Geaderd Witje

Een Geaderd Witje fladderde door de tuin.

De pop is grijs tot groen met zwarte vlekken. Hij zit met een draadje vast aan een takje, of aan de bast van een boom of een muurtje.

De eitjes van het klein geaderd witje worden afzonderlijk door het vrouwtje op de onderkant van het blad van de waardplant afgezet. Na een drie tot zeven dagen verschijnen de rupsjes De voornaamste waardplanten zijn pinksterbloem en look-zonder-look, maar ook andere soorten kruisbloemigen zoals andere soorten veldkers dan de pinksterbloem en mosterd. In de zomer kunnen ze ook gevonden worden op gekweekte koolplanten in tuinen, maar is niet een gekend plaaginsect. De planten moeten met name in vochtige omgeving in de halfschaduw staan. Het rups van het oranjetipje leeft ook vooral van pinksterbloem en look-zonder-look, maar eet van de bloemen en zaden, terwijl de rups van het klein geaderd witje van de bladeren eet. Rupsen van het klein geaderd witje vallen vooral ten prooi aan loopkevers en hooiwagens en in mindere mate vogels.

De vliegtijd is van april tot en met november in twee tot drie generaties. De pieken in voorkomen zijn begin mei, eind juli en eind augustus, de vliegtijd van de laatste twee generaties overlapt sterk.

Het klein geaderd witje is een zeer mobiele vlinder, die migreert binnen het areaal. De soort heeft echter minder trekneigingen dan het klein koolwitje en het groot koolwitje.

Het klein geaderd witje komt grofweg op heel het Noordelijk halfrond (Holarctisch gebied) voor. In Nederland en België is de soort zeer algemeen. De vlinder vliegt van zeeniveau tot 2000 meter in berggebied.

Het klein geaderd witje stelt geen specifieke eisen aan zijn omgeving en kan daarom overal worden aangetroffen. In de meeste habitats waar het klein koolwitje vliegt, is ook het klein geaderd witje te vinden. Wel heeft het klein geaderd witje meer dan het klein koolwitje een voorkeur voor natuurlijke omgevingen en is het minder een cultuurvolger. In vochtige omgevingen wordt zij het meest waargenomen.

Bron Wikipedia  Foto’s Tonnie Verheijden

Scheefbloemwitje

 

Vanmiddag in de tuin een bezoekje gekregen van een Scheefbloemwitje, deze zijn zeldzaam.

Zeldzaamheid

Het scheefbloemwitje is een relatief nieuwe soort in Nederland. In 2015 werden de eerste waarnemingen gedaan in Limburg. In 2016 werd de soort op veel meer plaatsen in Limburg aangetroffen. In 2017 kwamen de waarnemingen weer wat noordelijker uit Limburg tot aan Arcen en ook uit Twente (waarschijnlijk vanuit het oosten binnen gekomen). Op 25 september 2017 werd het scheefbloemwitje gefotogafeerd in Wageningen. Uit de publicaties over de sterke uitbreiding in Duitsland komt wel naar voren dat vooral de septembergeneratie een sterke trekdrang heeft en juist dan de grootste afstanden aflegt. Deze waarneming uit Wageningen is zo’n 70 km verwijderd van Arcen en zelfs 90 vanaf de locatie bij Enschede. Het lijkt waarschijnlijk dat ook tussen deze plaatsen scheefbloemwitje aanwezig is.

 

Kenmerken vlinder

Verschillen tussen het klein koolwitje en het scheefbloemwitje: bij het klein koolwitje is de zwarte vlek op de voorvleugel rond, bij het scheefbloemwitje rechthoekig en groot. Achterkant middenstip is hol; trek je een gedachtenlijntje tussen die vlek en de rand van de zwarte puntvlek, dan loopt die schuin naar boven bij het klein koolwitje en min of meer recht bij het scheefbloemwitje; de vleugelpunt van het klein koolwitje is spits, bij het scheefbloemwitje is hij meer afgerond. Voor de onderkant: bij het scheefbloemwitje is de bestuiving aan beide kanten van de middencel ongeveer even dicht, terwijl die bij het klein koolwitje aan de onderrand van de middencel duidelijk verdicht is.

Waarneming goedgekeurd door de Vlinderstichting

Bron: vlinderstichting.nl Foto’s: Tonnie Verheijden

Landkaartje

Vandaag een landkaartje tegengekomen ik was eigelijk op zoek naar Oranje tipjes op Pinksterbloemen in de Witbrant.
Ook blij met het Landkaartje zat op een stronk van een Berk op de Heide

Half april-eind juni en begin juli-half september in twee generaties. De vlinders zoeken vooral ‘s morgens en laat in de middag naar nectar. De mannetjes verdedigen een territorium of maken patrouillevluchten langs een bosrand; in de middag scholen de mannetjes vaak samen bij een opvallende struik.

Voorvleugellengte: voorjaarsgeneratie 16-18 mm, zomergeneratie 17-21 mm. Vlinders van de voorjaarsgeneratie en de zomergeneratie verschillen sterk van elkaar, maar de onderkant van de vleugels vertoont altijd een karakteristiek landkaartpatroon. Bij vlinders van de voorjaarsgeneratie is de bovenkant van de vleugels oranjebruin met een zwart vlekkenpatroon, waardoor de vlinder enigszins doet denken aan een parelmoervlinder. De vlinders van de zomergeneratie hebben zwarte bovenvleugels met langs de achterrand een oranjerode gevlekte band en over het midden van de vleugel een witte band.

Bron www.vlinderstichting.nl  Foto Tonnie Verheijden

 

 

Koninginnenpage


Koninginnenpage

We hebben een Vorstelijk bezoek gehad in de tuin een Koninginnenpage kwam een bezoek brengen.

Eind april-half juni en begin juli-half september in twee generaties. In warme jaren vliegt er mogelijk een partiële derde generatie in oktober. De koninginnenpage wordt vaak bij heuveltoppen gezien waar mannetjes en vrouwtjes elkaar ontmoeten; dit gedrag wordt ‘hill-topping’ genoemd.
De vroegste datum waarop de soort is gezien is 28 maart (er zijn 4 vroegere waarnemingen, die alle uit collecties komen en waarvan het thuis opkweken niet is uitgesloten). De laatste datum waarop een vlinder is gezien is 26 oktober.

Mobiliteit
De koninginnenpage is een zeer mobiele vlinder die over grote afstanden kan zwerven. De omvang van het verspreidingsgebied fluctueert dan ook min of meer jaarlijks. In gunstige zomers zwerft hij naar het noorden en komt dan verspreid in heel Nederland voor. In gemiddelde jaren vliegt hij veel schaarser en in ongunstige jaren wordt de vlinder uitsluitend in Zuid-Limburg gezien.

Regionaal
De koninginnenpage is een zeer mobiele vlinder die over grote afstanden kan zwerven. De omvang van het verspreidingsgebied fluctueert dan ook min of meer jaarlijks. In gunstige zomers zwerft hij naar het noorden en komt dan verspreid in heel Nederland voor. In gemiddelde jaren vliegt hij veel schaarser en in ongunstige jaren wordt de vlinder uitsluitend in Zuid-Limburg gezien.
In warmere perioden zoals tussen 1930 en 1950 was de soort op veel plaatsen aanwezig. Daarna nam de stand weer af en begin jaren zestig was hij door een reeks koude en natte jaren een schaarse soort. Begin jaren tachtig was hij zelfs zeer zeldzaam, met alleen stabiele populaties op de Sint-Pietersberg en rond enkele voormalige mijnbergen in Limburg. Daarna breidde hij zich weer uit en in 2003 was er een grote invasie verspreid over het hele land. Op dit moment is de koninginnenpage een vrij schaarse standvlinder. Vaste populaties bevinden zich nu in Zuid-Limburg en in Zeeuws-Vlaanderen; de vele zwervende vlinders lijken niet in staat zich ergens permanent te vestigen.

Bron Vlinderstichting.nl Foto’s Tonnie Verheijden

Gewone Oeverlibel

Gewone Oeverlibel een vrouwtje zat op de pad op de hei in de Gaas.
De gewone oeverlibel heeft een pijlvormig achterlijf: het begint breed, eindigt in een punt en heeft rechte zijkanten. Het gezicht is geel tot bruin. De pterostigmata zijn zwart. Uitgekleurde mannetjes hebben een blauwberijpt achterlijf met een duidelijke zwarte punt. Aan de buitenranden van de segmenten staan gele streepjes, die bij oude mannetjes verdwijnen onder nog meer blauwe berijping. Het borststuk is bruin, zonder blauwe berijping. Jonge mannetjes die nog geen berijping op het achterlijf hebben, zien eruit als vrouwtjes: de grondkleur van het lichaam (zowel achterlijf als borststuk en gezicht) is geel. Op de bovenkant van het achterlijf lopen twee dikke zwarte lengtestrepen.
De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 44 en 50 millimeter en de spanwijdte is 70 tot 80 mm; de larve is 19-29 mm lang.

Bron: Wikipedia – Foto Tonnie Verheijden