Sperwer Man

                                                     Sperwer man
De Sperwer zien we een paar keer per week in de tuin op jacht naar voedsel, hij probeert het steeds bij de laurierboom om dat daar huismussen in verblijven.

Sperwers komen in heel Europa voor, met uitzondering van IJsland en het uiterste noorden van Scandinavië en Rusland. Het verspreidingsgebied strekt zich in een gordel uit van Rusland tot Kamtsjatka, Japan en Korea. Sperwers leven voornamelijk in bosgebieden (vaak naaldbos), maar ook in cultuurland en in steden. Vogels uit de noordelijke streken overwinteren in gematigde gebieden.
De naam sperwer is een verkorting van spreeuwenarend, waarmee tevens is aangegeven welke vogel op het menu van de sperwer staat.

Sperwer vrouwtje

De sperwer vrouwtje zat op de de uitkijk naar voedsel.

De sperwer is een kleine, snelle roofvogel uit de familie van de Accipitridae (Haviken en Arenden).

Opvallend is de gele iris, net als de fijn gebandeerde borst en de dunne maar krachtige, gele poten. Sperwers hebben stompe vleugels met een relatief groot oppervlak. De vleugels zijn veel breder dan van valken, waarvoor ze vaak worden aangezien. Opvallend is het grote verschil in formaat tussen mannetje en vrouwtje. Vrouwtjes zijn groter en zwaarder dan mannetjes en jagen op grotere prooien dan mannetjes. De lengte van kop tot staart varieert van 28 tot 38 centimeter.

Zangvogels zijn de voornaamste prooi, met name huismus, vink, merel, spreeuw en mees. Het vrouwtje vangt ook grotere prooien als de Turkse tortel. De sperwer jaagt vanuit dekking, of met een plotselinge, snelle vlucht in het voorbijgaan.

De sperwer bouwt ieder jaar hoog in de bomen een nieuw nest, waarin één tot zes, maar meestal vier of vijf eieren worden gelegd.

Passiebloemvlinders

Parende Passiebloemvlinders

Een Heliconius Cydno ook wel Passiebloemvlinders genoemd is gemaakt in een vlindertuin in Benamadena.

Heliconius cydno is een vlinder uit de familie Nymphalidae. De wetenschappeliojke naam van de soort werd in 1847 gepubliceerd door Edward Doubleday. De soort komt voor van Colombia en Ecuador tot in Mexico.

De vrouwtjesvlinders leggen per waardplant één ei. Het larvale stadium duurt twee tot drie weken, waarna de rups verpopt. Het duurt acht tot twaalf dagen voordat er een volwassen vlinder uit de pop kruipt. Mannetjesvlinders hebben op hun achterste vleugels kliertjes, die feromonen kunnen uitscheiden. Hiermee kunnen ze vrouwtjes veroveren.

De volwassen vlinders voeden zich met nectar van planten uit de geslachten Lantana, Psiguria en Gurania, Waardplanten voor de rupsen zijn de meeste soorten passiebloemen, maar bij voorkeur Passiflora biflora en Passiflora vitifolia.

 

Huis ter Heide in de Moer

Huis ter Heide in de Moer

Het een mooi natuurgebied om te wandelen om foto’s te maken of je hoofd leeg te maken.
Op Huis ter Heide bij Tilburg vind je zeer afwisselende natuur. Loop over het fraaie landgoed en geniet van het uitzicht vanaf het vlonderpad.
Ontdek tijdens je wandeling de vele riet-, zang- en watervogels en sta zomaar oog in oog met de Schotse hooglanders die in dit gebied grazen.

Dit prachtige natuurgebied met heide en vennen, kruidenrijke akkers, gevarieerde bossen en een voormalig jachthuis is een paradijs voor rustzoekers.
Heel vroeger bestond dit landgoed aan de noordelijke stadsrand van Tilburg uit heidevelden, in de volksmond ‘woeste gronden’ genoemd.

Via de gele en witte route maak je een wandeling langs de nieuwe vennen. Geniet vanaf de twee uitkijktorens van het uitzicht en speur naar de vele vogels.
De groene route gaat over het fraaie vlonderpad. Bij de westelijke uitkijktoren bij het Leikeven komen de rode, gele en witte wandelroute samen.
Aan de oostkant van het Leikeven staat nog een uitkijktoren!

Grote bonte Specht

De Grote bonte Spechten zijn een paar keer per dag in de tuin aanwezig.

In tegenstelling tot wat zijn naam doet vermoeden is de grote bonte specht een relatief kleine spechtensoort. Een volwassen exemplaar weegt doorgaans 20 tot 24 centimeter en weegt 60 tot 110 gram. De vleugelspanwijdte bedraagt 34 tot 39 centimeter.

Het verenkleed is aan de bovenzijde overwegend zwart en aan de onderzijde wit, met uitzondering van de rode anaalstreek. De veren hebben aan de bovenzijde grote, ovaalvormige witte schoudervlekken en zijn sterk gebandeerd. De kop is overwegend wit op de zijkanten en de keel. Vanaf de snavel loopt de zwarte baardstreep door in een grillige Z-vormige zwarte vlek, die naar beneden naar de borst en naar achter tot in de nek loopt. Het voorhoofd en het gedeelte rond de ogen is wit, de kruin is zwart. Net als de meeste Europese spechten is de grote bonte specht seksueel dimorf en zijn de geslachten voornamelijk te herkennen aan de koptekening. Het mannetje heeft een rode vlek in de nek, terwijl het vrouwtje een geheel zwarte kruin heeft. De drie paar buitenste staartveren zijn gebandeerd en duidelijk te zien wanneer de staart is gespreid. Net als de meeste spechten zijn de staartveren stug en dienen ze als extra ondersteuning tijdens het klimmen.

De iris is roodbruin gekleurd. De snavel is grijs en heeft fijne veren rond de neusgaten, om het inademen van fijn zaagsel te voorkomen. De tenen met krachtige klauwen zijn als bij veel spechten zygodactyl geplaatst: twee tenen staan naar voren en twee naar achteren gericht. De grijze huid op de poten is opmerkelijk dik, als bescherming tegen insectenbeten.

Zowel mannelijk als vrouwelijke juvenielen hebben een grote rode kruinvlek en een roze anaalstreek. Hierdoor lijken ze sterk op de middelste bonte specht (Dendrocoptes medius), al heeft deze geen zwart in de kruintekening. De schoudervlekken van een juveniel zijn vaak nog gebaanderd.

Vinken

Vinken
Volwassen mannelijk exemplaar onderzijde wijnrood, buik wat lichter. Kruin en nek leiblauw, voorhoofd zwart. Rug donkerroodbruin. Vleugel met twee witte banden. Groenachtige stuit. Staart met witte rand.
Volwassen vrouwelijk exemplaar vleugel en staart bruiner; onderzijde lichtgrijsbruin; rug donkerder olijfgroen.
Jong als volwassen vrouwelijk exemplaar .
In de trektijd kleine of grote groepen van soortgenoten, soms bestaande uit één sekse. Zeer vaak met verwante kepen. Ook met andere zaadeters als groenling en geelgors, verder met piepers en leeuweriken.

In de winter kunnen vinken zich op de voedertafel agressief gedragen ten opzichte van andere bezoekers.

Vlucht
Wit schild en witte band op vleugel. Veel wit in staart. Golvende vlucht.

Lokroep
Een herhaald en helder pink, ook wiet en tsjwit. In vlucht en tijdens de trek een zacht tjuub-tjuub.

Zang
Heftig, melodieus “tsitsitsitsitsitsitsi-tjoe-ie-ò”. De zang is te horen van februari tot in september. Het liedje duurt maximaal 5 seconden en wordt makkelijk 10 keer per minuut herhaald. In Vlaanderen wordt het liedje ook wel “suskewiet” genoemd (en de vink ook).

Voedsel
Allerlei zaden, vooral oliehoudende; kiemend zaad, vruchten en bessen, knoppen, insecten, maar ook broodkruimels. Jongen worden met insecten grootgebracht.

Voorplanting
De vink broedt van half april tot juli. Nesten van deze “randbroeder” vindt men op verschillende hoogtes aan de rand van een bos, open plek of weg. De broedduur bedraagt 12 – 15 dagen. Hoofdzakelijk broedt het ♀, dat soms door het ♂ gevoerd wordt, vanaf het laatste ei. Beide vogels verzorgen de jongen, die het nest na 13 – 14 dagen verlaten, waarna ze nog enige tijd gevoerd worden. Meestal 2 legsels per jaar. Bigamie. Legsel: gewoonlijk 4 – 5 eieren, soms 6 of 7. Lichtblauwgroen tot roodbruin met donkerbruine vlekjes en streepjes, grijze ondervlekken. Gemiddeld 19 x 15 mm.

Bruine Winterjuffer

De bruine winterjuffer (Sympecma fusca) is een kleine Europese pantserjuffer, die vrij algemeen in België en in Nederland voorkomt. De bruine winterjuffer is de enige libel die als volwassen dier de winter doorkomt, en daardoor ook reeds vroeg in het voorjaar rondvliegt.

De volwassen bruine winterjuffer (imago) is een zeer atypische pantserjuffer voor wat betreft de kleur, glans en houding.

Het lichaam is maximaal 3 cm lang, lichtbruin met donkerbruine tot bronskleurige vlekken op de bovenzijde. Er is nooit een blauwe berijping op het achterlijf aanwezig. De achterlijfaanhangsels van de mannetjes zijn tangvormig en opvallend lichtgekleurd, de onderste bijna half zo lang als de bovenste.


De bruine winterjuffer plooit in rusthouding de vleugels over het achterlijf zoals de meeste juffers, maar met beide vleugels strak tegen elkaar aan één zijde. De andere pantserjuffers houden hun vleugels altijd half gespreid.

De juffer kent twee vliegperiodes, in april-mei en in augustus-september.

De bruine winterjuffer overwintert als imago (volwassen dier) in op heideterreinen goed verborgen tussen de vegetatie en wordt actief bij de eerste warme dagen, soms al in maart of april. De voortplanting is in april en mei en in het zuiden van het verspreidingsgebied kan overlap optreden tussend de overwinterde en de nieuwe generatie. De jonge winterjuffers komen tevoorschijn vanaf augustus en vliegen tot in de herfst. Elk jaar zijn er dus twee generaties te zien, één in het vroege voorjaar en één in de zomer. De eieren worden afgezet in stengels van drijvende, rottende planten in ondiep water. De dieren vormen een tandem voor de paring en de eileg. Het vrouwtje boort met haar legboor gaatjes in de stengel, en plaatst vervolgens in ieder gaatje een eitje.

Oude Leij

avondfoto-oude-leij

Oude Leij-De Donge in de avondzon

De Donge, in de zestiende eeuw Dongh Aa genoemd, ontstaat ten oosten van Baarle-Nassau uit enkele kleine stroompjes en heet dan Leij. Het riviertje loopt langs Alphen en Riel, en stroomt als Oude Leij Tilburg binnen. Vanaf de Bredaseweg (bij Dongewijk) heet het riviertje De Donge.

oude-leij-1000

De Donge loopt vandaar verder noordwestwaarts via Dongen naar Geertruidenberg, en mondt daar uit in de Amer. Aan het eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn de boven- en benedenloop van het riviertje van elkaar gescheiden, waardoor de bovenloop sindsdien ten westen van de Reeshof via een brede afvoersloot rechtstreeks afwatert op het Wilhelminakanaal. Inmiddels is het in de Reeshof gelegen deel weer veranderd in een meanderende stroom (Dongevallei).

 

Bron:Tilburg Wiki –  Foto’s Tonnie Verheijden

Vrachelse heide

tvs_0426-nef

Vandaag een zonnige dag een mooie wandeling gemaakt over de Vrachelse heide in Oosterhout.

De Vrachelse Heide is een voormalig heide– en stuifzandgebied in de gemeente Oosterhout in de provincie Noord-Brabant. Het is gelegen ten zuidwesten van Oosterhout tussen de Zandwinplas en de Warandeplas. Het is tegenwoordig grotendeels beplant met grove den. De Vrachelse Heide is 149 ha groot en eigendom van Defensie.

tvs_0432-nef

Natuur

Het gebied bestaat overwegend uit naaldbos met hier en daar resten heide- en stuifzandgebied. Alleen het oostelijk deel heeft zijn oorspronkelijk reliëf goed bewaard. Daar is ook meer gemengd bos te vinden en is eikenstruweel aanwezig. Dit is vroeger door boeren aangeplant om het stuifzand te beteugelen en ten behoeve van geriefhout. Dit bevindt zich op de hoogste stuifzandruggen. Er komen een aantal min of meer zeldzame planten- en diersoorten voor zoals grasklokje, heidespurrie, rode bosmier, mierenleeuw, bruin zandoogje, groene specht, zwarte specht, sperwer, boomvalk, havik, steenuil, ransuil, gekraagde roodstaart en bonte vliegenvanger.

handtekening.5

Regenboog boven de heide

Regenboog

Regenboog boven de heide,tijdens de Landelijke Natuurwerkdag in de Gaas verscheen er een prachtige dubbele Regenboog.

Een regenboog is een gekleurde cirkelboog die aan de hemel waargenomen kan worden als de (laagstaande) zon tegen een nevel van waterdruppeltjes aanschijnt en de zon zich achter de waarnemer bevindt. Het is een optisch effect dat wordt veroorzaakt door de breking en weerspiegeling van licht in de waterdruppels.

De regenboog is altijd recht tegenover de zon te zien, dus met de zon in de rug van de waarnemer. Dit komt door de weerkaatsing van het licht in de waterdruppels. De waarnemer staat op één lijn met de zon en het middelpunt van de regenboog. De plaats van de regenboog is daarmee voor iedere positie van een waarnemer verschillend.

Soms is door dubbele terugkaatsing van het zonlicht in de druppels buiten de gewone regenboog nog een tweede, zwakkere bijregenboog te zien. De kleuren in deze secundaire regenboog staan in omgekeerde volgorde ten opzichte van die in de hoofd- of primaire regenboog en de kleurenband is breder. De primaire en secundaire boog worden tezamen veelal aangeduid als een “dubbele regenboog”. Tussen de beide bogen is de hemel donker in de zogenaamde donkere band van Alexander genoemd naar de Griekse filosoof Alexander van Aphrodisias (rond 200 n. Chr) die dit verschijnsel als eerste beschreef.

handtekening.5

Vliegenzwammen

p1020859-1Vliegenzwammen

Vliegenzwammen groeien veelal in loofbossen, in nauwe associatie (symbiose) met berk, tamme kastanje, eik, beuk, ook wel met den en spar. Ze vormen een ectomycorrhiza, wat betekent dat het mycelium niet binnendringt in de wortels van de boom, maar de haarwortels aan de buitenkant omgeeft.

TVS_2507Kenmerken
De bekendste verschijningsvorm van de vliegenzwam is een donkerrode hoed met witte stippen. De witte stippen zijn restanten van het algeheel omhulsel (velum universale) waarin de paddenstoel ‘opgesloten’ zat, voordat hij uit de grond omhoog kwam. Deze spoelen bij regenachtig weer vrij snel van de hoed. De kleur van de hoed is echter variabel en kan variëren van rood tot oranje met gele tinten. De eerste foto in de fotogalerij hieronder geeft een idee van de variatie in kleur bij vliegenzwammen. Vliegenzwammen kunnen voorkomen vanaf juli tot en met de late herfst, met een hoogtepunt rond eind augustus.

handtekening.5

 

Mycena paddenstoel

14695580_1485143914835833_1598572182887532229_nHet is onze omgeving nog flink zoeken naar paddenstoelen dit was gisteren de enige die ik bij de oude leij tegenkwam.
De melksteel mycena heeft een kegel- tot klokvormige hoed van 1-2 cm breed. De hoed is wit en fijn gestreept door de lamellen, die enigszins door de hoed heen zichtbaar zijn. De lamellen zijn wit, staan breed uiteen en zijn aangehecht. De tot 8 cm hoge steel is slank (2-3 mm), glad en licht van kleur. Bij beschadiging scheidt de steel een wit melksap af, wat de soort zijn naam heeft gegeven.

handtekening.5