Landkaartje

Vanmorgen was er een Landkaartje in de tuin, het is al een paar jaar geleden dat ik hem hier in de Gaas ben tegengekomen.

Het landkaartje (Araschnia levana) is een dagvlinder uit de familie Nymphalidae, de vossen, parelmoervlinders en weerschijnvlinders.

 

De onderkant van de vleugels is een netwerk van lijnen en daar dankt deze vlinder zijn naam aan. Bijzonder aan deze vlinder is dat er twee vormen zijn. De eerste generatie in het voorjaar is oranjerood met zwarte vlekken terwijl de zomergeneratie zwart is met een witte band en rood-oranje streepjes op de bovenvleugel. De voorjaarsgeneratie is met een voorvleugellengte van 16 tot 18 millimeter ook kleiner dan de zomergeneratie met 17 tot 21 millimeter. Door het aderwerk op de onderzijde kan de zomervorm niet verward worden met andere vlinders zoals de kleine ijsvogelvlinder of de voorjaarsvorm met parelmoervlinders. De verschillende vormen had Carolus Linnaeus in 1758 als twee verschillende soorten beschreven. De voorjaarsvorm als Papilio levana en de zomervorm als Papilio prorsa.[1] Het seizoendimorfisme wordt veroorzaakt door de diapauze die de overwinterende poppen van de voorjaarsvorm ondergaan.

Verspreiding en leefgebied

Het landkaartje komt in grote delen van Europa algemeen voor en heeft als leefgebied de bossen, tuinen, en bosranden. De vlinder vliegt van zeeniveau tot 1500 meter. De vliegtijd is van mei tot en met oktober.

Passiebloemvlinders

Parende Passiebloemvlinders

Een Heliconius Cydno ook wel Passiebloemvlinders genoemd is gemaakt in een vlindertuin in Benamadena.

Heliconius cydno is een vlinder uit de familie Nymphalidae. De wetenschappeliojke naam van de soort werd in 1847 gepubliceerd door Edward Doubleday. De soort komt voor van Colombia en Ecuador tot in Mexico.

De vrouwtjesvlinders leggen per waardplant één ei. Het larvale stadium duurt twee tot drie weken, waarna de rups verpopt. Het duurt acht tot twaalf dagen voordat er een volwassen vlinder uit de pop kruipt. Mannetjesvlinders hebben op hun achterste vleugels kliertjes, die feromonen kunnen uitscheiden. Hiermee kunnen ze vrouwtjes veroveren.

De volwassen vlinders voeden zich met nectar van planten uit de geslachten Lantana, Psiguria en Gurania, Waardplanten voor de rupsen zijn de meeste soorten passiebloemen, maar bij voorkeur Passiflora biflora en Passiflora vitifolia.

 

Boomkruiper

TVS_7965Boomkruiper

Dit jaar weer voor de eerste keer de Boomkruiper tegengekomen het zijn net muizen als ze langs de boom omhoog kruipen.

De boomkruiper is een stuk minder opvallend dan zijn bijna-naamgenoot, de boomklever. Boomkruipers zijn bruingevlekt van boven en roomwit van onderen. De spitse snavel is omlaag gebogen en zeer geschikt om insecten uit spleten in boombast te peuteren. Daarbij is de boomkruiper prima gecamoufleerd: zijn verenpak lijkt sprekend op boombast. De boomkruiper heeft een karakteristieke manier van voedsel verzamelen. De vogel hipt spiraalsgewijs langs een boomstam omhoog, daarbij de bast afzoekend naar insecten. Op enige hoogte aangekomen vliegt de boomkruiper naar een naburige boom, om daar weer aan de voet met klauteren te beginnen. Ondertussen gebruikt de boomkruiper de stugge staartveren als steuntje waardoor deze, voor wie goed oplet, vaak sterk gesleten punten blijken te hebben. Bij strenge koude kruipen boomkruipers knus bij elkaar; uit zo’n bal van veren kunnen soms wel tien of meer staartjes steken!

TVS_7972

Boomkruipers zijn te vinden waar bomen zijn; zo simpel als het klinkt is het bijna. De boomkruiper stelt geen hoge eisen aan een broedplaats; dat kan ook niet want de concurrentie om goede holtes is groot en een boomkruiper is niet erg sterk en assertief. Daardoor maken boomkruipers nesten achter loszittende boombast, in vervallen nestkastjes, tussen klimopbegroeiing op bomen, muren of schuttingen en op tal van andere plekke

Bron: vogelbescherming.nl Foto’s: TVS Photography

Ooievaars

TVS_6806

Tijdens een bezoekje aan het Safaripark Beekse Bergen vlogen de ooievaars in de blauwe lucht en een paar waren nestmateriaal aan het verzamelen.

Ooievaars zijn trekvogels die grote afstanden af kunnen leggen. In Zuid-Afrika heeft de soort de neiging plotseling op te duiken in streken waar een insectenplaag optreedt. Dat komt doordat er veel te eten is op zo’n plek. Ooievaars zijn sociale dieren, maar hebben ook veel tijd voor zichzelf nodig.

TVS_6697

Ook besteden ze veel tijd aan de kleine jongen. De ooievaar is een groepsvogel; zwermen van duizenden individuen zijn geregistreerd langs de trekroutes en in de overwinteringsgebieden in Afrika. Niet broedende vogels komen tijdens het broedseizoen bij elkaar in groepen van 40 tot 50 exemplaren.

TVS_6781

Als twee ooievaars op hun nest zitten, verklaren ze elkaar hun “liefde” met spectaculair snavelgeklepper. Ooievaars zijn niet trouw aan elkaar, maar ‘nesttrouw’. Dat verklaart waarom sommige ooievaarspaartjes lang bij elkaar blijven. Een ooievaar is vruchtbaar vanaf het derde levensjaar.
Vanouds werd kinderen wijsgemaakt dat baby’s door de ooievaar gebracht werden.Tegenwoordig vindt men dat kinderen de waarheid wel mogen weten, maar nog altijd wordt de geboorte van een kind schertsenderwijs in verband gebracht met ooievaars. Zo zet men een houten ooievaar in de tuin waar een kind is geboren en wordt op geboortekaartjes een ooievaar afgebeeld.

Bron: Wikipedia  Foto’s: TVS Photography

Kokmeeuwen

_TVS0762
De Kokmeeuwen in het Safaripark Beekse Bergen eten gewoon uit je hand. Zijn snavel en poten zijn diep, donkerrood, kop en keel zijn donker chocoladebruin,vandaar soms ook de naam “kapmeeuw”.

_TVS0760
Ze hebben een smalle, witte oogring. Vanaf de hals verandert de kleur in wit. Die kleur loopt door in de onderdelen en de staart. Mantel en vleugeldekveren zijn zilvergrijs. Zijn slagpennen zijn ook wit, met een zwarte punt. In de winter is de onderkant van de vleugel donkerder. Voor de rest is deze meeuw geheel wit. In de winter wordt zelfs zijn kop wit, op een paar donkere plekjes in de oorstreek en voor het oog na. Zijn snavel en poten worden dan licht roodachtig. In de vlucht hebben ze een witte vleugelvoorrand waaraan ze duidelijk te herkennen zijn. Ook vallen hun lange, spitse vleugels dan op. Tussen winter en zomer bezitten ze een overgangskleed met een “koptelefoontje” of een “schimmelkop”, naargelang het individu. De jongen bezitten een grijsachtige kop, een gele snavel met een zwarte punt, bruingrijs gevlekte vleugeldekveren en een zwarte dwarszoom over de staart.
_TVS0761

Het zijn alleseters, die zich vooral voeden met larven, slakken en wormen, die ze vinden op wei- en bouwland. Ze eten ook visjes, vogeleieren, muizen en kleine vogeltjes. Ze scharrelen tussen drijvend afval en komen af op mensen die de eendjes komen voederen. Veel kokmeeuwen houden zich er ook mee bezig om al vliegend insecten te vangen. Graag lopen ze mee met het eerste opkomende water, terwijl ze uitkijken naar sporen van bodemdieren, die door het vloedwater weer tot actie komen. In iets dieper water zwemmen ze ook vaak rond, ondertussen uitkijkend naar al het eetbare dat het waagt onder ze door te zwemmen. Een andere leuke zoektechniek is het sliktrappelen. Daarbij trappelen ze regelmatig met beide poten en ze verplaatsen zich langzaam achterwaarts. Daardoor wordt er onder de zwemvliezen water en slik opgewerveld. Het gevolg hiervan is dan weer dat er grote aantallen kleine schelpdieren worden blootgewoeld. Er zijn ook veel kokmeeuwen die zich bezighouden met piraterij: ze stelen wormen van steltlopers. Die kunnen een dik exemplaar niet snel genoeg naar binnen werken en trekken wel eens het langste tegenover een kokmeeuw. Kokmeeuwen maken het sterns ook wel eens moeilijk, als die visjes aanvoeren voor hun jongen of partner op het nest. In de lucht heeft hun piraterij meestal weinig succes, maar omdat de sterns altijd naar de grond moeten komen, krijgt de meeuw die vasthoudend is uiteindelijk toch wel zijn visje. Na het eten van insecten, vormen de meeuwen braakballen om de pantsers te kunnen verwijderen.

Bron: Wikipedia – Foto’s: TVS Photography