Vlaamse Gaaien

Vlaamse Gaai. Eerst kwam een van de ouders voor de appel, daarna durfde ook haar jong uit de boom te komen ze ging meteen haar jong voeren, het jong gaf met heel veel geluid aan wanneer ze nog meer wilde

De vogel kan bij opwinding de kruinveren opzetten, deze zijn afwisselend licht van kleur met zwart.

Voedsel vindt de Vlaamse gaai in bomen en struiken, in de lucht en op de grond; het betreft een breed spectrum van dierlijk en plantaardig dieet: insecten en ongewervelden (waaronder veel plaagdieren), eikels, beukennootjes, hazelnoten en andere zaden en noten, vruchten als bramen, kersen, frambozen en lijsterbessen. Ook kleine of jonge zangvogels en eieren behoren tot het dieet, evenals kleine knaagdieren. Met de sterke snavel hakt de gaai gaten in harde omhulsels als slakkenhuizen, notendoppen en eierschalen en doorwoelt hij bodem, dierenpoep en menselijk afval.

De eik is afhankelijk van de gaai voor het verspreiden van eikels: de gaai vervoert ze in zijn keel en tussen zijn snavel naar plaatsen met een zachte ondergrond, waarna hij ze in de aarde duwt. Zo legt hij een wintervoorraad aan. Hij vergeet alleen een aantal plekjes. Wat niet teruggevonden wordt, kan uitgroeien tot een nieuwe eik. Om deze reden wordt de gaai ook wel ‘de grootste bosbouwer’ genoemd. De Duitse naam voor de gaai (Eichelhäher) typeert het gedrag. De wetenschappelijke naam Garrulus glandarius valt vrij te vertalen als voortdurend krassende eikel zoeker.

De gaai bouwt zijn nest het liefst in bomen en legt eenmaal per jaar 5 tot 7 eieren, van half april t/m mei.

Bron: Wikipedia – Foto’s Tonnie Verheijden

De Kruidenkamer

Een bezoek gebracht aan de Kruidenkamer in Bladel, heerlijke geluncht met een 12 uur plankje is echt een aanrader. Daarna zijn we gaan wandelen in de kruidentuin prachtig aangelegd met velden met wild bloemen, kruiden, en verschillende soorten Lavendels

De Kruidkamer is een uniek theehuis met een prachtige theetuin en eigen kruidentheevelden in de Brabantse Kempen, in het dorpje Bladel.  

Brengt u eens een bezoekje aan onze kruidentheevelden. Vele leuke weetjes over kruiden staan op fleurige borden. U kunt er genieten van de kleurenpracht en de verschillende geuren. De kruidentuin is gratis toegangkelijk tijdens openingsuren.

Binnen is een prachtig zitgedeelte en in onze shop kunt u onze heerlijke losse theeën en unieke theeaccessoires kopen. 

Ook organiseren wij een smaakvolle High Tea. Bij mooi weer zit u in onze mooie theetuin. Reserveren hiervoor is noodzakelijk. 

Vanuit de Kruidkamer is het ook heerlijk wandelen en fietsen. Wij liggen aan een toeristisch fietspad en met ons wandelpad tegen de bossen van landgoed Ten Vorsel aan.

Om lekker te kunnen genieten, heeft u niet zoveel nodig.

Kom gerust even aan. U bent er al bijna……

Openingstijden seizoen 2017

5 mei t/m 1 oktober

In mei/ juni / september: vrijdag t/m zondag   11.00 uur – 17.00 uur

In juli en augustus : elke dag geopend van         11.00 uur – 17.00 uur

Bron: Kruidenkamer Bladel –  Foto’s Tonnie Verheijden

 

Gewone Oeverlibel

Gewone Oeverlibel een vrouwtje zat op de pad op de hei in de Gaas.
De gewone oeverlibel heeft een pijlvormig achterlijf: het begint breed, eindigt in een punt en heeft rechte zijkanten. Het gezicht is geel tot bruin. De pterostigmata zijn zwart. Uitgekleurde mannetjes hebben een blauwberijpt achterlijf met een duidelijke zwarte punt. Aan de buitenranden van de segmenten staan gele streepjes, die bij oude mannetjes verdwijnen onder nog meer blauwe berijping. Het borststuk is bruin, zonder blauwe berijping. Jonge mannetjes die nog geen berijping op het achterlijf hebben, zien eruit als vrouwtjes: de grondkleur van het lichaam (zowel achterlijf als borststuk en gezicht) is geel. Op de bovenkant van het achterlijf lopen twee dikke zwarte lengtestrepen.
De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 44 en 50 millimeter en de spanwijdte is 70 tot 80 mm; de larve is 19-29 mm lang.

Bron: Wikipedia – Foto Tonnie Verheijden

Hooibeestjes

Hooibeestjes zijn kleine vlindertjes die je moeilijk kunt fotograferen je moet er echt wel wat tijd aanbesteden om het goed op de foto te krijgen want het fladdert steeds maar heen en weer.

De voorvleugellengte van het Hooibeestje bedraagt ongeveer 15 millimeter. De bovenzijde is licht oranjebruin met een, vooral bij de vrouwtjes, opvallende kleine zwarte vlek aan de punt van de voorvleugel. Zittend is vaak alleen de bruingrijze onderkant te zien. De mannetjes bezetten een territorium en maken patrouillevluchten.

Grasland met een niet te hoge vegetatie, bermen en heidegebieden worden als leefgebied door de vlinder gebruikt, hij is vooral te zien in mozaïekvormige begroeiingen. De vliegtijd is van februari tot en met oktober. Het hooibeestje is een slechte vlieger en daardoor vaak laag boven het maaiveld te zien.

Er zijn jaarlijks twee generaties van deze vlinder. De eerste generatie is in mei en juni te zien. De eitjes die dan gelegd worden zullen, afhankelijk van de grassoort waarop ze zich bevinden en waarmee ze zich voeden, langzaam of sneller groeien. De snel volgroeide rupsen verpoppen zich nog hetzelfde jaar en vliegt als tweede generatie van eind juli tot ver in oktober. Hun nageslacht overwintert als jonge rups en vliegt in juni en juli van het daarop volgend jaar. De rupsen de langzamer groeien brengen de winter als volgroeide rups door en zijn vanaf de maand mei als vlinder te zien. De verpopping gebeurt aan een stevige grasstengel kort boven de grond.

Bron : Wikipedia  Foto: Tonnie Verheijden

Citroenvlinders

Citroenvlinders zijn in de lente de meest voorkomende vlinders, de mannetjes zijn meer geel, de vrouwtjes meer groen van kleur maar dit is in het veld niet altijd even eenvoudig te zien. Ze vallen zowel in vlucht als bij bezoek aan bloemen goed op. De vrouwtjes zijn ook veel bleker van kleur en worden soms verward met de witjes. Beide vlinders (mannetje-vrouwtje) zijn te herkennen aan een oranje stip op iedere vleugelpunt.

De vlinder is uitstekend gecamoufleerd en het hele lichaam is hierop aangepast. De onregelmatige oranjebruine vlekjes lijken sprekend op de brandgaatjes in bladeren. De vleugeladering is lichter en duidelijk te zien en lijkt op de nerven van een blad. De donkere uiteinden van de adering op de vleugelrand lijkt op de bladrand en zelfs kleine stekeltjes worden nagebootst. De citroenvlinder heeft geen oogvlekken of andere schrikkleuren aan de boven (binnen)zijde van de vleugels, en vouwt deze in rust nooit open, zodat hij perfect lijkt op een blad.

De citroenvlinder is een van de langstlevende soorten die als imago meer dan een jaar oud kan worden. De vliegtijd is van juli tot en met oktober en van februari tot en met mei. In de tussentijd wordt een winterslaap gehouden in holten in bomen of lage, groene struiken zodat de vlinder moeilijk te vinden en goed gecamoufleerd is. Ook als de imago rond juni uit zijn pop komt wordt al snel een soort zomerslaap gehouden. Hierdoor wordt het grootste deel van het relatief lange leven al rustend doorgebracht.

Bron: Wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

 

Kleine Vos

Kleine Vos heeft een bezoekje aan onze tuin gebracht, ik hoop dat er nog vele soorten vlinders tegen zal komen.

De kleine vos heeft een voorvleugellengte van 22 tot 25 millimeter. De basiskleur van de bovenkant van de vleugels is oranje. Langs de voorrand (costa) van de voorvleugel loopt een band van afwisselend gele en zwarte vlekken, die bij de vleugelpunt (apex) wordt afgesloten met een witte vlek. Ook in het middenveld bevindt zich nog een zwarte vlek geflankeerd door een gele vlek en twee zwarte stippen. De vleugelbasis van de achtervleugel is zwartbruin. Bij de voorrand van de vleugel loopt het oranje over in geel. Langs de vleugelranden loopt een rand met aan de binnenkant blauwe maanvormige vlekjes die zwartomrand zijn. De franje is geblokt. Zowel de voorvleugel als de achtervleugel heeft een uitstulpinkje.

De kleurstelling van de kleine vos is vermoedelijk een voorbeeld van aposematische kleuring, die predatoren afschrikt. Onderzoek met het voeren van kleine vossen aan de koolmees heeft laten zien dat deze terughoudend is in het eten van de kleine vos en deze terughoudendheid is groter bij gevleugelde dan ontvleugelde exemplaren.

De kleine vos kan verward worden met de grote vos, die echter flink groter is. Op de voorvleugels van de grote vos ontbreken blauwe maantjes en in het midden van de voorvleugel zijn vier zwarte vlekjes te vinden, in plaats van drie bij de kleine vos. Daarbij moet worden opgemerkt dat de grote vos veel minder vaak wordt waargenomen, enerzijds door een meer verborgen leefwijze, anderzijds doordat hij zeldzamer is.

 

 

Witte Tijger (nachtvlinder)

Witte Tijger (nachtvlinder),  het is een mooie vlinder met een bontmuts.

De kleine zwarte vlekjes op de voorvleugels zijn duidelijk zichtbaar, maar liggen zonder patroon her en der verspreid. Ook het aantal vlekjes kan variëren. Ze hebben een kop met een dikke ‘bontmuts’. Het achterlijf is krachtig geel met zwart gevlekt. ze hebben een spanwijdte van 3 tot 4 centimeter.

Deze vlinders rusten overdag, vlak bij de grond op een stam of in het gras, met de vleugels gevouwen in de vorm van een dakje. Als ze verstoord worden krommen ze hun achterlijf en houden zich dood. Ze worden niet door vogels gegeten, daar ze vies smaken en giftig zijn.

Deze vlinder kreeg de oorspronkelijke naam tienuursvlinder omdat deze na 10 uur ’s avonds pas werd gezien omdat het een nachtvlinder is. De vliegtijd van de witte tijger is vanaf half april tot half augustus. De eieren worden in grote groepjes op de onderkant van de bladeren afgezet. Per jaar is er meestal maar één generatie.

Icarusblauwtje

Icarusblauwtje (vrouwtje) gefotografeerd in de Gaas gelukkig weer een plekje gevonden waar ze nog rond vliegen.
Op elk stukje grond waar ik fotografeerden zijn nu woningen gebouwd.

Voorvleugellengte: circa 15 mm. De bovenkant van de vleugels is bij het mannetje blauw en bij het vrouwtje bruin.
Sommige vrouwtjes hebben een sterke blauwe bestuiving, maar er komen ook zuiver bruine vrouwtjes voor.
De franje is niet geblokt maar zuiver wit. De vlekken op de onderkant van de voor- en de achtervleugel zijn even groot.
Op de onderkant van de voorvleugel bevinden zich twee wortelvlekken, waarmee deze soort van alle verwante soorten is te onderscheiden.
Vaak is de onderkant van de vleugels bij de vleugelwortel blauw bestoven.

Een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt.
Allerlei kruidenrijke vegetaties, zoals halfnatuurlijke graslanden, lage pioniersvegetaties, parken, wegbermen en dijken.
Waardenplanten, diverse vlinderbloemigen; vooral kleine klaver, rolklaver en hopklaver.

Begin mei-begin oktober in twee, soms drie overlappende generaties.
De vlinders voeden zich met nectar van vooral vlinderbloemigen en vliegen meestal laag boven de vegetatie.
De vlinders brengen de nacht door in groepjes, waarbij ze met de kop naar benenden in de vegetatie hangen.

Bron: vlindernet.nl,  Foto: Tonnie Verheijden,  Facebook zoomm.nl

Papaver Slaapbol

De Papaver staan weer in bloei 10 jaar geleden zaadjes meegenomen uit de tuin van mijn Zus in Canada.
Tuinpapaver speciaal gekweekt voor zijn fraaie bloemen.

Alhoewel de slaapbol vooral bekend is door zijn narcotische werking is de plant ook erg voedzaam.
De zaden bevatten veel olie. Met een pers is het mogelijk om olie uit de zaden te krijgen, de zaden bevatten 45% aan niet drogende olie.
De olie is goed als olijfolievervanger. De zaadjes zijn ook geschikt om mee te koken met rijst,
deze maken de rijst wat voller en geven de rijst een lekkere nootachtige smaak.
De zaadjes worden vaak over broodjes gestrooid (voor het bakken) en zijn het maanzaad.
De zaadjes bevatten nagenoeg 0% van de narcotische middelen.
De plant is zelfuitzaaiend, als je de zaadjes oogst moet je ze niet allemaal oogsten, laat er een paar zitten en hark de plant eventueel onder. Volgend jaar krijg je dan gegarandeerd nieuwe planten.
De planten kunnen gemakkelijk uit maanzaad worden gezaaid.

Bron: http://www.permacultuurnederland.org Foto’s Tonnie Verheijden

Klein geaderd Witje

Klein geaderd Witje kom je weer regelmatig tegen in de Gaas.

De voorvleugellengte van het Klein geaderd Witje is 20 tot 24 millimeter. De grondkleur van de vleugels is wit, op de onderzijde is de ondervleugel en de vleugelpunt van de voorvleugel soms geel. De aders zijn aan de onderkant van de vleugels groengrijs bestoven, dit is echter in de zomer aanzienlijk minder duidelijk dan in het voorjaar. De soort is dan niet makkelijk te onderscheiden van het klein koolwitje. Aan de bovenzijde van de voorvleugel heeft het mannetje een zwartige stip, het vrouwtje twee. De vlek aan de vleugelpunt (apex) is gelobd, en loopt naar beneden toe druppelsgewijs af.

De eitjes van het klein geaderd witje worden afzonderlijk door het vrouwtje op de onderkant van het blad van de waardplant afgezet. Na een drie tot zeven dagen verschijnen de rupsjes De voornaamste waardplanten zijn pinksterbloem en look-zonder-look, maar ook andere soorten kruisbloemigen zoals andere soorten veldkers dan de pinksterbloem en mosterd. In de zomer kunnen ze ook gevonden worden op gekweekte koolplanten in tuinen, maar is niet een gekend plaaginsect. De planten moeten met name in vochtige omgeving in de halfschaduw staan. Het rups van het oranjetipje leeft ook vooral van pinksterbloem en look-zonder-look, maar eet van de bloemen en zaden, terwijl de rups van het klein geaderd witje van de bladeren eet. Rupsen van het klein geaderd witje vallen vooral ten prooi aan loopkevers en hooiwagens en in mindere mate vogels.

Landkaartje

Vanmorgen was er een Landkaartje in de tuin, het is al een paar jaar geleden dat ik hem hier in de Gaas ben tegengekomen.

Het landkaartje (Araschnia levana) is een dagvlinder uit de familie Nymphalidae, de vossen, parelmoervlinders en weerschijnvlinders.

 

De onderkant van de vleugels is een netwerk van lijnen en daar dankt deze vlinder zijn naam aan. Bijzonder aan deze vlinder is dat er twee vormen zijn. De eerste generatie in het voorjaar is oranjerood met zwarte vlekken terwijl de zomergeneratie zwart is met een witte band en rood-oranje streepjes op de bovenvleugel. De voorjaarsgeneratie is met een voorvleugellengte van 16 tot 18 millimeter ook kleiner dan de zomergeneratie met 17 tot 21 millimeter. Door het aderwerk op de onderzijde kan de zomervorm niet verward worden met andere vlinders zoals de kleine ijsvogelvlinder of de voorjaarsvorm met parelmoervlinders. De verschillende vormen had Carolus Linnaeus in 1758 als twee verschillende soorten beschreven. De voorjaarsvorm als Papilio levana en de zomervorm als Papilio prorsa.[1] Het seizoendimorfisme wordt veroorzaakt door de diapauze die de overwinterende poppen van de voorjaarsvorm ondergaan.

Verspreiding en leefgebied

Het landkaartje komt in grote delen van Europa algemeen voor en heeft als leefgebied de bossen, tuinen, en bosranden. De vlinder vliegt van zeeniveau tot 1500 meter. De vliegtijd is van mei tot en met oktober.

Gekraagde Roodstaart

 Gekraagde Roodstaart

Gekraagde roodstaart is een vogelsoort van oude, parkachtige bossen met weinig ondergroei. Vooral te vinden op de hogere zandgronden en duinen die begraasd worden. Open plekken, oude bomen, graslanden of heiden moeten elkaar afwisselen. Ook in kleinschalig boerenland met oude, lommerrijke erven. Gekraagde roodstaarten zijn holenbroeders, die ook wel van nestkasten gebruik maken. De gekraagde roodstaart is tegenwoordig niet meer zo algemeen als enkele decennia geleden.
Volwassen mannetjes hebben een oranjerode borst, zwarte keel, wit voorhoofd en grijze kruin en mantel. Vrouwtjes zijn minder opvallend getekend en hebben een grijsbruine rug en een beige onderzijde. Beide geslachten hebben een roestrode staart. Trilt vaak met staart, maar is verder tamelijk onopvallend.

Bron: www.vogelbescherming.nl  foto: TVS Naturephotography

Dagpauwoog

Dagpauwoog

Dagpauwogen waren aan balsen voor de volgende generatie.
Deze overwinteraar werd ook verstoord door een bewonderaar.

De dagpauwoog (Aglais io) is een middelgrote vlinder uit de familie Nymphalidae en de onderfamilie aurelia’s (Nymphalinae).

De dagpauwoog is een van de bontst gekleurde en bekendste soorten vlinders in Europa. De soort komt binnen Europa algemeen voor in de gematigde zones en ontbreekt in het uiterste noorden en zuiden. Ook in de gematigde gebieden van Azië vinden we de soort tot in Japan. Het grote verspreidingsgebied is onder meer te verklaren doordat de belangrijkste voedselplant, de brandnetel, zoveel voorkomt. In België en Nederland is de dagpauwoog algemeen aanwezig.

De dagpauwoog is hier niet te verwarren met andere vlinders vanwege de grootte, de oranjerode vleugels en de karakteristieke oogvlek op de bovenzijde van iedere vleugel. De onderzijde is juist goed gecamoufleerd door donkerbruine kleuren en donkere strepen.

De dagpauwoog is goed onderzocht waardoor er veel bekend is over de levenswijze, de voortplanting en de ontwikkeling van de vlinder. Het is een van de soorten die als volwassen vlinder overwintert en ’s winters kan worden aangetroffen in huizen.

Grijze Zandbijen


De Grijze Zandbijen zijn volop aanwezig op de Hei in de Gaas.

De grijze zandbij is een van de grootste zandbijen. Het vrouwtje wordt 13 tot 15 millimeter lang. Het mannetje is kleiner en wordt 10 mm. De bij is zwart met een egaal lichtgrijze, donzige beharing over het gehele borststuk en kop. Het achterlijf is kaal en zwartglanzend. Het mannetje, dat duidelijk kleiner is dan het vrouwtje, lijkt een wit snorretje te hebben.

De bij heeft een vrij korte tong en bezit verzamelharen voor het stuifmeeltransport aan de achterpoten. De voorvleugels bezitten drie submarginale cellen en een zeer zwak gekromde basale ader die schuin van het midden tot aan de rand van de vleugel loopt. De soort vliegt van maart tot en met mei, met de piek halverwege april. Vanaf de tweede helft van mei worden ze niet meer waargenomen. Als voedsel wordt wilgenstuifmeel gebruikt; de zandbij is een soortspecifieke specialist. Hun vliegperiode is dan ook beperkt tot de bloeitijd van de wilgen. Iets later op het jaar haalt ze ook stuifmeel van paardenbloemen. De soort leeft in pioniersvegetaties.

Grijze zandbijen hebben geen angel en kunnen dan ook niet steken.
In maart zijn de eerste mannetjesbijen waar te nemen. Ze worden een paar dagen voor de vrouwtjes actief. Op zoek naar vrouwtjes vliegen ze laag over de grond. Als een vrouwtje verschijnt, vliegen ze ernaartoe en proberen soms meerdere mannetjes tegelijk ermee te paren. De enige functie van de mannetjes is paren. Nadien sterven ze dan ook.
De grijze zandbij leeft vooral in zandgrond in heide, bos of zandputten, in open plekken nabij dijken en rivieren. Het leefgebied is steeds in de omgeving van wilgen; deze bevinden zich gemiddeld in een straal van 250 meter eromheen.