De Gaas in zijn ochtendgloren


De Gaas in zijn ochtendgloren.

Natuurgebied de Gaas. De bossen aan de Bredaseweg was vroeger helemaal omringt met gaas, daarom werd het door de bevolking ook wel De Gaas genoemd.

Wellicht is het voor sommigen ook interessant te weten, dat de naam “Oude Draaiboom” van de kaart van 1890 al rond 1450, dus ook nog in de Middeleeuwen, als “Oude Dreyboom” staat aangegeven. Het betreft het huidige complex bos- en weideland, recht tegenover het landgoed Dongewijk, ten noorden van de Bredaseweg en verder begrensd door de Donge (met Koolhoven) in het westen, de spoorlijn Tilburg-Breda in het noorden en de Reeshofweg ten oosten. In de huidige bossen staat een nieuwgebouwde villa van P. Bogaers. Zij draagt de naam “De oude Draaiboom” en kijkt daarmee dus terug tot in de Middeleeuwen.

Tilburg aantreft aan weerskanten van de Bredaseweg, waar eens de “fine fleur” van Tilburg haar zomerverblijven bouwde. Het was en is daar een bosrijke streek, gezegend met natuurschoon, dat echter door de wandelaar alleen van de “buitenkant” kon bekeken en genoten worden. Als particulier bezit waren die landgoederen voor hem taboe. Maar de tijden zijn veranderd. Overal werden landgoederen voor het publiek opengesteld. O.a. is dit hier het geval met Dongewijk en met nog enige andere “feodale” bezittingen, welke in handen van de gemeente Tilburg zijn gekomen en thans met de verzamelnaam van “gemeentebossen” plegen aangeduid te worden. Algemeen bekend lijkt ons dit alles niet, hoewel ze op slechts korte afstand van de stad verwijderd liggen. Waarom zou de natuurliefhebber en de ontspanning verlangende mens ver gaan zoeken wat hij in de buurt, zonder enige moeite, en zelfs zonder over een auto te beschikken, ook vinden kan! Dat dachten wij zo toen we hier op zekere dag ronddoolden en daar het fascinerende ondergingen, dat er ligt in het vrij wandelen in bossen, waar in het verleden een jongensoog zo lang begerig naar heeft gekeken.

Bron: Pierre van Beek – Heemkunde-artikelen,  Foto Tonnie Verheijden

Geschubde inktzwammen


De Geschubde inktzwammen in de Gaas.

De geschubde inktzwam (Coprinus comatus) is een van de meest voorkomende van de honderd soorten inktzwammen (Coprinus) die in Nederland voorkomen. De geschubde inktzwam is een nematofage (nematoden etende) schimmel.

In de jeugd is de 5-15 cm hoge hoed van de geschubde inktzwam ei- tot klokvormig, wit met een lichtbruin, glad centrum en bedekt met grote, omgekrulde schubben. De hoed scheurt later vanaf de rand in en vervloeit tot zwart.
De holle steel is 10-20 cm hoog met een lage, beweegbare, vrij snel afvallende ring. De lamellen zijn wit in de jeugd, later vanaf de rand verkleurend via roze naar zwart.

Van mei tot in november is de geschubde inktzwam vaak in groepen te vinden op grond die pas is omgewerkt op akkers, weilanden, parken en wegbermen. Ook in de stad is deze paddenstoel veel gezien op bemest gras.

Bron Wikipedia Foto’s Tonnie Verheijden

Zonnestralen in de Gaas

Vroeg in de ochtend in de gaas mooie zonnestralen op de eerste dag van de herfst.

Wolkenstralen, zonneharpen of jakobsladders, schemeringsstralen of crepusculaire stralen zijn een weersverschijnsel waarbij een invallende lichtbundel van de Zon door een gat in een omgeving met voldoende schaduwpartijen straalt. De schaduw wordt meestal veroorzaakt door bewolking waar een lichtstraal doorheen breekt en via een gat op het aardoppervlak schijnt. Andere jakobsladders kunnen worden gezien bij een bergtop of in een park of vochtig herfstbos waar lichtstralen van de Zon door gaten in het bladerdak komen.

Het licht dat door het gat in wolken of een bladerdak, of langs een bergtop schijnt, moet worden verstrooid om dit effect te krijgen. Stof, sneeuw, regen of luchtmoleculen kunnen het licht verstrooien. Hoe helderder het is, des te verder het zonlicht de weg aflegt en des te beter de lichtstraal te zien is.

bsh

Deze stralen worden veroorzaakt door verschillen in dikte van de wolken of andere objecten. Deze objecten zorgen voor diffractie, wat het effect veroorzaakt. Ze verschijnen vaak als objecten gedeeltelijk de zonnestralen tegenhouden. Wolkenstralen zijn bijna parallel, maar dat lijkt niet zo door het lijnperspectief. Er zijn drie vormen van wolkenstralen:

Lichtstralen die gaten binnendringen in lage bewolking.
Stralenbundels die uit elkaar schijnen door een wolk.
Lichte, roze of rode stralen die onder de horizon schijnen. Deze worden vaak verward met lichtzuilen.
De laatste twee van deze soorten kunnen in sommige gevallen zich uitstrekken over de lucht en verschijnen op het tegenpunt van de zon, wat het bolvormige punt in de lucht is precies tegenover de zon. In dit geval wordt gesproken van anticrepusculaire stralen. Net als wolkenstralen zijn de lichtstralen bijna parallel en komen ze van openingen in het wolkendek.

Wolkenstralen kunnen ook onder water worden bekeken, hierbij wordt meestal de diffractie veroorzaakt door het ijs en de gaten in het ijs.

Bron wikipedia  Foto’s Tonnie Verheijden

Jonge groene Specht

Dit jaar weer groene Spechten geboren in de Gaas. Mooi dat ze hier een standplaats hebben.

De groene specht (Picus viridis) is een vogel die tot de familie spechten (Picidae) behoort. Het is een talrijke en wijdverbreide standvogel in het grootste deel van Europa en komt ook voor in het uiterste westen van Azië. De specht is eenvoudig te herkennen aan zijn groene verenkleed, zijn zwart met rode koptekening en zijn typische, luide roep. De groene specht voedt zich voornamelijk met mieren, die hij voornamelijk op de grond zoekt. In tegenstelling tot veel andere spechtensoorten roffelt de groene specht slechts weinig op bomen.

Het verenkleed van een juveniel is matter en bleker gekleurd dan die van een volwassene. De kop, hals en onderzijde zijn bedekt met donkere onregelmatige vlekken en strepen[4] en de bovenzijde en vleugels hebben witte vlekken. De rode kopkap is vaal en vaak bedekt met grijze vlekken. De donkere koptekening is vaak moeilijk te onderscheiden. Bij vliegvlugge mannetjes kunnen al enkele rode veren in de baardstreep te zien zijn.[5]

De eerste rui begint reeds enkele weken na het uitkomen van de eieren en is na ongeveer vier maanden afgerond. In de late herfst hebben juvenielen al het verenkleed van een volwassen vogel.

bron Wikipedia foto Tonnie Verheijden

Groene specht met een Grote bonte specht.


Groene specht en een Grote bonte Specht,

2 Jonge Spechten samen in een dode berkenboom in de Gaas, een Groene specht en een Bonte Specht.

De groene specht (Picus viridis) is een vogel die tot de familie spechten (Picidae) behoort. Het is een talrijke en wijdverbreide standvogel in het grootste deel van Europa en komt ook voor in het uiterste westen van Azië. De specht is eenvoudig te herkennen aan zijn groene verenkleed, zijn zwart met rode koptekening en zijn typische, luide roep. De groene specht voedt zich voornamelijk met mieren, die hij voornamelijk op de grond zoekt. In tegenstelling tot veel andere spechtensoorten roffelt de groene specht slechts weinig op bomen.

De grote bonte specht (Dendrocopos major) is een vogel die tot de familie spechten (Picidae) behoort. Het is een talrijke en wijdverbreide standvogel in een groot deel van het Palearctisch gebied. Hier broedt hij in bossen en allerlei cultuurlandschappen. De grote bonte specht zoekt zijn voedsel in vrijwel alle vegetatielagen. In de zomer voedt hij zich voornamelijk met insecten en andere ongewervelden, in de winter vooral met plantaardig voedsel, zoals zaden van naaldbomen.

Bron: wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

Hooibeestje in de tuin

Een Hooibeestje in de tuin, er zijn er niet meer zoveel als jaren terug.
Het hooibeestje (Coenonympha pamphilus) is een kleine vlinder uit de onder familie van de zandoogjes en erebia’s (Satyrinae) van de familie Nymphalidae. Het is een standvlinder.
De voorvleugellengte bedraagt ongeveer 15 millimeter. De bovenzijde is licht oranjebruin met een, vooral bij de vrouwtjes, opvallende kleine zwarte vlek aan de punt van de voorvleugel. Zittend is vaak alleen de bruingrijze onderkant te zien. De mannetjes bezetten een territorium en maken patrouillevluchten.
Het hooibeestje komt in heel Europa voor; ook in Nederland en België is de soort algemeen. Verder ook in noordelijk Afrika en Azië.

Grasland met een niet te hoge vegetatie, bermen en heidegebieden worden als leefgebied door de vlinder gebruikt, hij is vooral te zien in mozaïekvormige begroeiingen. De vliegtijd is van februari tot en met oktober. Het hooibeestje is een slechte vlieger en daardoor vaak laag boven het maaiveld te zien.

Voortplanting
Er zijn jaarlijks twee generaties van deze vlinder. De eerste generatie is in mei en juni te zien. De eitjes die dan gelegd worden zullen, afhankelijk van de grassoort waarop ze zich bevinden en waarmee ze zich voeden, langzaam of sneller groeien. De snel volgroeide rupsen verpoppen zich nog hetzelfde jaar en vliegt als tweede generatie van eind juli tot ver in oktober. Hun nageslacht overwintert als jonge rups en vliegt in juni en juli van het daarop volgend jaar. De rupsen die langzamer groeien brengen de winter als volgroeide rups door en zijn vanaf de maand mei als vlinder te zien. De verpopping gebeurt aan een stevige grasstengel kort boven de grond.

Bron Wikipedia – foto Tonnie Verheijden

Dophei

De Dophei staat weer in bloei in de Gaas.

De gewone dophei (Erica tetralix) is een vaste plant uit de heidefamilie (Ericaceae). De plant komt voor op voedselarme, vochtige plaatsen, zoals zand-, moeras- en veengrond. De plant groeit zowel op zonnige als op schaduwrijke plaatsen, in duinvalleien en in bossen. De soort komt in Europa voor in de landen langs de Noordzee en de Oostzee. In Nederland komen in Drenthe nog grote heidevelden met gewone dophei voor, zoals in het Nationaal Park Dwingelderveld. Deze heidevelden kunnen alleen in stand gehouden worden door regelmatig plaggen, waardoor de grond schraal blijft. Vroeger staken de boeren hun heideplaggen het liefst op dopheidevelden en gebruikte de plaggen als stro in hun potstallen. Bij een wat rijkere grond treedt vergrassing op. Ook is verbraming een probleem.

De plant is een dwergstruik, die 10-60 cm hoog kan worden. De soort bloeit van juni tot in oktober met roze-rode bloemen.

Bron Wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

kleine Parelmoervlinder

Voor de eerste keer een kleine Parelmoervlinder gefotografeerd in de Gaas 2019.

De kleine parelmoervlinder is een opvallende vlinder door de spiegels op de onderkant van zijn vleugels. De vorm van de 19-23 mm brede vleugels is een beetje hoekig. De bovenkant van de vleugels toont een stippen patroon.

De snelgroeiende rups wordt tot 3 cm lang. Zijn lijf is zwart met veel kleine lichte plekken. Hierboven komen oranjebruine getakte stekels.

De vlinder komt in Midden- en Zuid-Europa voor en Zuid-Scandinavië. Ze ontbreekt op de Middellandse Zee-eilanden, maar komt wel voor op Sicilië. De Kleine parelmoervlinder heeft een voorkeur voor droge, bloemrijke graslanden maar wil ook wel zwerven. Ze komt niet voor in Ierland en Groot-Brittannië (al steekt ze incidenteel wel over vanuit Frankrijk).

Buiten Europa komt ze voor in Noordwest-Afrika, Centraal-Azië, en via Noord-India tot in Zuid-China.

Vanaf zeeniveau tot 2500 meter hoogte in berggebieden kan zij worden aangetroffen.

In Vlaanderen komt ze sinds begin ’90 alleen aan de kust voor, op een beperkte populatie in de Westhoek na. Ze staat op de Vlaamse Rode Lijst dan ook gekenmerkt als bijna in gevaar. Ze is echter in 2004 onverwachts opgedoken in Vlaams Limburg: ruim 120 waarnemingen.

In Nederland is haar verspreiding beperkt tot de duinen, al komt ze ook verspreid voor op de zandgronden landinwaarts op de Veluwe en in Zuid-Limburg. In Nederland staat hij als kwetsbaar op de rode lijst.

Bron: Wikipedia   Foto’s Tonnie Verheijden

Boomblauwtje

Boomblauwtjes vliegen langs de bomen in de Gaas, soms gaan ze even zitten.

Het boomblauwtje (Celastrina argiolus) is een vlinder uit de familie Lycaenidae, de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes.
De wetenschappelijke naam argiolus is een verkleinwoord van argus en verwijst ernaar dat de soort kleiner is dan het heideblauwtje (Plebejus argus).

De voorvleugellengte van de vlinder bedraagt tussen de 13 en 16 millimeter.
De vleugels van mannetjes zijn aan de bovenzijde vrijwel geheel fel lichtblauw met een smalle zwarte rand, terwijl de vrouwtjes een brede zwarte band langs de voorvleugels hebben. De franje is wit, bij de voorvleugel zijn er enkele zwarte onderbrekingen. De vlinder is met name goed te herkennen aan de zilverwitte tot lichtblauwe onderzijde van de vleugel waarop zwarte stippen te zien zijn. Verder vliegt deze vlinder niet of nauwelijks dicht bij de grond (beneden 50 cm hoogte), dit in tegenstelling tot vele andere blauwtjes.

Het eitje is klein een afgeplat wittig bolletje en heeft een honingraatstructuur. Eitjes zijn bijzonder lastig te vinden.

De rups is geelachtig groen, met een variabele rode tekening, al dan niet met rozewit, langs de rand en als rugstreep. Deze tekening ontbreekt echter vaak. Het lichaam is bedekt met korte witte haartjes. De kop is zwartbruin. De rups wordt 14 tot 17 mm lang.
De waardplanten van de vlinder zijn diverse struiken, onder andere klimop, hulst, vlinderstruik, struikhei, vuilboom, kornoelje, grote kattenstaart, wegedoorn en kardinaalsmuts. De eitjes worden afzonderlijk afgezet hoog in de waardplant, aan de basis van bloemknoppen of bij jonge vruchten. Er is een voorkeur voor grotere planten die in de zon staan. Het vrouwtje zet soms ook eitjes af op planten die ongeschikt zijn. De rups overleeft niet op sneeuwbes en op bijvoorbeeld blauwe regen kan hij niet volgroeid raken, omdat de bloemen te snel afvallen en geen vrucht vormen. In verschillende generaties worden verschillende waardplanten gebruikt. In het voorjaar worden vooral hulst en sporkehout gebruikt, in de zomer vooral klimop, grote kattenstaart, struikhei en vlinderstruik.
Bron Wikipedia  – Foto Tonnie Verheijden

Boomklever in de Gaas

De Boomklever komt trouw elke dag voor de pinda’s.

De boomklever is een korte, dikke en actieve vogel met een krachtige puntige snavel. Hij is vrijwel in geheel Europa een tamelijk algemene standvogel. De opvallende en helder klinkende roep is vaak de eerste aanwijzing van zijn aanwezigheid. In de winter is hij een geregelde bezoeker van tuinen waarin pinda’s worden aangeboden.

De bovenzijde en bovenkop zijn blauwgrijs. De onderzijde is isabelkleurig met roodbruine flanken. Bij het volwassen mannetje is de achterflank scherp begrensd oranjebruin en hierdoor is het al bij onvolwassen exemplaren mogelijk om het geslacht te bepalen. Verder heeft hij een brede zwarte oogstreep met lichte wangen en keel. Bij het volwassen vrouwtje is de achterflank minder scherp begrensd oranjebruin. Verder is het identiek aan het mannetje.

De boomklever klimt en daalt schoksgewijs langs de boomstam, zonder op zijn staart te steunen. De Scandinavische ondersoort heeft aan de onderzijde lichtere en zelfs geheel witte onderdelen. De vlucht van deze gedrongen dikke vogel is golvend en snel terwijl de korte staart in het midden zwart is. Buiten de broedtijd bevindt de boomklever zich wel in gezelschap van mezen.

Bron Wikipedia  Foto’s  Tonnie Verheijden

Huis ter Heide

Wandelroute naar het Leikeven, vlak bij Tilburg

Ontdek het veelzijdige karakter van Huis ter Heide en ga door bossen en langs graslanden en vennen. Het prachtige uitzicht over het Leikeven is een van de hoogtepunten van de route. Onderweg kun je kuddes Schotse hooglanders tegenkomen die Natuurmonumenten helpen bij het open houden van het gebied.

Voor het grootste gedeelte voert deze route over een verhard pad. Waar het pad overgaat in een stevig zandpad, met af en toe een boomwortel, is deze nog steeds goed begaanbaar. De boswachters van Natuurmonumenten adviseren deze route voor mensen in een scootmobiel. Mensen in een rolstoel kunnen deze route ook afleggen, maar in dat geval is een begeleider aan te raden.

De route naar het uitkijkpunt staat met gele pijltjes aangegeven. Vanaf het uitkijkpunt volg je dezelfde route terug naar de parkeerplaats. De gehele route is dus 2x 2,25 kilometer, een totaal van 4,5 kilometer.

Bron Natuurmonumenten.nl  foto Tonnie Verheijden

https://www.natuurmonumenten.nl/natuurgebieden/landgoed-huis-ter-heide/route/wandelroute-naar-het-leikeven-vlak-bij-tilburg

Winterkoninkje

Het Winterkoninkje is weer volop aanwezig in de Gaas.

Wij zien dat ze allerlei broedmateriaal naar een struik brengen, maar dat wil nog niet zeggen dat ze daar hun jonkies gaan grootbrengen.
Winterkoninkjes maken namelijk meerdere broednestjes om vijanden te misleiden.

Het is een klein gedrongen, zandbruin vogeltje van bijna tien centimeter met een opgewipt staartje. Zijn zang is helder, met vibrerende scherpe trillers.
De lichaamslengte bedraagt 9 tot 10 cm.

Winterkoninkjes eten voornamelijk insecten en spinnen.

Ze kunnen tot drie nesten per jaar hebben, met vijf à acht jongen per nest.
Deze nesten worden in het voorjaar door het mannetje gemaakt, in heggen, struiken en takkenbossen op een hoogte van ongeveer een meter boven de grond.
Hij maakt er meestal ook meerdere per territorium.

De winterkoning heeft zich aangepast aan zowel bosrijke als open gebieden zoals boomloze eilanden.
Verder broedt de vogel in parken en tuinen. Belangrijk is dat zich ergens dichte struwelen bevinden zoals heggen, braamstruiken of dichte vegetaties bij water.
De winterkoning is in Nederland en België een van de meest algemene vogelsoorten.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Heide in de Gaas

Een mooi zonsondergang in de Gaas.

Elke dag tijdens mijn wandeling over de Heide in de Gaas zie steeds dat de omgeving er anders uitziet.

Natuurgebied de Gaas. De bossen aan de Bredaseweg was vroeger helemaal omringt met gaas, daarom werd het door de bevolking ook wel De Gaas genoemd.

Wellicht is het voor sommigen ook interessant te weten, dat de naam “Oude Draaiboom” van de kaart van 1890 al rond 1450, dus ook nog in de Middeleeuwen, als “Oude Dreyboom” staat aangegeven. Het betreft het huidige complex bos- en weideland, recht tegenover het landgoed Dongewijk, ten noorden van de Bredaseweg en verder begrensd door de Donge (met Koolhoven) in het westen, de spoorlijn Tilburg-Breda in het noorden en de Reeshofweg ten oosten. In de huidige bossen staat een nieuwgebouwde villa van P. Bogaers. Zij draagt de naam “De oude Draaiboom” en kijkt daarmee dus terug tot in de Middeleeuwen.

Bron: Pierre van Beek – Heemkunde-artikelen,

 

 

 

 

Steenrode Heidelibelle

Zo mooi als de steenrode heidelibelle over je heen vliegt in de Gaas.

De steenrode heidelibel (Sympetrum vulgatum) is een echte libel uit de familie van de korenbouten (Libellulidae). De libel wordt 35 à 40 mm lang en komt voor in vrijwel heel Europa. In Nederland is het een algemene soort in de nazomer. Bijzondere kenmerken zijn de gestreepte poten en een ‘hangsnor’.

 

De poten van de steenrode heidelibel zijn zwart met gele strepen. Dijen van de voorste poten meestal tweekleurig: zwart-geel, soms met nog een zwart veegje in het geel. Het zwarte streepje op het voorhoofd (tussen de ogen) loopt langs de oogranden naar beneden (de zogenaamde ‘hangsnor’). Het achterlijf van het mannetje heeft een subtiele, maar meestal duidelijke knotsvormige verbreding aan het uiteinde. Uitgekleurde mannetjes krijgen een rood achterlijf, meestal iets donkerder dan de bruinrode heidelibel, maar lichter dan de bloedrode heidelibel. De zijkant van het borststuk verkleurt naar bruin, met vage lichtere delen. Jonge mannetjes en vrouwtjes hebben een geel achterlijf, later bij de vrouwtjes verkleurend tot bruin. Aan de zijkant van het achterlijf staan zwarte streepjes, die geen doorlopende streep vormen. De legschede van het vrouwtje is opvallend zichtbaar en staat in zijaanzicht haaks van het achterlijf af.
De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 35 en 40 millimeter; de larve is 15-19 mm lang.

De vliegtijd van de steenrode heidelibel is in de nazomer van begin juni tot half november, met een piek van eind juli tot half september.

Bron Wikipedia  Foto’s Tonnie Verheijden