Jonge grote bonte Specht

Een jonge grote bonte Specht was aan het scharrelen op de grond in de Gaas.

Zowel mannetje als vrouwtje roffelen op takken met een korte snelle roffel om territorium en paarband te versterken. Grote bonte spechten hakken in bomen een nestholte uit met een rond gat. Ze hebben een voorkeur voor zachte houtsoorten, zoals berken. Spechten kunnen op die manier hakken doordat de hersenen in een soort schokdempers zijn ingekleed. In de nestholte worden de eieren gewoon op het hout gelegd.

Zwart-witte vogel met een rode ‘broek’. In de vlucht vallen de grote witte schoudervlekken op. Het mannetje heeft een rode vlek op het achterhoofd. Deze ontbreekt bij het vrouwtje. Jonge spechten hebben een rood petje en worden daarom soms aangezien voor een middelste bonte specht. Maar het rood van de middelste is een tint lichter en de middelste bonte specht heeft een meer wit ‘gezicht, zo ontbreekt er een zwarte rand langs de kruin. De grote bonte specht heeft de voor spechten kenmerkende golvende vlucht.

Hun roffel en hun roep (‘tsjik’) is vaak te horen in oudere bossen, parken en tuinen.

Bron vogelbescherming.nl  foto: Tonnie Verheijden

Ransuilen

Ransuil,
2 Jonge Ransuilen gespot, Ze zaten in een dennenboom in de Gaas.
Opvallend aan het uiterlijk van de ransuil zijn met name de lange oorpluimen, die overigens geen echte oren zijn. Zijn naam dankt hij aan de gelijkenis met een ‘ranse’, Middelnederlands voor ‘muts met een kap die in plooien afhing’. De ogen zijn oranje-geel. Verwarring met de oehoe, die ook oorpluimen heeft, is mogelijk maar deze laatste is aanzienlijk groter dan de ransuil. Het verenkleed is aan de bovenzijde roestgeel met zwartbruine vlekken en strepen, en verder is de vogel grijsbruin gevlekt en gestreept. De lichtgele onderzijde vertoont brede donkere lengtestrepen en fijne dwarsstreepjes.

De ransuil komt voor in bosachtige gebieden met naaldbomen en open terreinen. In de winter verblijven ransuilen graag in elkaars gezelschap. In hun roestplaatsen, gemeenschappelijke slaapplaatsen in naaldbomen, struiken, knotwilgen of wilde hagen, rusten ze soms in grote groepen tot wel 100 exemplaren.
Volgens SOVON daalde het aantal broedparen in de periode 1990-2007 met meer dan 5% per jaar. Er broedden in 2007 nog ongeveer 5500 paar in Nederland. Als voornaamste oorzaak van de achteruitgang wordt de uitbreiding van de havik aangemerkt, maar ook vergrassing van de bosbodems (waardoor muizen lastiger te vangen zijn) en de achteruitgang van het aanbod aan lege kraai- en eksternesten.

Deze uil is in 2004 als kwetsbaarop de Nederlandse Rode Lijstgezet. De soort staat niet op de Vlaamse Rode Lijst. De ransuil staat als niet bedreigdop de internationale Rode Lijst van de IUCN

Bron Wikipedia  foto Tonnie Verheijden

Zwartkop Mees

De zwartkop mezen zijn weer te zien in de Gaas, een aparte vogel “t mannetje heeft een zwarte pet en het vrouwtje heeft een bruine pet.

De zwartkop is ongeveer net zo groot als een koolmees en dankt zijn naam aan de zwarte pet op zijn kop, die alleen het mannetje draagt. Het vrouwtje heeft een roestbruine pet. Bij het mannetje is de rest van het verenkleed grijs, bij het vrouwtje grijsbruin. Een jong mannetje heeft in de winter een zwarte pet, met bruine vlekken. De zwartkop vliegt weinig en laat zich vooral horen.

Zang vanaf half maart tot in juli. Broedperiode vanaf half april tot eind juni, met piek in mei en begin juni. Eén tot twee broedsels per jaar, meestal 4-6 eieren. Broedduur 12-16 dagen. Maakt zijn komvormig nest vaak laag in dicht struikgewas, zoals braam. De jongen zitten 11-12 dagen op het nest. Na het uitvliegen worden ze nog 2-3 weken gevoerd.

Zwartkoppen trekken grotendeels weg vanaf half augustus tot half oktober naar het zuidwesten, samen met Duitse en Scandinavische broedvogels. Ze overwinteren in Zuid-Engeland of het westelijk deel van het Middellandse Zeegebied: voornamelijk Spanje, Marokko en Algerije. Zwartkoppen keren in begin april terug in Nederland en steeds vaker al in maart.

Bron www.vogelbescherming.nl    foto’s Tonnie Verheijden

Boomkruiper

 

De boomkruiper is elke dag in dezelfde boom op zoek naar voedsel in de Gaas.

De gewone boomkruiper lijkt zozeer op zijn familielid, de taigaboomkruiper (ook wel kortsnavelboomkruiper), dat het uiterlijk van beide soorten moeilijk van elkaar te onderscheiden is. Het vogeltje kan een grootte van twaalf centimeter bereiken en weegt dan ongeveer elf gram. De naar beneden gekromde, spitse snavel is ongeveer twaalf millimeter lang. De onderkant van de vogel is wit; de bovenkant heeft de kleur van boombast en het streepje boven zijn ogen is wit. Het mannetje en het vrouwtje hebben dezelfde kleur. De relatief lange staart wordt gebruikt om zich af te zetten en om te sturen bij het vliegen. De roep van het vogeltje klinkt ongeveer als: “tihtih”.

De boomkruiper klimt met kleine sprongetjes in een spiraalvormige bewegingslijn langs boomstammen omhoog en zoekt daarbij met zijn daarvoor zeer geschikte snavel in de boombast naar insecten en spinnen.

Op eenjarige leeftijd is het dier geslachtsrijp. De broedtijd is van maart tot juli. Het nest wordt gebouwd van takjes, grashalmen, mos, haren en veertjes in een boomspleet, achter boombast of een ondiepe holte in een bouwwerk. Het vrouwtje legt vijf tot zeven witte, rood gespikkelde eieren, die in twee weken uitgebroed worden. Het mannetje helpt met het voeden. De jongen verlaten na twee weken het nest.

Bron Wikipedia: Foto: Tonnie Verheijden

 

Echte Tonderzwammen

 

Deze echte Tonderzwam lijkt op een paardenhoef.

Het vruchtlichaam van de echte tonderzwam is meerjarig. Het kan consolevormig zijn,maar in de meeste gevallen is het klok- of koepelvormig en hooggewelfd, waarbij een groot deel van de onderste helft vrij van het substraat hangt. De paddenstoel kan in de loop der tijd een afmeting bereiken van 10 tot 30 bij 5 tot 20 centimeter, met een dikte van 10 tot 25 centimeter. De bovenzijde is sterk gewelfd en bedekt met een harde korst van een à twee millimeter dik. Wanneer deze in aanraking komt met vuur, zal het niet smelten als bij de meeste paddenstoelen, maar verkolen. Hierdoor is de zwam erg vuurbestendig.

 

En deze echte Tonderzwam lijkt op een slak

Het oppervlak van de korst is bedekt met brede, concentrische ringen die de paddenstoel een gestreept uiterlijk geeft. De kleuren van de echte tonderzwam kunnen sterk uiteenlopen, van zilvergrijs, rood- of donkerbruin tot bijna zwart. Aanvankelijk werden zeer donkere paddenstoelen zelfs aangezien als een aparte soort, Fomes nigricans genaamd.[4] Ter hoogte van de stompe, viltige groeirand onderaan is de paddenstoel doorgaans lichter gekleurd in de groeiperiode.

Bron Wikipedia Foto’s Tonnie Verheijden