Zwartspriet Dikkopje

_TVS6347.1Vandaag tijdens mijn wandeling een Zwartspriet Dikkopje tegengekomen, het zijn hele kleine snelle vlindertjes.

Zwartspriet Dikkopje voorvleugellengte is: 12-14 mm. De vleugels zijn lichtbruin tot geel zonder tekening op de bovenkant van de vleugels. De geurstreep van het mannetje loopt evenwijdig aan de aders op de voorvleugel. Op de onderkant van de voorvleugel heeft de vleugelpunt dezelfde kleur als de rest van de vleugel. De onderkant van de sprietknop is zwart.

Voorkomen
Een algemene standvlinder die vrijwel overal voorkomt, alleen wat schaarser in delen van het rivierengebied, de Flevopolders, het Utrechts veenweidegebied en in Noord-Holland.

Habitat
Graslanden en ruigten met overjarige grassen en nectarrijke kruiden, vaak langs bosranden en in bermen of op dijken.

_TVS6347Waardplanten
Verschillende grassoorten waaronder gladde witbol, kropaar, timoteegras en kweek, die groeien op zonnige plaatsen.

Vliegtijd en gedrag
Eind juni-eind augustus in één generatie. De vlinders besteden veel tijd aan het drinken van nectar. Belangrijke nectarplanten zijn slangenkruid, akkerdistel en moerasrolklaver. De mannetjes worden ook vaak drinkend bij modderpoelen, waterkanten of uitwerpselen waargenomen.

Levenscyclus
Rups: half april-half juli. Vanuit een zelfgemaakt kokertje zoekt de rups zijn voedsel. De verpopping vindt plaats in een cocon van bladeren aan de basis van de waardplant. De platte, witte eieren worden in kleine groepjes afgezet in bladscheden van breedbladige grassen. De soort overwintert als ei.Bron: www.vlindernet.nl

Foto’s T.V.S.Fotografie

Fitis

_TVS5529De Fitis ben ik twee keer op een dag tegengekomen, de eerste keer was hij/zij druk bezig met voer te vangen. de tweede keer zat de Fitis op een tak.

Er is een handjevol kleine groene zang vogelsoorten, die allemaal sterk op elkaar lijken. De fitis is er zo ongeveer de meest voorkomende van dit stel, op de voet gevolgd door de tjiftjaf. Het geluid van de fitis is echter gemakkelijk te onderscheiden van alle andere vogels: een helder, aflopend riedeltje met enkele hogere tonen aan het einde. Fitissen broeden op de grond en zoeken hun voedsel in struwelen. Het totale fitisbestand eet per jaar tonnen aan muggen en vliegen – iets waarvoor mensen de soort dankbaar mogen zijn!

_TVS5602Algemeen
Overige namen Willow Warbler , Phylloscopus trochilus Orde Passeriformes Familie Zangers (Sylviidae) Status Zomervogel. Zeer talrijke broedvogel; door trekker in zeer groot aantal Europese verspreiding De fitis is één van de meest voorkomende vogels in Europa. De fitis komt voor van West-Europa, tot aan Oost-Siberië (het Chukotskiy schiereiland). De verspreiding wordt begrensd door de 10 en 22 graden Celsius juli-iso thermen. Op Ijsland komen geen fitissen voor en ten zuiden van de 45 graden Noorderbreedte komt de soort ook niet of nauwelijks voor: Portugal, Spanje, Italië en de andere zuidelijke landen.

Leefomgeving en voedsel
Biotoop Bos, park en tuin Voedsel- en broedbiotoop Fitissen broeden op de grond – bij voorkeur tussen grassen – maar hebben beslist enkele bomen nodig als zang- en uitkijkpost. Hun voedsel, dat voornamelijk bestaat uit insecten zoals muggen, rupsen en andere ongewervelden, wordt vooral in struwelen gezocht. Jonge bossen, bosranden en andere dichte struikvegetaties zijn daarom ideaal voor de fitis. Voedsel Insecten

_TVS5600.1Broeden
Broedperiode Vanaf eind april Koloniebroeder Nee, Aantal legsels Meestal 2 legsels per jaar Aantal eieren6-7, soms 3-9

Vogeltrek
Trekroute Fitissen trekken weg in zuidelijke tot zuidwestelijke richting, via het Iberisch Schiereiland naar Marokko en vervolgens door naar Tropisch Afrika, ten zuiden van de Sahel.Overwinteringsgebied Tropisch Afrika.

Bron: www.vogelbescherming.nl

Foto’s T.V.S.Fotografie

sint Jansvlinder

st.jansvlinder.1000Gisteren ook de sint Jansvlinder tegengekomen tijdens de wandeling.

De voorvleugellengte van de sint Jansvlinder is: 15-19 mm. Een bloeddrupje met zes rode vlekken op de voorvleugel: de rode vlek aan de vleugelbasis is gescheiden door een ader en telt voor twee. Er komt ook een afwijkende vorm voor met gele vlekken en een gele achtervleugel.

Gelijkende soorten
Door de rood met zwarte tekening en de op elkaar lijkende Nederlandse namen, wordt deze soort door beginnende nachtvlinderaars wel verward met de sint-jacobsvlinder (Tyria jacobaeae) die eveneens overdag actief is en vrij algemeen voorkomt. Ook is verwarring mogelijk met de vijfvlek-sint-jansvlinder (Z. trifolii) en de kleine sint-jansvlinder (Z. viciae).

Voorkomen

Een gewone soort die verspreid over het hele land voorkomt.

st.jansvlinder.1.1000Habitat
Bloemrijke graslanden, wegbermen, kalkgraslanden, weilanden, brede bospaden en duinen.

Waardplanten
Gewone rolklaver en moerasrolklaver.

Vliegtijd en gedrag
Eind mei-eind augustus in één generatie. De vlinders bezoeken bloemen van onder andere distels. De mannetjes maken patrouillevluchten, op zoek naar onbevruchte vrouwtjes.

Levenscyclus
Rups: september-juni. De rups overwintert één-, soms tweemaal en verpopt zich in een cocon, die goed zichtbaar tegen een grasstengel of een andere plant is aangebracht.
Bron: www.vlindernet.nl
Foto’s T.V.S.Fotografie

Bladwesp

_TVS6251.1000Deze Bladwesp (Rhogogaster viridis) kwam ik vanmiddag tegen in aan de bosrand van de Gaas.

Deze solitaire insecten hebben geen ‘wespentaille’ en steken niet. Het borststuk is vergroeid met het achterlijf. Het vrouwtje bezit een legboor. Bladwespen kunnen hun vleugels niet vouwen en leggen deze recht naar achteren op de rug wat gewone wespen niet doen. De lichaamslengte varieert van 0,3 tot 2,2 cm.

Voortplanting

De eieren worden in planten afgezet. De felgekleurde, rupsachtige larven zitten dikwijls onbeschut op een blad te eten. Hun voedsel bestaat uit vruchten en bladen van kruiden en bomen. Ze kunnen een plaag vormen in boomgaarden.

_TVS6262Verspreiding en leefgebied

Deze familie komt wereldwijd voor op allerlei planten in bossen, parken en tuinen, uitgezonderd in Nieuw-Zeeland.
Bladwespen zijn met enige honderden soorten de rijkst vertegenwoordigde familie van een groep van vliesvleugeligen waarvan het achterlijf niet is ingesnoerd of getailleerd (onderorde Symphyta).

Levenswijze
De soorten leggen hun eieren in planten en de larven zijn fytofaag. Alle bladwespen zijn voor de mens ongevaarlijk. Ze verschillen sterk in kleur en tekening. Een groot aantal soorten bootsen wespen of bijen na die wel pijnlijk kunnen steken.

Gewone Oeverlibelle

oeverlibelle.1000Vanmiddag weer opzoek gegaan naar vlinders op het klaverveldje en langs de dijk van het spoor, heel weinig vlinders tegengekomen een st.Jacobsvlindertje die is morgen aan de beurt, de Gewone Oeverlibelle heb ik wel gefotografeerd.

De Gewone Oeverlibelle is 44-50 mm groot. Groter dan andere oeverlibellen. Het achterlijf is pijlvormig: het begint breed, eindigt in een punt en heeft rechte zijkanten. Het gezicht is geel tot bruin. De pterostigma’s zijn zwart. Mannetje: uitgekleurde mannetjes hebben een blauwberijpt achterlijf met een duidelijke zwarte punt. Aan de buitenranden van de segmenten staan gele streepjes, die bij oude mannetjes verdwijnen onder nog meer blauwe berijping. Het borststuk is bruin, zonder blauwe berijping. Jonge mannetjes die nog geen berijping op het achterlijf hebben, zien eruit als vrouwtjes. Vrouwtje: grondkleur van het lichaam (zowel achterlijf als borststuk en gezicht) geel. Op de bovenkant van het achterlijf lopen twee dikke zwarte lengtestrepen.

Gelijkende soorten
Beekoeverlibel, zuidelijke oeverlibel, platbuik, bruine korenbout en eventueel plasrombout.

Voorkomen
Zeer algemeen in heel Nederland.

_TVS6169.1000Habitat
Allerlei stilstaande en zwak stromende wateren, liefst op plaatsen met kale oevers.

Vliegtijd en gedrag
Begin mei tot eind september, met de hoogste aantallen in juni, juli en de eerste helft van augustus. Jonge oeverlibellen kunnen ver van het water wegvliegen en zijn op allerlei plaatsen te vinden, vaak zittend op kale grond of in korte vegetatie. Hier jagen ze tot ze geslachtsrijp zijn en naar het water terugkeren. Geslachtsrijpe mannetjes houden de wacht vanaf warme zitplaatsen langs de waterkant. Vaak zijn dit kale stukken grond, boomstronken, enz. Vanaf deze zitplaatsen maken ze vluchten laag over het water, waarbij andere mannetjes worden verjaagd en vrouwtjes worden gegrepen voor de paring. Het vrouwtje zet haar eitjes af door vliegend met de achterlijfspunt op het wateroppervlak te tikken. Het mannetje vliegt meestal dicht bij haar in de buurt, om concurrenten te verjagen.

Levenscyclus
De larven overwinteren twee of drie keer. Uitsluipen gebeurt van begin mei tot half augustus, met een piek van half juni tot eind juli. Bron: www.libellenet.nl
Foto’s T.V.S.Fotografie

Phegeavlinder

_TVS5744De Phegeavlinder ben ik tegengekomen bij de Kempervennen hij zat op het riet langs het water.

De Phegeavlinder heeft een Voorvleugel lengte van 18-22 mm. Zowel de voor- als de achtervleugel is inktkleurig blauwzwart met enkele halfdoorschijnende witte vlekken. Op het achterlijf bevinden zich één of twee gele banden en de antennen hebben witte uiteinden.

Voorkomen
Een zeldzame soort met populaties in de noordelijke helft van Limburg, het aangrenzende deel van Noord-Brabant en in de buurt van Bergen op Zoom; op de vliegplaatsen soms talrijk aanwezig. Buiten de bekende populaties worden af en toe zwervers aangetroffen, soms op grote afstand van de genoemde gebieden.

_TVS5741

Habitat
Bloemrijke graslanden, bosranden en bospaden in droge dennenbossen, oude steengroeven en open plekken in het bos.

Waardplanten
Diverse kruidachtige planten, waaronder dovenetel en paardenbloem.

Vliegtijd en gedrag
Eind mei-half augustus in één generatie. De vlinders zijn overdag actief en bezoeken bloemen.

Levenscyclus
Rups: augustus-mei. De soort overwintert als rups.
Bron:www.vlindernet.nl
Foto’s T.V.S.Fotografie

Hooibeestje

zoomm.1Het Hooibeestje is een klein vlindertje het valt bijna niet op, ik ben ze tegengekomen langs de bosrand van de Gaas.

Het Hooibeestje heeft een Voorvleugel lengte van circa 15 mm. De bovenkant van de vleugels is oranje met een smalle bruine rand. In de vleugelpunt van de voorvleugel bevindt zich op de bovenkant een kleine zwarte oogvlek, die ook aan de onderkant van de vleugel te zien is en daar witgekernd is. Deze oogvlek is bij het vrouwtje op de bovenkant scherper afgezet dan bij het mannetje. Op de onderkant van de achtervleugel bevinden zich geen of bijna geen oogvlekken.

Voorkomen
Een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt; de meeste waarnemingen worden gedaan op de zandgronden en in de duinen.

Habitat
Open, droge tot vrij vochtige en vrij voedselarme graslanden, heiden en pioniersvegetaties met een voorkeur voor mozaïekvormige vegetaties.

zoomm

Waardplanten
Diverse grassen, waaronder reukgras, zwenk- en beemdgrassen.

Vliegtijd en gedrag
Eind april-eind september in twee elkaar overlappende generaties. De vlinders zoeken nectar in ruigten en bloemrijke graslanden op allerlei soorten planten. De mannetjes bezetten een territorium en maken patrouillevluchten.

Levenscyclus
Rups: eind juni-half juni. De soort overwintert als halfvolgroeide rups; op warme winterdagen is de rups soms actief. De verpopping vindt plaats aan een stevige grasstengel laag bij de grond. Bron:www.vlindernet.nl
Foto’s T.V.S.Fotografie

Levendbarende Hagedis

_TVS6120

Gisteren liep een Levendbarende Hagedis door de tuin, de achtergrond heb ik zwart gemaakt, omdat die niet mooi was.

Uiterlijke kenmerken
De Levendbarende Hagedis is weinig afgeplat. Kleine ronde kop, korte poten. Lichaamslengte 4-7 cm. Kop romp lengte bij vrouwtjes groter dan bij mannetjes. Originele, niet geregenereerde staart 1,4-2 keer de lichaamslengte. (Hagedissen kunnen hun staart loslaten wanneer deze wordt vastgepakt. Deze groeit weer aan, maar minder lang en mooi dan de originele staart). Halskraag gekarteld, rugschubben gekield. Rug en flanken bruin tot grijsbruin, soms met een groene of bronskleurige glans. Flanken donkerder dan de rug. Op de grens van rug en flank een wittige of gelige lijn of reeks vlekjes. Bij vrouwtjes zijn deze lijnen meer uitgesproken, bij mannetjes vaker uiteengevallen tot een reeks vlekjes of streepjes. Vaak donkere en/of lichte vlekjes op rug en flanken. Vrijwel altijd een donkere streep of reeks vlekjes midden op de rug, bij mannetjes kan deze ontbreken. De buik is bij mannetjes donkergeel tot oranjerood met veel zwarte vlekjes, bij vrouwtjes geelwit of bleek oranje met enkele kleine donkere vlekjes. Mannetjes hebben relatief een veel grotere kop dan de vrouwtjes en langere achterpoten en een langere staart. Jonge dieren zijn meestal zeer donker bronskleurig bruin. Hun buik is grijszwart en de staart heel donker. Subadulte dieren lijken op vrouwtjes.

Verspreiding
Komt in een groot deel van Europa voor. In Nederland vooral op zandgronden zoals de heidegebieden in het oosten, midden en zuiden. Maar ook op de Hoogvenen in die gebieden. Komt ook voor in de duinen van Terschelling en plaatselijk in Zeeland.

hagedis
Biotoop
Met name zandige gebieden zoals heidevelden. Maar ook hoogvenen en open bossen. Houdt van vrij dicht begroeide en vochtige plaatsen. In het zuiden van zijn verspreidingsgebied komt hij ook in de bergen voor. In de Alpen tot op 3000 meter hoogte, in de Pyreneeën tot 2400 meter.

Levenswijze
Actief van eind maart tot in oktober, afhankelijk van het weer. Jonge dieren gaan meestal wat later in winterslaap. Mannetjes verschijnen in het voorjaar eerder dan vrouwtjes. De voortplantingsactiviteit vind plaats in april en mei. Deze soort is eierlevendbarend. (Alleen op enkele plekken in het zuiden van zijn verspreidingsgebied leggen zij eieren.) In Nederland is de draagtijd ongeveer 10 weken, de meeste jongen worden eind juli/ begin augustus geboren. De dieren voeden zich met allerlei ongewervelden, zoals spinnen en insecten. Vlucht soms het water in, kan goed zwemmen. Overwintert tussen plantenwortels, in verlaten holen van andere dieren of onder boomstronken en dergelijke. (Overwintert van oktober tot in maart, afhankelijk van de temperatuur.)

Trefkans
Afhankelijk van het weer zijn deze dieren te zien van maart tot begin oktober. Beste tijd is van half april tot eind mei, omdat de meeste voortplantingsactiviteit in deze periode plaatsvindt en de dieren dus heel actief zijn. Jonge dieren zijn vanaf eind juli aan te treffen en deze blijven soms actief tot in oktober.

Levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) Bron www.soortenbank.nl

Foto’s T.V.S.Fotografie

 

Groot Dikkopje

_TVS6029
Vanmiddag even een wandeling gemaakt over het klaverveldje langs het spoor, ik kwam niet veel vlinders tegen alleen het Groot Dikkopje en de kleine Vos, ik denk dat de 2e generatie spoedig gaat komen.

Groot Dikkopje haar Voorvleugellengte is: 12-15 mm. De onderkant van de achtervleugel is geelachtig, met duidelijke lichte vlekken. Het mannetje heeft op de bovenkant van de voorvleugel een duidelijke geurstreep in de vorm van een langgerekte S. Het groot dikkopje heeft geen kommavlek.

Voorkomen
Een algemene standvlinder. De soort vliegt op de zand- en veengronden en in grote delen van de duinen. Op de meeste kleigronden ontbreekt hij en op de Waddeneilanden en in Zuid-Limburg is hij wat schaarser.
_TVS6036
Habitat
Allerlei beschutte, vrij vochtige graslanden en ruigten, zoals vochtige heide met pijpenstrootje, grazige ruigten in graslanden, open plekken in bossen en langs bosranden.

Waardplanten
Diverse grassen zoals breedbladige zwenkgrassen en beemdgrassen, kweek, witbol en pijpenstrootje.
_TVS6029
Vliegtijd en gedrag
Begin juni-half augustus in één generatie. De vlinders voeden zich met nectar van onder andere gewone braam, dophei en akkerdistel. De mannetjes voeren ’s morgens vaak patrouillevluchten uit. ’s Middags vertonen ze territoriaal gedrag, vaak vanaf steeds dezelfde uitkijkposten.

Levenscyclus
Rups: eind juli-eind juni. De soort overwintert als halfvolgroeide rups in een stevig kokertje dat bestaat uit samengesponnen bladeren. De verpopping vindt plaats in een cocon tussen grassprieten dicht bij de grond. De eieren worden meestal afgezet op beschutte plaatsen in een vrij hoge grazige vegetatie. Bron www.vlindernet.nl
Foto’s T.V.S Fotografie

Viervlek libelle

viervlek.2Op de Kempervennen ook de Viervlek Libelle tegengekomen, boven een poel met riet.

De Viervlek Libelle is 40-48 mm groot. Libellen met een vrij breed achterlijf dat taps toeloopt en in een punt eindigt. Mannetjes en vrouwtjes vergelijkbaar getekend. Achtervleugels met een donkere vlek in de basis. De aders in de donkere vlekken zijn opvallend geel. Halverwege de voorranden van de vleugels staat een donker vlekje, dat niet voorkomt bij andere libellensoorten. Sommige exemplaren hebben bij deze vlekjes, en bij de pterostigma’s, een extra donkere veeg in de vleugels (vorm praenubila). Achterlijf bij jonge dieren overwegend oranje met contrasterende zwarte punt. De segmentranden hebben gele zomen. Oudere dieren worden donkerbruin met een grijze zweem, de zwarte punt vormt dan geen contrast meer. In het achterlijf zijn vaak opvallende luchtbellen zichtbaar. Ogen roodbruin. Gezicht crème, soms bijna wit.

Gelijkende soorten
Platbuik, tweevlek, eventueel gewone oeverlibel en bruine korenbout.

Voorkomen
Zeer algemeen

Habitat
Allerlei stilstaande, niet te grote en vaak zure wateren. Grootste aantallen in vennen en hoogveen, lagere aantallen in laagveen en (duin)plassen.
_TVS5891Vliegtijd en gedrag
Van eind april tot begin september. Jonge imago’s zijn te vinden in de buurt van het voortplantingswater, bijvoorbeeld in heidegebieden of langs bosranden. Geslachtsrijpe mannetjes vertonen territoriaal gedrag aan de waterkant. Ze zitten hier op uitkijkposten (bijvoorbeeld een pijpestrootjestengel) en maken korte vluchten waarbij ze ander mannetjes verjagen en vrouwtjes grijpen voor de paring. Eitjes worden door het vrouwtje los in ondiep water afgezet, waarbij ze beschermd wordt door het mannetje. Het mannetje blijft boven haar vliegen en probeert andere mannetjes die willen paren te verjagen.
Op sommige plaatsen en in sommige jaren kan de dichtheid aan viervlekken erg hoog zijn. Uit andere delen van zijn areaal, maar vroeger ook uit Nederland, zijn gevallen bekend van enorme zwermen viervlekken, die miljoenen exemplaren kunnen omvatten.

Levenscyclus
De larven overwinteren twee of drie keer, soms maar een keer. Uitsluipen gebeurt van eind april tot half juli. Bron www.libellenet.nl

Foto’s T.V.S. Fotografie

Watersnuffel juffer

speerbeekjufferNog een juffer toegevoegd aan de reeks, een Watersnuffel uit de Kempervennen

Watersnuffel juffer 29-36 mm. Kenmerkende borststuktekening: de lichte schouderstreep is minimaal even breed, maar meestal breder dan zwarte schoudernaadstreep die eronder ligt. Bovendien is aan de basis van de tweede zijnaad geen kort streepje aanwezig. Alleen op de eerste zijnaad bevindt zich een dergelijk streepje. Bij andere blauwe juffers zijn beide streepjes aanwezig. Mannetje: blauw, met een relatief beperkte zwarte tekening op het achterlijf. De tekening op de bovenzijde van segment 2 is variabel, maar meestal in de vorm van een paddestoel (of ‘atoombommetje’). De segmenten 3, 4 en 5 hebben zwarte vlakjes bij de achterrand, die ongeveer een kwart van de segmentlengte innemen. Segment 6 is ongeveer voor de helft zwart, segment 7 vrijwel geheel. 8 en 9 zijn geheel blauw. Sporadisch komen mannetjes voor die een uitgebreidere zwarte tekening hebben. Vrouwtjes: Achterlijfsegmenten met brede zwarte torpedovormige figuren. De lichte delen van borststuk en achterlijf eenkleurig geel, bruin, groen of blauw. Aan de onderkant van segment 8 steekt een doorntje naar achteren (de vulvaardoorn), die bij waterjuffers van het geslacht Coenagrion ontbreekt.

 

Gelijkende soorten

Andere blauwe juffers, vooral azuurwaterjuffer en kanaaljuffer.

speerbeekjuffer.1

Habitat

Allerlei stilstaande watertypen met relatief veel open water. Hoogste dichtheden bij zure vennen en hoogvenen. Grote aantallen watersnuffels zijn hier een indicator voor verzuring. Bij voedsel- en vegetatierijke wateren zeldzamer, evenals bij zwak stromend water.

Vliegtijd en gedrag

Lange vliegtijd: begin mei tot in oktober. Hoogste aantallen in juni, juli en augustus. Mannetjes vliegen in een rechte lijn laag over het water (‘snuffelen’) en gaan regelmatig zitten op uit het water stekende planten. Jonge imago’s zijn vaak te vinden in bosranden en heidevelden.

Levenscyclus

De larven overwinteren een, soms twee keer. Uitsluipen gebeurt gedurende een lange periode: begin mei tot en met april tot half september. In juni, juli en augustus worden de meeste verse imago’s gezien. Bron www.libellenet.nl
Foto’s T.V.S Fotografie

Lantaarntje

lantaarntje.1

Een Lantaarntje waterjuffer in Kempervennen gefotografeerd, weer een aan mijn collectie toegevoegd

Waterjuffer Lantaarntje 30-34 mm. Achterlijf in bovenaanzicht geheel donker, met segment 8 licht gekleurd (het ‘lantaarntje’). Pterostigma’s tweekleurig: donkere basis, lichte top. Mannetje: lichte delen op borststuk eerst groen, daarna blauw. Kleur van het lantaarntje altijd hemelsblauw (bij uitgekleurde dieren). Vrouwtje: ingewikkelde variatie in de lichtgekleurde delen. De kleur van het borststuk kan groen, blauw, paars, oranje of bruin zijn. Sommige kleurtypen lopen in elkaar over naar gelang het dier ouder wordt. Het ‘lantaarntje’ is bij sommige typen bruin in plaats van blauw en daardoor minder opvallend.

Gelijkende soorten
Tengere grasjuffer, roodoogjuffers, donkere waterjuffer. Donkere vrouwtjes kunnen met andere waterjuffers verward worden.

Habitat
Vrijwel alle zoete watertypen, soms ook in brak water. Heeft van alle Nederlandse soorten de minst uitgesproken habitatvoorkeur. Vooral algemeen in voedselrijk, helder water met gevarieerde oevervegetatie. Duidelijk minder algemeen in zure wateren.

lantaarntje.2

Vliegtijd en gedrag
Eind april tot begin oktober. Grootste aantal tussen eind mei en eind augustus. Lantaarntjes zijn meestal langs de waterkant in de oevervegetatie te vinden, soms in grote aantallen. Ook de pas uitgeslopen dieren blijven doorgaans in de nabijheid van het water. Bij bewolkt of zelfs regenachtig weer zijn lantaarntjes vaak de enige libellen die nog rondvliegen tussen de vegetatie. Ei-afzet vindt plaats in allerlei planten. Vaak betreft dit drijvende, dode plantendelen, maar levende en boven het water uitstekende planten worden ook gebruikt. Het vrouwtje zet de eitjes doorgaans solitair af, dit in tegenstelling tot de meeste andere juffers. Soms verdwijnt ze hierbij onder water.

Levenscyclus
Larven overwinteren een keer. Het uitsluipen gebeurt gedurende een lange periode. In sommige jaren begint het al in eind april en gaat het door tot in september. De meeste verse imago’s worden echter gevonden tussen eind mei en eind augustus. De levenscyclus kan soms waarschijnlijk ook binnen een lente en zomer worden afgerond, zodat een tweede generatie optreedt. In andere landen is dit bewezen en in Nederland komt het waarschijnlijk ook voor. Bron www.libellenet.nl

Foto’s T.V.S. Fotografie

Bosbeekjuffer

Bosbeekjuffer

Tijdens ons weekje Center Parcs mooie libelle en juffers tegengekomen, de eerste is de Bosbeekjuffer een mannetje die hebben een mooie donkerblauwe kleur.

De bosbeekjuffer (Calopteryx virgo) is een 45 tot 49 mm grote Juffer die in vrijwel heel Europa voorkomt. Door het verdwijnen van zijn biotoop, langzaam stromende (bos)beken met een heel goede kwaliteit van het water, is de soort in Nederland sterk achteruitgegaan en staat dan ook op de Nederlandse Rode lijst (libellen) als bedreigd

Uiterlijk

De bosbeekjuffer is te verwarren met de weidebeekjuffer, waarmee hij samen voor kan komen. De vleugels van mannetjes bosbeekjuffer zijn helemaal donker en die van de weidebeekjuffer aan de basis en de top doorschijnend. De vleugels van de vrouwtjes zijn bruinig respectievelijk meer groen doorschijnend van kleur

_TVS5727Gedrag en voortplanting

De bosbeekjuffer vliegt van mei tot begin augustus. Vanaf zitposten verdedigen de mannetjes hun territorium. Hij laat indringers de binnenkant van zijn vleugels zien en wint meestal het daaropvolgende (schijn)gevecht.

Vóór de balts laat het mannetje de rode stip aan de onderkant van zijn achterlijf aan een passerend vrouwtje zien. De balts verschilt per soort van de familie Beekjuffers. Het vrouwtje zet na de paring, die zo’n vijftien minuten duurt, de eitjes met haar ovipositor (legbuis) af in waterplanten. Ze begeeft zich daarbij soms helemaal onder water.

De ontwikkeling van larve tot imago duurt minimaal twee jaar.

Bosbeekjuffers die ziek worden, vliegen weg van hun territorium. Dit is gebleken uit onderzoek in Finland, waar deze dieren bewust ziek werden gemaakt. De zieke exemplaren vlogen tot vier keer zo ver weg als de gezonde. Onduidelijk is nog wat de verklaring voor dit fenomeen is. Bron Wikipedia.

Foto’s T.V.S. Fotografie

Tengere grasjuffer

_TVS5288

Gisteren samen met mijn Kleindochter juffers en vlinders gefotografeerd, verschillende soorten tegengekomen waaronder de Tengere grasjuffer.

Tengere grasjuffer  (Ischnura pumilio)
Kleinste juffer die nog in Nederland voorkomt.

Kenmerken

26-31 mm. Na dwergjuffer de kleinste soort. Pterostigma’s tweekleurig: donkere basis, lichte top. Mannetje: pterostigma’s in voorvleugels duidelijk groter dan in achtervleugels. Achterlijf in bovenaanzicht donker, met segment 9 en top van 8 lichtblauw (het ‘lantaarntje’). In het blauw op segment 9 is vaak een fijne zwarte tekening aanwezig, die meer of minder uitgebreid kan zijn. Lichte delen van borststuk (zeer) lichtblauw of groen. Vrouwtje: nooit met ‘lantaarntje’, bovenzijde segmenten 8 en 9 geheel donker. Jonge vrouwtjes zijn grotendeels fel oranje gekleurd: zijkant van borststuk, zijkant achterlijf, gehele achterlijfsegmenten 1 en 2, poten en enkele vleugeladers. De achteroogsvlekken zijn zeer groot en ook oranje. Schoudernaadstrepen zijn hooguit als dun zwart lijntje zichtbaar. De bovenzijde van achterlijfssegmenten 3 tot en met 10 zijn zwart. Later veranderen de vrouwtjes van kleur: het oranje verdwijnt en de donkere tekening breidt zich uit. Het achterlijf wordt geheel donker, de achteroogsvlekken worden iets kleiner en de schoudernaadstreep wordt duidelijker. De onderzijde van de ogen wordt groen. De overige lichte delen worden ófwel olijfgroen, ófwel blauw. De groene variant wordt bruin tot grijs bij ouder worden. De blauwe variant is zeldzamer dan de groene.

_TVS5289

Gelijkende soorten Lantaarntje.

Vrouwtjes zijn te verwarren met andere donker gekleurde waterjuffers.

Voorkomen:  Vrij zeldzaam.

Habitat

Open, ondiepe, snel opwarmende pionierhabitats, met spaarzame vegetatie. Zowel stilstaande als zwak stromende wateren. Deze plaatsen zijn vaak voor weinig andere libellen geschikt. Daarnaast op plaatsen met veel kwel, waardoor de vegetatiesuccessie in een startfase blijft. De soort wordt vaak aangetroffen in natuurontwikkelingsgebieden, waar na werkzaamheden water (tijdelijk) stagneert.

Vliegtijd en gedrag

Van midden mei tot eind september. De vliegperiode laat twee pieken zien, mogelijk het gevolg van twee aparte generaties. De eerste piek ligt in juni en begin juli. De tweede piek in augustus. De tengere grasjuffer is een uitgesproken pioniersoort die profiteert van recent ontstane en vaak kort beschikbare habitats. Imago’s zijn vaak te vinden in de spaarzame vegetatie bij ondiep water. Ze vliegen vaak vlak boven het water. Eitjes worden door de vrouwtjes solitair afgezet in plantenstengels, onder of vlak boven de waterspiegel.

_TVS5288

Levenscyclus

De larven overwinteren meestal een keer en sluipen uit van half mei tot begin september. Uit zuidelijke landen worden twee of zelfs drie generaties per jaar gemeld, in snel opwarmende habitats. Er zijn aanwijzingen voor dat een tweede generatie ook in Nederland optreedt, maar het is nog onduidelijk of dit regel is of uitzondering. De vliegperiode laat wel twee pieken zien, wat wijst op twee generaties. De eitjes zijn goed in staat om droge periodes te overleven. Bron: De Vlinderstichting, 2008. Libellennet http://www.libellennet.nl/

Foto’s T.V.S. Fotografie