Icarusblauwtje vrouwtje

Icarusblauwtje vrouw

Veel vrouwtjes zijn van boven bruingekleurd met oranje vlekjes. Daardoor worden ze soms aangezien voor een bruin blauwtje (Aricia agestis). De mannetjes zijn aan de bovenzijde egaal blauw.

Het icarusblauwtje komt algemeen voor in heel Europa, op droge schrale graslanden tot matig vochtige steppe. Ook in Nederland en België is de vlinder zeer algemeen. In 2005 is de soort voor het eerst ook in Noord-Amerika gevonden, in de buurt van Mirabel in de Canadese provincie Quebec.

De vliegtijd is van april tot en met oktober. De rups overwintert, meestal het derde rupsstadium.

Waarnemingen van feitelijke ei-afzetting zijn vrij zeldzaam. De eitjes worden tussen de bovenste bladeren op de jonge nog niet bloeiende planten van gewone rolklaver afgezet.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Landkaartje

Vandaag een landkaartje tegengekomen ik was eigelijk op zoek naar Oranje tipjes op Pinksterbloemen in de Witbrant.
Ook blij met het Landkaartje in de Gaas

Half april-eind juni en begin juli-half september in twee generaties. De vlinders zoeken vooral ’s morgens en laat in de middag naar nectar. De mannetjes verdedigen een territorium of maken patrouillevluchten langs een bosrand; in de middag scholen de mannetjes vaak samen bij een opvallende struik.

Voorvleugellengte: voorjaarsgeneratie 16-18 mm, zomergeneratie 17-21 mm. Vlinders van de voorjaarsgeneratie en de zomergeneratie verschillen sterk van elkaar, maar de onderkant van de vleugels vertoont altijd een karakteristiek landkaartpatroon. Bij vlinders van de voorjaarsgeneratie is de bovenkant van de vleugels oranjebruin met een zwart vlekkenpatroon, waardoor de vlinder enigszins doet denken aan een parelmoervlinder. De vlinders van de zomergeneratie hebben zwarte bovenvleugels met langs de achterrand een oranjerode gevlekte band en over het midden van de vleugel een witte band.

Bron www.vlinderstichting.nl  Foto Tonnie Verheijden

Levenbarende Hagedis

Levenbarende Hagedis

De levendbarende hagedissen zijn weer aanwezig in de gaas.

De levendbarende hagedis is een vrij kleine soort die een totale lengte bereikt van maximaal 18 centimeter, de meeste exemplaren blijven echter aanzienlijk kleiner. Belangrijke onderscheidende kenmerken met andere west-Europese hagedissen zijn het cilindrische lichaam en de relatief lange staart die meer dan de helft tot twee keer zo lang kan zijn als de kop-romp lengte. Bij exemplaren die de staart hebben afgeworpen (autotomie, zie onder voedsel en vijanden) is de staart donkerder van kleur en aanzienlijk kleiner. Daarnaast heeft de hagedis relatief korte poten, een dikke nek en korte en stompe kop.

De kleur van de volwassen exemplaren is koperbruin tot bruingrijs met op iedere flank twee lichte strepen in de lengte, donkerbruine flanken en zijkanten van de kop. De kleur is variabel en kan sterk neigen naar grijs of enigszins groenig zijn maar nooit zo helder groen als bijvoorbeeld de oostelijke smaragdhagedis. Over de rug en flank loopt vaak een vale bruine vlekjestekening, soms een rij vlekken. In berggebieden komen vaak melanische exemplaren voor; deze zijn geheel zwart van kleur. Ook andere reptielen die in bergen leven hebben vaak een uniform zwarte kleur; ze kunnen zo effectiever zonnen omdat een zwart lichaam meer zonnewarmte opneemt.

De mannetjes worden gemiddeld groter dan de vrouwtjes en zijn daarnaast te herkennen aan de meer donkere kleur. De kop van het mannetje is wat groter ten opzichte van het lichaam en de staartbasis van het mannetje is verdikt wat wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van de hemipenis. Ook hebben mannetjes vaak een oranje buik die duidelijk gevlekt is met kleine, bruine tot zwarte vlekjes. De buik van het vrouwtje en de juvenielen is geelachtig en meestal ongevlekt.

De juvenielen zijn ongeveer 4 centimeter lang als ze ter wereld komen en hebben een uniform bruine tot zwarte kleur, meestal is het lichaam donkerbruin en neigt de staart naar zwart. Vaak zijn kleine oogachtige lichtere donkeromrande vlekjes aanwezig op de flanken en de rug.

Bron Wikipedia – Foto Tonnie Verheijden

Kievitsbloem

Kievitsbloem uit eigen tuin

De wilde kievitsbloem is een in het wild in Nederland zeer zeldzaam voorkomend bolgewas, maar komt ook voor als stinsenplant. De plant is ook te koop voor gebruik in tuinen. De belangrijkste natuurlijke groeiplaats van de wilde kievitsbloem is langs de oevers van de Overijsselse Vecht en het Zwarte Water bij Hasselt (Overijssel). Ongeveer tachtig procent van de Nederlandse wilde kievitsbloemen staat hier. Van oudsher kwam de kievitsbloem voor in gebieden met klei-op-veen en dan vooral de gebieden die ’s winters onder water stonden. De plant kan slecht tegen veranderingen aan het grondwaterpeil en is op de meeste plaatsen al voor de Tweede Wereldoorlog uitgestorven. In de Wet natuurbescherming is de wilde kievitsbloem niet meer opgenomen.

De wilde kievitsbloem komt in geheel Midden-Europa voor.
In België was de plant voor 122 jaar uitgestorven. De plant werd herondekt op het hooiland aan de Leie in april 2021.
De wilde planten in Groot-Brittannië zijn mogelijk niet oorspronkelijk, maar nakomelingen van gecultiveerde planten.

Vanwege de mooie bloemen werd de kievitsbloem vaak uitgegraven en in tuinen gezet. Dat dit gebeurde is onder meer bekend uit de omgeving van Wouterswoude. Tegenwoordig is de kievitsbloem in de tuincentra verkrijgbaar, zowel in de witte als paarse variant. De plant is teer en moet met rust gelaten worden om goed aan te slaan en zich uit te breiden.

Een bekende verwant van de wilde kievitsbloem is de uit Azië afkomstige keizerskroon

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Sperwer

Een Sperwer (mannetje) is op zoek naar een maaltijdje.

De sperwer (Accipiter nisus) is een kleine, snelle roofvogel uit de familie van de havikachtigen (Accipitridae).
Opvallend is de gele iris, net als de fijn gebandeerde borst en de dunne maar krachtige, gele poten. Sperwers hebben stompe vleugels met een relatief groot oppervlak. De vleugels zijn veel breder dan van valken, waarvoor ze vaak worden aangezien. Opvallend is het grote verschil in formaat tussen mannetje en vrouwtje. Vrouwtjes zijn groter en zwaarder dan mannetjes en jagen op grotere prooien. De lengte van kop tot staart varieert van 28 tot 38 centimeter.
De sperwer bouwt ieder jaar hoog in de bomen een nieuw nest, waarin één tot zes, maar meestal vier of vijf eieren worden gelegd.

 Zangvogels zijn de voornaamste prooi, met name huismus, vink, merel, spreeuw en mees. Het vrouwtje vangt ook grotere prooien als de Turkse tortel. De sperwer jaagt vanuit dekking, of met een plotselinge, snelle vlucht in het voorbijgaan.
Sperwers leven voornamelijk in bosgebieden (vaak naaldbos), maar ook in cultuurland en in steden. Vogels uit de noordelijke streken overwinteren in gematigde gebieden.

Bron Wikipedia  Foto’s Tonnie Verheijden

Ringmus

Langgeleden dat ik een Ringmus heb gespot in de Gaas, nu zat er eentje voor in de tuin.

De ringmus wordt ongeveer 14 cm groot, een fractie kleiner dan de huismus. Zowel mannetje als vrouwtje hebben een kastanjebruine kruin, een zwarte wangvlek en een witte halsring. De wangvlek is een goed herkenbaar verschil met de huismus. De bovenzijde is bruin met zwarte strepen en de onderzijde lichtgrijs.

Het voedsel bestaat uit zaden, graan, insecten en larven. Het legsel bestaat uit drie tot zes fijngevlekte, witte en glanzende eieren. Het wijfje broedt meestal twee- tot viermaal per jaar.

De ringmus is een broedvogel die graag nestelt in holten van bomen in de buurt van boerderijen en in parken, akkers en weilanden. Het merendeel van de ringmussen is standvogel, sommige Nederlandse ringmussen gaan in de winter zwerven (naar bijvoorbeeld Frankrijk). Andere ringmussen komen juist van Noord- en Oost-Europa naar Nederland.

Bron wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Goudhaan

Goudhaantje in de Gaas.

Het goudhaantje wordt slechts 8,5 cm groot, bij een gewicht van 4 tot 7 gram. Daarmee is deze vogel, samen met het nauw verwante vuurgoudhaantje de kleinste Europese vogelsoort.

De vogel heeft een tere snavel met een neusopening die bedekt is met veerborstels. Het bruingrijsgroene verenkleed is heel dicht met een zwart omzoomde kruinstreep, die bij het mannetje meer oranje en bij het wijfje geel is.

Een goudhaantje is monogaam en na een jaar geslachtsrijp. Het vrouwtje kan tweemaal per jaar een legsel produceren, dat bestaat uit 7 tot 11 witte, grijsgewolkte eitjes, die in 12 tot 16 dagen uitgebroed worden. Het met haren en veertjes beklede komvormige nest wordt aan de rand min of meer dichtgetrokken om de warmte binnen te houden. Verreweg de meeste jongen halen de geslachtsrijpe leeftijd niet: jaarlijks sterft 80% en daardoor wordt een goudhaan gemiddeld slechts 8 maanden oud. De hoogste gerapporteerde leeftijd betrof een exemplaar dat dood gevonden werd in Marokko 7 jaar en 7 maanden nadat hij geringd was in Winchester.

Het goudhaantje is een broedvogel van gemengd loof- en naaldbos, met een voorkeur voor sparrenbos. Het is een trekvogel, die overwintert in Zuid-Europa.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Staartmeesje

De staartmezen zie je weleens in de wintermaanden samen met de koolmezen in de Gaas.

De staartmees is een zangvogel uit de familie staartmezen. Hij behoort niet tot de familie van echte mezen; staartmezen vormen een eigen familie.

Een volwassen staartmees heeft een totale lengte van 13 tot 16 centimeter, inclusief de lange, smalle staart van 6 tot 10 centimeter. De vleugelspanwijdte is 16 tot 19 centimeter, wat relatief klein is voor een zangvogel. Hij heeft een rond lichaam, een korte, stompe snavel en lange, slanke poten. De donkere ogen zijn bij sommige vogels omrand met een felgekleurde oogring.

De staartmees dankt zijn pluizig uiterlijk aan zijn veren die hij meestal opgezet heeft. Het verenkleed aan de bovenzijde is zwart en wit en aan de onderzijde wit. Veel ondersoorten hebben bovendien roze en/of grijze tinten over het hele verenkleed. Over de gehele lengte van de staart loopt een witte streep. Er bestaan veel geografische variaties in het kleurpatroon en sommige ondersoorten als A. c. caudatus en A. c. japonicus hebben een geheel witte kop, terwijl andere soorten een grijze tekening op de kop hebben. In gebieden als Noord-Europa krijgen koppels van verschillende ondersoorten regelmatig gemengd gekleurde nakomelingen.

Het kleed van geslachten is gelijk. Jonge vogels ondergaan voor hun eerste winter een complete rui die leidt tot het volwassen verenpak.

Staartmezen leven doorgaans in groepen met een hechte sociale structuur. De grenzen van hun voedselterritorium worden door de groep verdedigd tegen soortgenoten. Buiten het broedseizoen vormen staartmezen groepen van drie tot zestig vogels.

In het voorjaar bakenen de staartmezen hun territorium af en trachten ze indringers buiten te houden. Als ramen (of autospiegels) een spiegelbeeld weerkaatsen, is het mogelijk dat staartmezen wekenlang gedurende lange tijd tegen het raam komen fladderen of pikken om de vermeende indringer af te houden.

Bron Wikipedia   foto Tonnie Verheijden

Grote bonte Specht

De Grote bonte Specht is druk bezig in de Gaas.

De grote bonte specht is met een lengte van 20 tot 26 cm en een gewicht van 60 tot 110 gram een vrij grote vogel, die bovenop zwart is en wit van onder. Hij heeft grote, ovale witte schoudervlekken en een rode anaalstreek. De ogen zijn bruinrood, de snavel en de poten zijn grijs. Het mannetje heeft een rode vlek op het achterhoofd, het vrouwtje heeft een geheel zwarte kruin. Juveniele vogels hebben een geheel rode kruin en een roze anaalstreek en lijken daardoor op de middelste bonte specht. Vaak hebben jonge vogels nog gebandeerde schoudervlekken.

Hij voedt zich met insecten, vooral met de larven van kevers die zich onder de bast van naaldbomen ingraven, maar hij eet ook noten, bessen en zaden van naaldbomen. Hij hakt vaak een gat in een boom om daar de dennenappel in vast te klemmen. Dit noemt men een spechtensmidse. Als de kans zich voordoet eet hij jonge vogels.
Vijanden
De grote bonte specht heeft een heel bijzondere vijand: de halsbandparkiet – oorspronkelijk uit India maar als ontsnapte kooivogel nu onder andere gevestigd in Nederland – verjaagt de dieren uit hun nestholen. Er is echter nog geen bewijs dat de halsbandparkiet negatieve invloed heeft op de populatie van de grote bonte specht. De grote bonte specht is de laatste jaren in aantal alleen maar toegenomen.

De grote bonte specht hakt zijn nest het liefst uit wat zachtere houtsoorten en begint een aantal verschillende gaten te hakken voor hij er een uitkiest om te nestelen. Nestkastjes hebben bij deze vogels geen nut omdat het maken van een nest een onderdeel is van het baltsgedrag. Het wijfje legt 4 à 6 witte eieren.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Gewone Zwavelkopje

Zwavelkopjes in de Gaas.

De gewone zwavelkop (Hypholoma fasciculare, synoniem Psilocybe fascicularis) of het dwergzwavelkopje is een giftige paddenstoel die tot de familie Strophariaceae behoort.

De kleur van de gewone zwavelkop is zwavelgeel met oranjebruin centrum en vaak met bleekgele tot donkerbruine vlies stukjes (velumresten) aan de rand. De plaatjes die aan de onderkant van de hoed zitten zijn geelgroenig en bij het ouder worden donkerbruin. De tot 10 cm lange en nauwelijks 1 cm brede steel van de paddenstoel is zwavelgeel met een zwakke ringzone en aan de voet oranjebruin. De hoed heeft een doorsnede van 2-6 cm. De sporen zijn purperbruin van kleur.

De paddenstoel is in Nederland zeer algemeen en groeit in dichte groepen aan de voet van loof- of naaldbomen in bossen of plantsoenen

De gewone zwavelkop smaakt zeer bitter en is zeer giftig.

Bron: Wikipeda  foto: Tonnie Verheijden

Gaai

Er zijn weer volop Gaaien aanwezig in de Gaas.

De gaai is 32 tot 35 cm lang. De nominaatvorm van de vogel, die onder andere in de Benelux voorkomt, is overwegend grijsbruin met een roze tint. De keel, onderbuik, anaalstreek, de stuit en een gedeelte van de handpennen zijn wit. Kenmerkend zijn een brede zwarte snorstreep en een blauw vleugelveld dat bestaat uit lichtblauwe veertjes met daarin een fijne, zwarte bandering. De vogel kan bij opwinding de kruinveren opzetten, deze zijn afwisselend licht van kleur met zwart.

Voedsel vindt de gaai in bomen en struiken, in de lucht en op de grond; het betreft een breed spectrum van dierlijk en plantaardig dieet: insecten en ongewervelden (waaronder veel plaagdieren), eikels, beukennootjes, hazelnoten en andere zaden en noten, vruchten als bramen, kersen, frambozen en lijsterbessen. Ook kleine of jonge zangvogels en eieren behoren tot het dieet, evenals kleine knaagdieren. Met de sterke snavel hakt de gaai gaten in harde omhulsels als slakkenhuizen, notendoppen en eierschalen en doorwoelt hij bodem, dierenpoep en menselijk afval.

De eik is afhankelijk van de gaai voor het verspreiden van eikels: de gaai vervoert ze in zijn keel en tussen zijn snavel naar plaatsen met een zachte ondergrond, waarna hij ze in de aarde duwt. Zo legt hij een wintervoorraad aan. Hij vergeet alleen een aantal plekjes. Wat niet teruggevonden wordt, kan uitgroeien tot een nieuwe eik. Om deze reden wordt de gaai ook wel ‘de grootste bosbouwer’ genoemd. De Duitse naam voor de gaai (Eichelhäher) typeert het gedrag. De wetenschappelijke naam Garrulus glandarius valt vrij te vertalen als voortdurend krassende eikelzoeker.

Bron wikipedia – foto Tonnie Verheijden

Blauwe uur

Het blauwe uur in de Gaas.

Het blauwe uur is de benaming voor het verschijnsel dat ’s ochtends, het uur voor zonsopkomst en ’s avonds, net na zonsondergang bij bepaalde omstandigheden de lucht en de omgeving een blauwe kleur aannemen. Het blauwe uur is een onderdeel van de schemering en duurt meestal slechts een tiental minuten. De naam is ontstaan uit het Frans: l’heure bleue.

De periode moet niet verward worden met het “gouden uur” genoemd naar de Engelse term golden hour (ook wel magic hour). Dat is namelijk het uur na zonsopkomst of voor zonsondergang; het licht heeft dan een warme, goudachtige kleur.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden