Steenrode Heidelibelle


Zo mooi als de heidelibelle over je heen vliegt in de Gaas.

De steenrode heidelibel (Sympetrum vulgatum) is een echte libel uit de familie van de korenbouten (Libellulidae). De libel wordt 35 à 40 mm lang en komt voor in vrijwel heel Europa. In Nederland is het een algemene soort in de nazomer. Bijzondere kenmerken zijn de gestreepte poten en een ‘hangsnor’.

De poten van de steenrode heidelibel zijn zwart met gele strepen. Dijen van de voorste poten meestal tweekleurig: zwart-geel, soms met nog een zwart veegje in het geel. Het zwarte streepje op het voorhoofd (tussen de ogen) loopt langs de oogranden naar beneden (de zogenaamde ‘hangsnor’). Het achterlijf van het mannetje heeft een subtiele, maar meestal duidelijke knotsvormige verbreding aan het uiteinde. Uitgekleurde mannetjes krijgen een rood achterlijf, meestal iets donkerder dan de bruinrode heidelibel, maar lichter dan de bloedrode heidelibel. De zijkant van het borststuk verkleurt naar bruin, met vage lichtere delen. Jonge mannetjes en vrouwtjes hebben een geel achterlijf, later bij de vrouwtjes verkleurend tot bruin. Aan de zijkant van het achterlijf staan zwarte streepjes, die geen doorlopende streep vormen. De legschede van het vrouwtje is opvallend zichtbaar en staat in zijaanzicht haaks van het achterlijf af.
De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 35 en 40 millimeter; de larve is 15-19 mm lang.

De vliegtijd van de steenrode heidelibel is in de nazomer van begin juni tot half november, met een piek van eind juli tot half september.

Bron Wikipedia  Foto’s Tonnie Verheijden

Bloedrode Libelle

Over de heide in de Gaas vliegen nog vele libelle rond, waaronder ook de Bloedrode Heidelibel.

De bloedrode heidelibel is veruit de algemeenste ‘rode’ heidelibel met geheel zwarte poten. De zeer zeldzame Kempense heidelibel heeft ook zwarte poten, maar een anders gevormd achterlijf, met druppelvormige vlekjes. Vrouwtjes zwarte heidelibel kunnen op het eerste gezicht lijken op vrouwtjes of jonge mannetjes bloedrode heidelibel, maar zijn altijd herkenbaar aan de tekening op de zijkant van het borststuk: een brede zwarte band met drie gele vlekjes.
Bruinrode en steenrode heidelibellen zijn iets groter, hebben gele strepen op de poten en een andere achterlijfsvorm (mannetjes).
Mannetjes vuurlibel kunnen op uitgekleurde mannetjes bloedrode heidelibel lijken, maar hebben een breed en afgeplat achterlijf, rode poten, deels rode vleugeladers, blauwgrijze onderkant van de ogen en grotere gele vlekken in de achtervleugels.

Bron: Vlinderstichtig.nl  Foto: Tonnie Verheijden

Watersnuffel

TVS_1147

Watersnuffel zat op een sprietje aan de bosrand van de Gaas, Watersnuffel zijn maar heel klein, als ze vliegen kunt je ze in de gaten houden waar ze gaan zitten. De Watersnuffel is een 32 à 35 mm grote juffer.

De soort Watersnuffel staat op de Rode Lijst van de IUCN als niet bedreigd, beoordelingsjaar 2007.. De watersnuffel komt in Nederland en België algemeen voor. De soort is over heel Europa verspreid, behalve in IJsland. De watersnuffel kan waargenomen worden vanaf begin mei tot september meestal bij stilstaand water. De soort kan massaal voorkomen bij zure en voedselarme vennen en op hoogveen.

TVS_1154

De watersnuffel is zeer moeilijk te onderscheiden van de azuurwaterjuffer (Coenagrion puella). Op de rug van het borststuk heeft de watersnuffel meer blauw dan zwart, bij de azuurwaterjuffer is dat omgekeerd. Verder is het eerste zwarte figuurtje op het achterlijf bij de watersnuffel paddenstoelvormig, bij de andere soort hoefijzervormig. Ten slotte heeft de watersnuffel op de zijkant van het borststuk één klein zwart streepje in het blauw terwijl alle andere blauwe waterjuffers er twee hebben…

Op de foto is een kenmerkend verschil met echte libellen (Anisoptera) goed zichtbaar: juffers houden de vleugels in rust samengeklapt achter zich, terwijl echte libellen de vleugels horizontaal houden (vergelijk bijvoorbeeld met de paardenbijter).

Bron: wikipedia.nl   Foto’s T.V.S.photography

Buizerd

_TVS6543.1000Vanmiddag zweefde de buizerd boven onze huis, het mooi om te zien hoe hij met gemak een paar slagen met zijn vleugels slaat en dan weer verder zweeft.

De buizerd is waarschijnlijk wel de bekendste Nederlandse roofvogel. Het is een stevige vogel, niet erg goed toegerust op het vangen van snel bewegende prooien zoals bijvoorbeeld valken dat kunnen. Buizerds moeten het dan ook meer hebben van muizen, zieke konijnen, wormen en aas. Dat aas werd hen helaas noodlottig; in het verleden (en nog steeds!) werden buizerds vergiftigd door mensen die de roofvogels als concurrenten beschouwen. Gelukkig zijn deze praktijken sterk afgenomen, waardoor het aantal buizerds sterk is toegenomen. In de winter overwinteren in onze streken grote aantallen Scandinavische buizerds, die massaal op paaltjes in weilanden en langs snelwegen neerstrijken. Ze doen zich, vaak ten koste van hun eigen leven, te goed aan verkeersslachtoffers langs onze snelwegen. In de trektijd kunnen groepen van vele tientallen buizerds worden gezien, die hoogte proberen te winnen door een warme luchtstroom onder de brede vleugels te vangen. Door van deze thermiek gebruik te maken kunnen ze met een minimale inspanning grote afstanden afleggen.

_TVS6543.1000.1

Algemeen
Overige namen Common Buzzard , Buteo buteo Orde Accipitriformes Familie Havikachtigen (Accipitridae) Status Jaarvogel. Vrij talrijke broedvogel; door trekker in vrij groot aantal; wintervogel in groot aantal Europese verspreiding Buizerds komen in geheel Europa voor waar bos is.

Leefomgeving en voedsel
Biotoop Akkers, bos, cultuurlandschappen, graslanden, heide, hoogveen, platteland, weiden (kleinschalig), weilanden (uitgestrekt) Voedsel- en broedbiotoop Buizerds maken hun nest in een hoge boom, vaak een lariks of grove den. In Flevoland worden ook veel populieren gebruikt om een nest in te maken. Het voedsel wordt gezocht in een gevarieerd gebied: bossen, open plekken, weiden en akkers. Maar ook langs snelwegen, in de duinen en industrieterreinen. Voedsel kleine zoogdieren, vogels, insecten, wormen en aas. Bron: www.vogelbescherming.nl
Foto’s T.V.S.Fotografie

Watersnuffel juffer

speerbeekjufferNog een juffer toegevoegd aan de reeks, een Watersnuffel uit de Kempervennen

Watersnuffel juffer 29-36 mm. Kenmerkende borststuktekening: de lichte schouderstreep is minimaal even breed, maar meestal breder dan zwarte schoudernaadstreep die eronder ligt. Bovendien is aan de basis van de tweede zijnaad geen kort streepje aanwezig. Alleen op de eerste zijnaad bevindt zich een dergelijk streepje. Bij andere blauwe juffers zijn beide streepjes aanwezig. Mannetje: blauw, met een relatief beperkte zwarte tekening op het achterlijf. De tekening op de bovenzijde van segment 2 is variabel, maar meestal in de vorm van een paddestoel (of ‘atoombommetje’). De segmenten 3, 4 en 5 hebben zwarte vlakjes bij de achterrand, die ongeveer een kwart van de segmentlengte innemen. Segment 6 is ongeveer voor de helft zwart, segment 7 vrijwel geheel. 8 en 9 zijn geheel blauw. Sporadisch komen mannetjes voor die een uitgebreidere zwarte tekening hebben. Vrouwtjes: Achterlijfsegmenten met brede zwarte torpedovormige figuren. De lichte delen van borststuk en achterlijf eenkleurig geel, bruin, groen of blauw. Aan de onderkant van segment 8 steekt een doorntje naar achteren (de vulvaardoorn), die bij waterjuffers van het geslacht Coenagrion ontbreekt.

 

Gelijkende soorten

Andere blauwe juffers, vooral azuurwaterjuffer en kanaaljuffer.

speerbeekjuffer.1

Habitat

Allerlei stilstaande watertypen met relatief veel open water. Hoogste dichtheden bij zure vennen en hoogvenen. Grote aantallen watersnuffels zijn hier een indicator voor verzuring. Bij voedsel- en vegetatierijke wateren zeldzamer, evenals bij zwak stromend water.

Vliegtijd en gedrag

Lange vliegtijd: begin mei tot in oktober. Hoogste aantallen in juni, juli en augustus. Mannetjes vliegen in een rechte lijn laag over het water (‘snuffelen’) en gaan regelmatig zitten op uit het water stekende planten. Jonge imago’s zijn vaak te vinden in bosranden en heidevelden.

Levenscyclus

De larven overwinteren een, soms twee keer. Uitsluipen gebeurt gedurende een lange periode: begin mei tot en met april tot half september. In juni, juli en augustus worden de meeste verse imago’s gezien. Bron www.libellenet.nl
Foto’s T.V.S Fotografie