Vinken in de tuin

_TVS1581Mannetjes Vink

De vinken in de tuin zijn op zoek naar voedsel zowel de mannetjes vink als het vrouwtje, in deze tijd zijn ze op zijn mooist van kleur en bij de meeste vogels zijn de mannetjes het mooist van kleur.

_TVS1582Vrouwtjes Vink

Lengte ca. 15 cm. Poten bruin.
Volwassen exemplaar♂ (man) onderzijde wijnrood, buik wat lichter. Kruin en nek lei blauw, voorhoofd zwart. Rug donkerrood bruin. Vleugel met twee witte banden. Groenachtige stuit. Staart met witte rand.
Volwassen exemplaar ♀ (vrouw) vleugel en staart bruiner; onderzijde lichtgrijsbruin; rug donkerder olijfgroen.
Jong als volwassen exemplaar ♀.
In de trektijd kleine of grote groepen van soortgenoten, soms bestaande uit één sekse. Zeer vaak met verwante kepen. Ook met andere zaadeters als groenling en geelgors, verder met piepers en leeuweriken.
In de winter kunnen vinken zich op de voedertafel agressief gedragen t.o.v. andere bezoekers.
Vlucht:  Wit schild en witte band op vleugel. Veel wit in staart. Golvende vlucht.
Lokroep: Een herhaald en helder pink, ook wiet en tsjwit. In vlucht en tijdens de trek een zacht tjuub-tjuub.
Zang: Heftig, melodieus “tsitsitsitsitsitsitsi-tjoe-ie-ò”. De zang is te horen van februari tot in september. Het liedje duurt maximaal 5 seconden en wordt makkelijk 10 keer per minuut herhaald. In Vlaanderen wordt het liedje ook wel “suskewiet” genoemd (en de vink ook).

_TVS1590Mannetjes Vink

Biotoop: Middelhoge bomen in loof-, gemengde en naaldbossen, parklandschap, parken, tuinen, lanen; in halfopen cultuurlandschap en in steden. In streken met weinig oude bomen treffen we ook weinig vinken. In Nederland zijn dit de kleigebieden van Groningen, Friesland, Noord-Holland en de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden.

Voedsel: Allerlei zaden, vooral oliehoudende; kiemend zaad, vruchten en bessen, knoppen, insecten. Jongen worden met insecten grootgebracht.

_TVS1510Vrouwtjes Vink

Broedgegevens: De vink broedt van half april tot juli. Nesten van deze “randbroeder” vindt men op verschillende hoogtes aan de rand van een bos, open plek of weg. De broedduur bedraagt 12 – 15 dagen. Hoofdzakelijk broedt het ♀, dat soms door het ♂ gevoerd wordt, vanaf het laatste ei. Beide vogels verzorgen de jongen, die het nest na 13 – 14 dagen verlaten, waarna ze nog enige tijd gevoerd worden. Meestal 2 legsels per jaar. Bigamie. Legsel: gewoonlijk 4 – 5 eieren, soms 6 of 7. Lichtblauwgroen tot roodbruin met donkerbruine vlekjes en streepjes, grijze ondervlekken. Gemiddeld 19 x 15 mm.

_TVS1519Mannetjes Vink

Broedgebied: Groot-Brittannië en Ierland, Faeröer, Europa van Middellandse Zee tot 70º NB. Azië tot Tomsk. N.W.-Afrika.

Voorkomen: Zeer talrijke broedvogel in Nederland en België (60.000 – 90.000 broedparen volgens een schatting in 1979). Broedvogels hier zijn grotendeels standvogels.

_TVS1508Vrouwtjes Vink

Trek: De vink is een van de talrijkste trekvogels. Trekrichting is west tot zuidwest richting Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten, met stuwing aan de kust. Om in Engeland, of Ierland te overwinteren steken ze de Noordzee rechtstreeks over of bij Cap Gris Nez.
Najaarstrek is van september tot december. Voorjaarstrek begint in februari en gaat door tot mei. Veel hangt af van de breedtegraad en het weer.
De vink is een dagtrekker, en vliegt vooral in de vroege ochtenduren. Sommige vinken zijn standvogels. Hun slag is anders dan bij trekkende soortgenoten en wordt “bogaardzang” of “Vlaamse zang” genoemd. Bron: Wikipedia

 

1 Reactie

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *