Vakantie in Maarn

Vakantie in Maarn – tussen heide en bossen

De reis

Eindelijk was het zover: mijn vakantie naar Maarn, samen met mijn vriendin en hondje Maxi. Voor het eerst zou ik met de rolstoelbus reizen, zodat ik mijn scootmobiel mee kon nemen. Best een spannend moment.

De bus arriveerde keurig op tijd en de chauffeuse reed de scootmobiel op de lift. Maar toen ze hem de bus in wilde rijden, ging het even mis: in plaats van vooruit schakelde ze naar achteruit en tot onze schrik viel de scootmobiel naar beneden. Een angstig moment! Gelukkig bleef hij met de voorbeugel een beetje aan de lift hangen. Ik stelde voor om de lift rustig te laten zakken en zo kwam de scootmobiel weer netjes op zijn wielen terecht. Opluchting alom – en gelukkig werkte alles nog.

De rest van de reis verliep vlekkeloos, de wegen waren rustig en bij aankomst stond mijn dochter al op me te wachten. Even later kwam ook mijn vriendin met de auto, volgeladen met spullen voor ons weekje vakantie. Toen mijn dochter en schoonzoon weer naar huis gingen, konden wij onze intrek nemen in hun vakantiewoning.

De natuur

Wat een fijne week werd het! De omgeving van Maarn is prachtig. De heide stond volop in bloei – een paars tapijt dat zich uitstrekte tot aan de horizon. Samen trokken we eropuit: mijn vriendin te voet en ik met de scootmobiel of met mijn Nordic Walking-stokken. Met wat pauzes tussendoor lukte het goed en konden we echt genieten van de rust en de frisse boslucht.

’s Avonds zaten we heerlijk buiten op het terras, vaak tot in de late uurtjes, terwijl de vogels hun avondlied zongen.

Het dorp Maarn

Ook het dorp bracht gezelligheid. Samen boodschappen doen, hier en daar een terrasje pakken, genieten van een drankje, een hapje eten en natuurlijk trakteren op heerlijk Italiaans ijs. Kleine momenten die zo waardevol zijn.

Mooie herinneringen

Het werd een week vol prachtige herinneringen: natuur, ontspanning, gezelligheid en vooral het fijne gevoel van vrijheid om weer samen op pad te kunnen. Voor herhaling vatbaar!

Kleine Parelmoervlinder

De kleine Parelmoer vlinder,
 
Gefotografeerd op een vlinderstruik in de tuin.

De kleine parelmoervlinder is een opvallende vlinder door de spiegels op de onderkant van zijn vleugels. De vorm van de 19-23 mm brede vleugels is een beetje hoekig. De bovenkant van de vleugels toont een stippenpatroon.

De snelgroeiende rups wordt tot 3 cm lang. Zijn lijf is zwart met veel kleine lichte plekken. Hierboven komen oranjebruine getakte stekels.De rups van de kleine parelmoervlinder kent alleen viooltjessoorten als waardplant. Het duinviooltje in de duinen en het driekleurig viooltje en het akkerviooltje in het binnenland genieten hierbij de grote voorkeur. Deze viooltjes staan vaak in droge en schrale (duin)graslanden. Daarnaast kan de rups ook worden aangetroffen op langsporig viooltje, maarts viooltje, geel viooltje, zinkviooltje en tweebloemig viooltje.

De voornaamste nectarbronnen voor de vlinder zijn driekleurig viooltje, jacobskruiskruid, kattenstaart, koninginnenkruid, slangenkruid, vlinderstruik en watermunt. De vlinder is hierin echter niet kieskeurig en bezoekt ook zo’n dertigtal andere plantensoorten. Deze voedselplanten staan meestal in nattige, moerasachtige terreinen.

Voor het overleven heeft deze vlinder beide terreinen in de nabijheid van elkaar nodig. Ze heeft eveneens onbegroeid terrein nodig om te zonnen.De eitjes worden door het vrouwtje elk afzonderlijk op de onderzijde van een viooltjesblad afgezet. Het verpoppen gebeurt in een los spinsel vlak bij de grond. De vliegtijd is van april tot in oktober. Er zijn drie generaties per jaar: begin april, in juni en de laatste in september en begin oktober. Deze generaties kunnen samenvallen. De laatst generatie overwintert als rups op de waardplant. De zomergeneratie is vaak iets groter dan de lentegeneratie. Het aantal generaties per jaar kan ook twee of vier zijn.

Bron Wikipedia,  foto Tonnie Verheijden

Landkaartje

Landkaartje

Het Landkaartje Fladdert weer in de Gaas rond.

Van half april-eind juni en begin juli-half september in twee generaties. De vlinders zoeken vooral ’s morgens en laat in de middag naar nectar. De mannetjes verdedigen een territorium of maken patrouillevluchten langs een bosrand; in de middag scholen de mannetjes vaak samen bij een opvallende struik.

Voorvleugellengte: voorjaarsgeneratie 16-18 mm, zomergeneratie 17-21 mm. Vlinders van de voorjaarsgeneratie en de zomergeneratie verschillen sterk van elkaar, maar de onderkant van de vleugels vertoont altijd een karakteristiek landkaartpatroon. Bij vlinders van de voorjaarsgeneratie is de bovenkant van de vleugels oranjebruin met een zwart vlekkenpatroon, waardoor de vlinder enigszins doet denken aan een parelmoervlinder. De vlinders van de zomergeneratie hebben zwarte bovenvleugels met langs de achterrand een oranjerode gevlekte band en over het midden van de vleugel een witte band.

Bron www.vlinderstichting.nl  Foto Tonnie Verheijden

Sijsjes en een groene Vink

De Sijsjes en een groene vink in de Gaas.

In de winter wordt de sijs regelmatig aangetroffen op vetbollen en netjes met pinda’s in de tuin. Sijzen opereren dan veelal in kleine troepjes, en gedragen zich enigszins als mezen: ondersteboven aan de vetbollen hangend. Ze zijn zo groot als een pimpelmees, maar veel duidelijker geelgroen gekleurd, vooral de volwassen mannetjes, die een zwarte kruin hebben. De vlucht is opvallend: gele vleugelstreep en gevorkte zwarte staart, met geel aan de zijden.

Volwassen mannetjes zijn geelgroen met een zwarte kruin en kin, de rug is geelgroen zwartgestreept. De buik heeft in tegenstelling tot de groenling een duidelijk onderbroken gestreept uiterlijk. De streep achter het oog en de stuit zijn geel. De gevorkte staart is zwart met geel aan zijden. De vleugel heeft een gele vleugelstreep.Het volwassen vrouwtje is veel minder geelgroen en de onderzijde is lichter en meer gestreept, de kop heeft geen zwart.

De sijs zoekt voedsel op de mezenmanier, en hangt dikwijls ondersteboven. Hij slaapt soms ook zo. Hij eet zaden van naaldbomen, elzen, berken en andere bomen, knoppen en insecten.

In broedtijd naaldbossen met veel sparren, maar ook in gemengde bossen en parklandschap. In de winter vooral in elzen.

Bron Wikipedia,  Foto Tonnie Verheijden

Sneeuwwitte kaaszwam

Tegengekomen bij huis te Heide.

Sneeuwwitte kaaszwamDe sneeuwwitte kaaszwam (Tyromyces chioneus) is een schimmel uit de familie Incrustoporiaceae. Hij leeft saprotroof op takken en stammen van loofbomen. Hij is bekend van berk (Betula), eik (Quercus), Fagus, populier (Populus). Hij komt het meest voor in loofbossen en gemengde bossen op zandgrond. Hij veroorzaakt witrot.

De vruchtlichamen zijn halfrond of bijna cirkelvormig, afmeting 2-8 × 3-10 cm, dikte 1-3,5 cm. Het bovenoppervlak is aanvankelijk wit voordat het veroudert tot geelachtig of grijsachtig, en heeft een textuur die varieert van glad tot tomentose. De onderkant heeft witte tot crèmekleurige, ronde tot hoekige poriën van 3–4 per millimeter. Het vlees is zacht en vlezig als het jong is, maar wordt hard en broos als het ouder wordt of als het droog is. Het heeft een milde of onduidelijke smaak en een aangename geur.

De soort is oneetbaar. De sporenprint is wit.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

 

Natuurwerkdag in de Gaas zaterdag 2 nov 2024

Jaarlijkse Natuurwerkdag in de Gaas.

Op zaterdag 2 november vindt de landelijke natuurwerkdag plaats. Op allerlei plekken in het land kun je je die dag inzetten voor het behoud van de natuur, ook in Stadsbos013. Onder leiding van expeditieleider Rob Vereijken en bosbeheerder Weijtmans steken we onze handen uit de mouwen in heidegebied De Gaas. Om ervoor te zorgen dat de heide open blijft, is het daar nodig om jonge boompjes te zagen en te verwerken tot takkenrillen. Door het gebied open en gevarieerd te houden, kunnen bijzondere dieren en planten op de Gaas leven. Denk maar aan de levendbarende hagedis, allerlei wilde bijen en wespen, en natuurlijk doet de hei het ook steeds beter. De stekelbrem en de kruipbrem steken ook steeds vaker hun gele kopjes boven de hei uit.

Alle hulp is welkom! Lijkt het je leuk om mee te helpen? Meld je dan van tevoren aan via de website van natuurwerkdag. Koffie/thee en lunch wordt verzorgd, Er is ook sanitaire voorzieningen aanwezig

Wanneer: zaterdag 2 november, 10.00 – 16.00 uur

Waar: Heidegebied De Gaas. Verzamelen bij de bushalte ten westen van de bussluis op de grens van de Witbrantlaan-West en Witbrandlaan-Oost in Tilburg.

Meer informatie en aanmelden: Website Natuurwerkdag

 

Witte Waterlelie’s

Voor de tweede keer bloeien de witte waterlelie weer in de vijver het Reeshofpark

De witte waterlelie (Nymphaea alba) is een algemeen voorkomende waterplant met drijvende bladeren. De witte waterlelie groeit in stilstaand en zwak stromend water met een diepte van maximaal 1,5 m. Tegen watervervuiling is de plant redelijk goed bestand.

De bladeren zijn min of meer rond en drijven op het wateroppervlak. Ze hebben een hartvormige voet. De bladsteel is rond en heeft grote luchtkanalen die lucht naar de wortelstok geleiden.

Witte waterlelies hebben geurige, witte bloemen met een doorsnede van 10-20 cm die op het wateroppervlak drijven. De alleenstaande bloemen staan alleen op cilindrische bloemstelen. Er zijn twintig tot vijfentwintig puntige kroonbladeren en vier kelkbladeren. De zittende stempels vormen een oranjegele knop met acht tot vierentwintig stempelstralen.

De vrucht, die onder water rijpt, heeft meestal de vorm van een fles, maar is soms bolvormig. De zaden worden door het water verspreid.

De plant houdt van zon en bloeit meestal in de maanden juni tot augustus.

Bron Wikipedia – Foto Tonnie Verheijden

Zwart Meesje

De zwarte mees is weer aanwezig in de Gaas.

De zwarte mees (Periparus ater; synoniem: Parus ater) is een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae).
Ze worden ongeveer elf centimeter groot, ongeveer even groot als de pimpelmees. De kop is relatief groot, er is geen zwarte buikstreep aanwezig zoals bij de koolmees. De zwarte mees heeft twee witte vleugelstrepen, een zwarte kruin, witte wangvlekken en een witte vlek in de nek. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit spinnetjes en insecten, in de winter zaden van sparren, de mees foerageert ook wel in loofbomen. Nestelt in boomholen, rotsspleten, of nestkasten, maar ook in gaten in de grond.
De zwarte mees komt in het overgrote deel van Europa het hele jaar voor, waaronder in Nederland en België. Zwarte mezen komen veel voor in naaldbossen en minder vaak in tuinen dan de kool- en pimpelmees.

Bron Wikipedia, Foto Tonnie Verheijden

Witkop Staartmees

De staartmees (Aegithalos caudatus) is een zangvogel uit de familie van de staartmezen (Aegithalidae). Hij behoort niet tot de familie van de echte mezen(Paridae); staartmezen vormen een eigen familie.

Een volwassen staartmees heeft een totale lengte van 13 tot 16 centimeter, inclusief de lange, smalle staart van 6 tot 10 centimeter. De vleugelspanwijdte is 16 tot 19 centimeter,[2] wat relatief klein is voor een zangvogel. Hij heeft een rond lichaam, een korte, stompe snavel en lange, slanke poten. De donkere ogen zijn bij sommige vogels omrand met een felgekleurde oogring.

De staartmees dankt zijn pluizig uiterlijk aan zijn veren die hij meestal opgezet heeft. Het verenkleed aan de bovenzijde is zwart en wit en aan de onderzijde wit. Veel ondersoorten hebben bovendien roze en/of grijze tinten over het hele verenkleed. Over de gehele lengte van de staart loopt een witte streep. Er bestaan veel geografische variaties in het kleurpatroon en sommige ondersoorten als A. c. caudatus en A. c. japonicus hebben een geheel witte kop, terwijl andere soorten een grijze tekening op de kop hebben. In gebieden als Noord-Europa krijgen koppels van verschillende ondersoorten regelmatig gemengd gekleurde nakomelingen.

Het kleed van geslachten is gelijk. Jonge vogels ondergaan voor hun eerste winter een complete rui die leidt tot het volwassen verenpak.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

 

Koninginnepage

Heel bijzonder wanneer een Koninginnenpage vlinder op bezoek komt.
Een vrij schaarse standvlinder die vooral in de zuidelijke helft van het land wordt waargenomen. De laatste jaren komen er ook steeds meer meldingen uit de rest van Nederland, tot aan de Waddeneilanden toe. Het aantal exemplaren per jaar wisselt.
Diverse biotopen, waaronder ruderale terreinen en kruidenrijke graslanden.

Vooral peen (ook de gecultiveerde vorm); daarnaast ook andere schermbloemigen, zoals bevernel, engelwortel, pastinaak en venkel.

Eind april-half juni en begin juli-half september in twee generaties. In warme jaren vliegt er mogelijk een partiële derde generatie in oktober. De koninginnenpage wordt vaak bij heuveltoppen gezien waar mannetjes en vrouwtjes elkaar ontmoeten; dit gedrag wordt ‘hill-topping’ genoemd.

Rups: half mei-half juni en half augustus-eind september. Bij gevaar wordt een rood vorkvormig orgaan uitgestulpt waarmee de rups een doordringende stank verspreidt. De soort overwintert als pop in de kruidlaag.

Bron: vlindernet.nl  Foto  Tonnie Verheijden

 

 

Gehakkelde Aurelia

Gehakkelde Aurelia in de gaas.

Voorvleugellengte: 20-26 mm. De bovenkant van de vleugels heeft een oranje grondkleur met zwarte vlekken. De donkerbruine achterrand van zowel de voor- als de achtervleugel is sterk gekarteld. Op de onderkant van de achtervleugel bevindt zich een kleine witte C.

Een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt. Tot de jaren tachtig van de vorige eeuw werd de soort weinig waargenomen in het noorden en westen van het land, maar sinds die tijd heeft de gehakkelde aurelia zich steeds verder uitgebreid.

Habitat
Bosranden, open plekken in het bos, parken en tuinen.

Waardplanten
Vooral grote brandnetel; ook hop, iep, ribes en wilg.
Maart-oktober in twee elkaar overlappende generaties. De vlinders voeden zich met nectar van verschillende planten en drinken ook van plassen of mest; in het najaar zijn ze geregeld aan te treffen op rottend fruit.
De rupsen leven op de bovenkant van de bladeren, waar ze niet opvallen omdat ze net een vogelpoepje lijken. De verpopping vindt plaats in de vegetatie, op of in de buurt van de waardplant. De soort overwintert als vlinder vlak bij de grond, bijvoorbeeld aan de onderkant van boomwortels, in een holle boom of tussen takkenbossen of afgevallen bladeren; zelden in gebouwen. De eieren worden afgezet op een bladrand van de waardplant.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

 

Kleine Vuurvlinder in de tuin

Kleine Vuurvlinder in de tuin,

Een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt; meestal niet in grote aantallen.
Vrij open en meestal droge gebieden, zoals schrale plekken op de zandgronden in graslanden, heidevelden, kapvlakten, duinen, braakliggende gronden, tuinen en bermen; ook schrale graslanden in moerassen en op vochtige heiden.

Eind april-half juni, eind juni-begin oktober en begin september-eind oktober in drie generaties. De derde generatie varieert van jaar tot jaar sterk in omvang.
Rups: half augustus-half mei en eind mei-begin juli. De rups is meestal te vinden op de onderkant van een blad. Omdat een dun laagje van de onderkant van het blad wordt weggevreten zijn bezette bladeren vaak goed herkenbaar door doorvallend licht. De soort overwintert als halfvolgroeide rups in de strooisellaag. De verpopping vindt plaats onder of tussen de bladeren van de waardplant of in de strooisellaag.

Bron: vlindernet.nl   Foto’s  T.V.S. Nature photography

 

kleine Vuurvlinder

Kleine Vuurvlinder in de Gaas.

De bovenzijde van de voorvleugel is oranje met onregelmatige zwarte vlekken en een bruine rand. Aan de onderzijde is de tekening vergelijkbaar, maar met een licht grijsbruine bruine rand en lichter oranje. De achtervleugel is aan de bovenzijde bruin met wat zwarte vlekken en een oranje veld bij de achterrand. De onderzijde is licht grijsbruin en heeft een heel onduidelijke tekening: hieraan is de soort in Europa gemakkelijk van andere vuurvlinders te onderscheiden. Bij sommige ondersoorten buiten Europa is echter een duidelijke oranje band langs de achterrand van de vleugel te herkennen.

Het verschil tussen de mannelijke en vrouwelijke exemplaren is niet zo groot: aan de onderzijde zijn de zwarte vlekjes op de voorvleugel van het vrouwtje groter en meer ongeordend.

In zeer kleine aantallen worden exemplaren waargenomen met een lichtgele of witte in plaats van het oranje tekening.

Met een voorvleugellengte van rond de 13 millimeter is de kleine vuurvlinder een vrij kleine vlinder.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden