieten, heeft u niet zoveel nodig.

Kom gerust even aan. U bent er al bijna……

Openingstijden seizoen 2017

5 mei t/m 1 oktober

In mei/ juni / september: vrijdag t/m zondag   11.00 uur – 17.00 uur

In juli en augustus : elke dag geopend van         11.00 uur – 17.00 uur

Bron: Kruidenkamer Bladel –  Foto’s Tonnie Verheijden

 

Gewone Oeverlibel

Gewone Oeverlibel een vrouwtje zat op de pad op de hei in de Gaas.
De gewone oeverlibel heeft een pijlvormig achterlijf: het begint breed, eindigt in een punt en heeft rechte zijkanten. Het gezicht is geel tot bruin. De pterostigmata zijn zwart. Uitgekleurde mannetjes hebben een blauwberijpt achterlijf met een duidelijke zwarte punt. Aan de buitenranden van de segmenten staan gele streepjes, die bij oude mannetjes verdwijnen onder nog meer blauwe berijping. Het borststuk is bruin, zonder blauwe berijping. Jonge mannetjes die nog geen berijping op het achterlijf hebben, zien eruit als vrouwtjes: de grondkleur van het lichaam (zowel achterlijf als borststuk en gezicht) is geel. Op de bovenkant van het achterlijf lopen twee dikke zwarte lengtestrepen.
De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 44 en 50 millimeter en de spanwijdte is 70 tot 80 mm; de larve is 19-29 mm lang.

Bron: Wikipedia – Foto Tonnie Verheijden

Hooibeestjes

Hooibeestjes zijn kleine vlindertjes die je moeilijk kunt fotograferen je moet er echt wel wat tijd aanbesteden om het goed op de foto te krijgen want het fladdert steeds maar heen en weer.

De voorvleugellengte van het Hooibeestje bedraagt ongeveer 15 millimeter. De bovenzijde is licht oranjebruin met een, vooral bij de vrouwtjes, opvallende kleine zwarte vlek aan de punt van de voorvleugel. Zittend is vaak alleen de bruingrijze onderkant te zien. De mannetjes bezetten een territorium en maken patrouillevluchten.

Grasland met een niet te hoge vegetatie, bermen en heidegebieden worden als leefgebied door de vlinder gebruikt, hij is vooral te zien in mozaïekvormige begroeiingen. De vliegtijd is van februari tot en met oktober. Het hooibeestje is een slechte vlieger en daardoor vaak laag boven het maaiveld te zien.

Er zijn jaarlijks twee generaties van deze vlinder. De eerste generatie is in mei en juni te zien. De eitjes die dan gelegd worden zullen, afhankelijk van de grassoort waarop ze zich bevinden en waarmee ze zich voeden, langzaam of sneller groeien. De snel volgroeide rupsen verpoppen zich nog hetzelfde jaar en vliegt als tweede generatie van eind juli tot ver in oktober. Hun nageslacht overwintert als jonge rups en vliegt in juni en juli van het daarop volgend jaar. De rupsen de langzamer groeien brengen de winter als volgroeide rups door en zijn vanaf de maand mei als vlinder te zien. De verpopping gebeurt aan een stevige grasstengel kort boven de grond.

Bron : Wikipedia  Foto: Tonnie Verheijden

Citroenvlinders

Citroenvlinders zijn in de lente de meest voorkomende vlinders, de mannetjes zijn meer geel, de vrouwtjes meer groen van kleur maar dit is in het veld niet altijd even eenvoudig te zien. Ze vallen zowel in vlucht als bij bezoek aan bloemen goed op. De vrouwtjes zijn ook veel bleker van kleur en worden soms verward met de witjes. Beide vlinders (mannetje-vrouwtje) zijn te herkennen aan een oranje stip op iedere vleugelpunt.

De vlinder is uitstekend gecamoufleerd en het hele lichaam is hierop aangepast. De onregelmatige oranjebruine vlekjes lijken sprekend op de brandgaatjes in bladeren. De vleugeladering is lichter en duidelijk te zien en lijkt op de nerven van een blad. De donkere uiteinden van de adering op de vleugelrand lijkt op de bladrand en zelfs kleine stekeltjes worden nagebootst. De citroenvlinder heeft geen oogvlekken of andere schrikkleuren aan de boven (binnen)zijde van de vleugels, en vouwt deze in rust nooit open, zodat hij perfect lijkt op een blad.

De citroenvlinder is een van de langstlevende soorten die als imago meer dan een jaar oud kan worden. De vliegtijd is van juli tot en met oktober en van februari tot en met mei. In de tussentijd wordt een winterslaap gehouden in holten in bomen of lage, groene struiken zodat de vlinder moeilijk te vinden en goed gecamoufleerd is. Ook als de imago rond juni uit zijn pop komt wordt al snel een soort zomerslaap gehouden. Hierdoor wordt het grootste deel van het relatief lange leven al rustend doorgebracht.

Bron: Wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

 

Kleine Vos

Kleine Vos heeft een bezoekje aan onze tuin gebracht, ik hoop dat er nog vele soorten vlinders tegen zal komen.

De kleine vos heeft een voorvleugellengte van 22 tot 25 millimeter. De basiskleur van de bovenkant van de vleugels is oranje. Langs de voorrand (costa) van de voorvleugel loopt een band van afwisselend gele en zwarte vlekken, die bij de vleugelpunt (apex) wordt afgesloten met een witte vlek. Ook in het middenveld bevindt zich nog een zwarte vlek geflankeerd door een gele vlek en twee zwarte stippen. De vleugelbasis van de achtervleugel is zwartbruin. Bij de voorrand van de vleugel loopt het oranje over in geel. Langs de vleugelranden loopt een rand met aan de binnenkant blauwe maanvormige vlekjes die zwartomrand zijn. De franje is geblokt. Zowel de voorvleugel als de achtervleugel heeft een uitstulpinkje.

De kleurstelling van de kleine vos is vermoedelijk een voorbeeld van aposematische kleuring, die predatoren afschrikt. Onderzoek met het voeren van kleine vossen aan de koolmees heeft laten zien dat deze terughoudend is in het eten van de kleine vos en deze terughoudendheid is groter bij gevleugelde dan ontvleugelde exemplaren.

De kleine vos kan verward worden met de grote vos, die echter flink groter is. Op de voorvleugels van de grote vos ontbreken blauwe maantjes en in het midden van de voorvleugel zijn vier zwarte vlekjes te vinden, in plaats van drie bij de kleine vos. Daarbij moet worden opgemerkt dat de grote vos veel minder vaak wordt waargenomen, enerzijds door een meer verborgen leefwijze, anderzijds doordat hij zeldzamer is.

 

 

Witte Tijger (nachtvlinder)

Witte Tijger (nachtvlinder),  het is een mooie vlinder met een bontmuts.

De kleine zwarte vlekjes op de voorvleugels zijn duidelijk zichtbaar, maar liggen zonder patroon her en der verspreid. Ook het aantal vlekjes kan variëren. Ze hebben een kop met een dikke ‘bontmuts’. Het achterlijf is krachtig geel met zwart gevlekt. ze hebben een spanwijdte van 3 tot 4 centimeter.

Deze vlinders rusten overdag, vlak bij de grond op een stam of in het gras, met de vleugels gevouwen in de vorm van een dakje. Als ze verstoord worden krommen ze hun achterlijf en houden zich dood. Ze worden niet door vogels gegeten, daar ze vies smaken en giftig zijn.

Deze vlinder kreeg de oorspronkelijke naam tienuursvlinder omdat deze na 10 uur ’s avonds pas werd gezien omdat het een nachtvlinder is. De vliegtijd van de witte tijger is vanaf half april tot half augustus. De eieren worden in grote groepjes op de onderkant van de bladeren afgezet. Per jaar is er meestal maar één generatie.

Icarusblauwtje

Icarusblauwtje (vrouwtje) gefotografeerd in de Gaas gelukkig weer een plekje gevonden waar ze nog rond vliegen.
Op elk stukje grond waar ik fotografeerden zijn nu woningen gebouwd.

Voorvleugellengte: circa 15 mm. De bovenkant van de vleugels is bij het mannetje blauw en bij het vrouwtje bruin.
Sommige vrouwtjes hebben een sterke blauwe bestuiving, maar er komen ook zuiver bruine vrouwtjes voor.
De franje is niet geblokt maar zuiver wit. De vlekken op de onderkant van de voor- en de achtervleugel zijn even groot.
Op de onderkant van de voorvleugel bevinden zich twee wortelvlekken, waarmee deze soort van alle verwante soorten is te onderscheiden.
Vaak is de onderkant van de vleugels bij de vleugelwortel blauw bestoven.

Een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt.
Allerlei kruidenrijke vegetaties, zoals halfnatuurlijke graslanden, lage pioniersvegetaties, parken, wegbermen en dijken.
Waardenplanten, diverse vlinderbloemigen; vooral kleine klaver, rolklaver en hopklaver.

Begin mei-begin oktober in twee, soms drie overlappende generaties.
De vlinders voeden zich met nectar van vooral vlinderbloemigen en vliegen meestal laag boven de vegetatie.
De vlinders brengen de nacht door in groepjes, waarbij ze met de kop naar benenden in de vegetatie hangen.

Bron: vlindernet.nl,  Foto: Tonnie Verheijden,  Facebook zoomm.nl