Sabelsprinkhaan

Een waarneming van F. Stieger een Grote Sabelsprinkhaan legt eitjes voor de volgende lente. Meestal doen ze dat in september.

Sabelsprinkhanen (Tettigoniidae) zijn een familie van insecten behorend tot de orde rechtvleugeligen (Orthoptera). Met ruim 6400 soorten is het een zeer grote groep die uiteenlopende soorten bevat, zowel qua uiterlijk als wat betreft de levenswijze.

Ondanks de naam “sprinkhanen” zijn sabelsprinkhanen verwant aan de langsprietigen (Ensifera), waartoe alle krekelachtige vormen behoren, en niet tot de kortsprietigen, waar alle typische sprinkhanen onder worden gerekend.Sabelsprinkhanen behoren tot de grotere soorten rechtvleugeligen, ze zijn verdeeld in verschillende onderfamilies, triba en geslachten, enkele soorten komen ook in Nederland en België voor. De meeste soorten eten planten maar een aantal eten daarnaast ook dierlijk materiaal.Deze dieren worden 1,5 tot 7,5 cm en hebben een bruine of groene kleur. 

Ze hebben bijna allemaal grote vleugels, die schuin op het lichaam worden gelegd. Sommige soorten imiteren bladeren of boombast. De achtervleugels bij sommige soorten zijn felgekleurd. Ze danken hun Nederlandse naam aan de sabelachtigelegbuis van de vrouwtjes, die gebruikt wordt om de eitjes in de bodem af te zetten. Ondanks het vervaarlijke uiterlijk kan de legboor niet gebruikt worden om te steken.

Deze dieren leven naargelang de soort in bomen, struiken of lage vegetaties, waar ze zich voeden met planten en/of insecten (vlinders, vliegen, slakken, bladluizen, insectenlarven). De nimfen hebben soms een ander dieet dan de volwassen dieren. Bij sommige soorten zijn de nimfen carnivoor of omnivoor en de volwassen dieren herbivoor.

Bron Wikipedia – Foto F. Stieger,  Tonnie Verheijden

Keizermantel

Keizermantel

De Keizermantel komt ook voor in de Gaas.

De keizersmantel is een grote en opvallende vlinder met een vleugellengte van 27 tot 35 mm. Aan de enterhaakvormige vlekken op bovenkant van de vleugels kan men de mannetjes herkennen.

De onderkant van de achtervleugel is groenig met zilverkleurige strepen.

De vlinder heeft veel nectar nodig, die hij meestal vindt in de wilde marjolein en distels.De vlinder komt in vrijwel heel Europa voor en leeft in gemengde en naaldbossen.

De vliegtijd is van mei tot en met september, rupsen kunnen worden aangetroffen vanaf de tweede helft van augustus tot de eerste week van juni. Deze vlinder staat in Nederland sinds 2019 niet meer op de Rode lijst als verdwenen of bedreigd, omdat ze de laatste jaren in steeds groter aantallen wordt waargenomen. Inmiddels is succesvolle voortplanting van de Keizersmantel vastgesteld in de Amsterdamse Waterleidingduinen en een gebied in Gelderland.

Bron Wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

Hoedster van de Hei

De hoedster van de heide in de Gaas, zo noemde Meno de opname van Vroege Vogels.

De Tilburgse Tonnie Verheijden is een ‘selfmade’ natuurbeschermer. Sinds enkele jaren beheert ze op eigen initiatief een van de laatste stukjes overgebleven heide van de stad,

De Gaas die door veel inspanning en na een aantal jaren weer ontbost, zodat de heide weer in zijn originele staat kon terugkeren.

Initiatiefnemster Tonnie Verheijden

Sijsje

Sijsje

De Sijsjes kom je weer tegen in de Gaas.

In de winter wordt de sijs regelmatig aangetroffen op vetbollen en netjes met pinda’s in de tuin. Sijzen opereren dan veelal in kleine troepjes, en gedragen zich enigszins als mezen: ondersteboven aan de vetbollen hangend. Ze zijn zo groot als een pimpelmees, maar veel duidelijker geelgroen gekleurd, vooral de volwassen mannetjes, die een zwarte kruin hebben. De vlucht is opvallend: gele vleugelstreep en gevorkte zwarte staart, met geel aan de zijden.

Volwassen mannetjes zijn geelgroen met een zwarte kruin en kin, de rug is geelgroen zwartgestreept. De buik heeft in tegenstelling tot de groenling een duidelijk onderbroken gestreept uiterlijk. De streep achter het oog en de stuit zijn geel. De gevorkte staart is zwart met geel aan zijden. De vleugel heeft een gele vleugelstreep.Het volwassen vrouwtje is veel minder geelgroen en de onderzijde is lichter en meer gestreept, de kop heeft geen zwart.

De sijs zoekt voedsel op de mezenmanier, en hangt dikwijls ondersteboven. Hij slaapt soms ook zo. Hij eet zaden van naaldbomen, elzen, berken en andere bomen, knoppen en insecten.

In broedtijd naaldbossen met veel sparren, maar ook in gemengde bossen en parklandschap. In de winter vooral in elzen.

Bron Wikipedia,  Foto Tonnie Verheijden

Nijlganzen

Het voorjaar komt er aan, de nijlganzen zijn druk bezig met hun parendans in ’t Reeshof park.

De nijlgans (Alopochen aegyptiaca), ook wel vosgans of Egyptische gans genoemd, is een eendachtige vogel uit de familie Anatidae (zwanen, ganzen en eenden). In deze familie wordt de soort in de onderfamilie Tadorninae (halfganzen) geplaatst. Dit zegt meteen iets over het formaat. De naam nijlgans is verwarrend, want hij behoort niet tot de onderfamilie Anserinae (zwanen en ganzen). De oude Egyptenaren beschouwden de nijlgans als een heilig dier en beeldden hem regelmatig af in hun kunst.

De lichaamslengte bedraagt 63 tot 73 cm en het gewicht 2,5 kg. Het verenkleed van beide geslachten is gelijk

De nijlgans leeft voornamelijk op het land, hoewel hij goed kan zwemmen. In het broedseizoen verdedigt hij een territorium agressief, ook onderling zijn ze weinig verdraagzaam. Agressiviteit is een handelsmerk van deze soort. Ze passen brute kracht toe om het nest van een andere vogel in te pikken – waarvan vooral grauwe ganzen, maar ook roofvogels, kraaien, eenden en dergelijke het slachtoffer kunnen zijn. Pullen van andere eendachtigen worden als het zo uitkomt verdronken.

De vogel eet zaden, bladeren, grassen en stengels. Af en toe eet dit dier sprinkhanen, wormen en andere kleine dieren. Broeden gebeurt vooral in holen in de stam van grote bomen. Het vrouwtje bouwt een nest van riet, bladeren en gras. Om de beurt bebroeden vrouw en man de eieren. Beide ouders zorgen voor de jongen tot ze zelfstandig zijn.

Bron Wikipedia. foto Tonnie Verheijden

Putters

Putters.

Deze Putters zaten in een boompje voor ’t huis van mijn Dochter.

De putter is een relatief slanke vink met een kenmerkende koptekening. Zijn rode gezicht is omlijst met een brede witte band, terwijl het achterhoofd zwart is. Over de zwarte vleugels loopt in de lengte een brede gele band. Verder is het verenkleed lichtbruin op de rug en de flanken, wit op de onderzijde en zwart op de staart.

In de westerse wereld wordt de putter sinds lange tijd als kooivogel gehouden. Sommige putten met een klein emmertje zelf hun water uit een waterreservoir. Hieraan dankt de putter zijn Nederlandse naam.

Een volwassen putter heeft een rood masker en een donkere teugelstreep. Achter dit rode masker loopt bij de meeste ondersoorten een brede witte baan van de oorstreken tot aan de kin. Daarachter bevindt zich een volgende zwarte baan, die van boven de schouders tot aan de kruin loopt. Bij putters in het meest oostelijke gedeelte van het verspreidingsgebied, de zogenoemde caniceps-groep, ontbreekt de zwart-witte tekening achter het rode masker. Bij hen is dit gebied effen grijs.

De vleugels zijn overwegend zwart. De slagpennen hebben witte toppen en een grote gele vlek in het midden. Wanneer de putter zijn vleugels spreidt, is een brede gele vleugelstreep zichtbaar. Ook de staartpennen zijn zwart en hebben een wit uiteinde. Aan de onderzijde is het verenkleed overwegend wit.

De bovenzijde en de borst van de putter is geelbruin in het winterkleed en grijzer en lichter gekleurd in het zomerkleed. Het zomerkleed verschijnt na het slijten van de veerpunten. De bovendelen en de borst worden grijzer en lichter gekleurd en de uiteinden op de slag- en staartpennen vertonen minder wit. Ook is de lichte vlek achter in de nek witter. De snavel is in het zomerkleed geheel wit, maar in het winterkleed krijgt het een donker gekleurde snavelpunt.

De putter heeft een voorkeur voor kleine zaden, zoals die van distels en andere composieten. Dankzij zijn lange snavel kan de putter deze moeilijk te bereiken zaden bemachtigen. In een groot deel van zijn verspreidingsgebied is de putter de enige vogel die het zaad van kaardebollen kan bereiken, welke zich aan de onderkant van lange, stekelige buizen bevindt.

Behalve kleine zaden voedt de putter zich met bessen, knoppen (onder andere van de paardenbloem) en gras. In de winter bezoekt hij ook de voedertafel. Nestlingen worden ook gevoerd met insecten.

Bron Wikipedia – foto Tonnie Verheijden

Fitis


Fitis

Vorig jaar de Fitis tegengekomen die voluit zat te zingen in de berkenboom, in eerste instantie kon hem maar niet vinden met zijn schutkleur
Een Fitis heeft lichtere pootjes dan de Tjiftjaf dat is het enig onderscheiding van de twee vogeltjes.
De fitis en tjiftjaf zijn tweelingsoorten, dat wil zeggen, dat ze uiterlijk zeer op elkaar lijken.
Ze zijn wel te onderscheiden door de zang. Deze is bij de fitis muzikaal, vloeiend en aflopend, terwijl bij de tjiftjaf de zang bestaat uit het herhaaldelijk roepen van tjif-tjaf. Fitissen hebben een grijsgroene rug, gelige onderzijde, witte oogstreep en doorgaans lichte poten.
De lichaamslengte bedraagt 11 tot 12 cm.
Het op de grond gebouwde nest heeft een kleine vliegopening, waardoor de eieren nauwelijks zichtbaar zijn. De binnenbekleding bestaat uit een dikke laag veren 
De fitis komt tijdens het broedseizoen (maart tot augustus) in geheel Midden- en Noord-Europa voor, met uitzondering van IJsland. Ook in Nederland en België zijn de vogels waar te nemen.n 2004 en 2005 is er bij Groenekan een vogel waargenomen die in zijn zang zowel elementen van een fitis als een tjiftjaf heeft. Ook bij Amsterdam werd in 2004 een vergelijkbare vogel gevonden. In 2007 was er weer een mengzanger bij Groenekan, uiterlijk geheel als fitis. Of dit soort vogels echt een kruising zijn of dat er alleen met de zang iets aan de hand is, blijft de vraag.

Bron: Wikipedia  Foto’s Tonnie Verheijden

IJsvogel


Dit is de eerste keer dat ik een ijsvogel op de foto heb kunnen zetten, hij zat wel heel ver weg!

De ijsvogel is een kleine vogel met een korte staart en pootjes, een korte nek, korte afgeronde vleugels, een grote kop met grote ogen en een lange, dolkvormige snavel. De poten zijn syndactiel: de voortenen zijn aan de basis gedeeltelijk met elkaar vergroeid.
De ijsvogel is aan de bovenzijde overwegend blauw, waarbij de veren van de kop en vleugels iriserend blauwgroen zijn, en op het midden van de rug lichter tot kobaltblauw. De staartveren zijn wat donkerder. De veren aan de borst en buikzijde zijn warm oranje, en steken hiermee duidelijk af. Van de snavel tot achter het oog is op de wang een oranje oogstreep aanwezig, die abrupt overgaat in een helder witte streep. Ook de keel is wit. De poten van een volwassen ijsvogel zijn oranje tot rood van kleur. De mannetjes zijn enkel van de vrouwtjes te onderscheiden aan de kleur van de basis van de ondersnavel, die bij het vrouwtje voor het grootste deel tot volledig oranje is. Ook kan er bij het vrouwtje in de basis van de bovensnavel oranje voorkomen. De ondersnavel van het mannetje kan tot een derde van de lengte, gezien vanaf de basis, oranje zijn. Juvenielen onderscheiden zich van volwassen exemplaren door het valere verenkleed met donkergrijs gerande borstveren, een kortere snavel met een bleke snavelpunt, en donkerbruine poten. Roep van een ijsvogel
De ijsvogel meet van snavelpunt tot en met staart ongeveer 16 cm;  de spanwijdte is 24 tot 26 cm, en het lichaamsgewicht loopt uiteen van 34 tot 55 gram. De ijsvogel heeft een snelle stofwisseling, en het gewicht varieert gedurende de dag.
De vogel is in noordelijk Europa onmiskenbaar door zijn tekening.
Het geluid is divers. Er kunnen schelle en fluitende geluiden worden geproduceerd. Het mannetje lokt het vrouwtje met een hoge, fluitende ’tieieiet’ of ’tieietuu’, die hij vaak tijdens de vlucht laat horen. Bij opwinding of agressie worden korte, herhaalde ’tri-tri-tri’ geluiden geproduceerd.

Bron Wikipedia, Foto Tonnie Verheijden

Een zonsondergang in de Gaas

Een avondzon over de heide in de Gaas.

Een historisch heide gebiedje in de Gaas in Tilburg bij een woonwijk, de naam de Gaas werd vroeger genoemd omdat het gebied helemaal met gaas was afgesloten, waardoor de bewoners helemaal om moesten lopen om in de stad te komen. met de jaren is de gaas helemaal weggehaald nu is het een natuurgebied waar wandelaars, ruiters en mountainbikers gebruik van maken.

2 maal per jaar komen er schapen grazen, er wordt ook 1x per jaar een Natuurwerkdag gehouden om de berkenboompjes en dennenboompjes weg te halen. en op te schonen.

Er wordt nu weer een natuurwerkdag op 5 november 2022 gehouden, een leuke gezellige dag met een lekkere lunch koffie en thee en frisdrank.

u kunt zich aanmelden via de link hieronder.

https://www.natuurwerkdag.nl/klus/de-gaas/2022-11-05

Tonnie Verheijden

Bizons in Canada Elk Island park

Afbeelding-254

Bizons in Canada, een bezoek gebracht aan mijn Zus in Canada, ze woont vlakbij het Elk Island National park, als je daar doorrijdt over de Yellowhead Highway kom je zo af en toe een Bizon tegen of een hele kudde Bizons die de weg oversteken. klik op de kleine foto’s voor vergroting.

Afbeelding-256

Elk Island National Park ( Frans : Parc National Elk Island), is een van de 43 nationale parken en reservaten park beheerd door de Parks Canada Agency. Dit “eiland van het behoud” ligt 35 km ten oosten van Edmonton, Alberta langs de Yellowhead Highway , die bijna halveert het park. Het is Canada ’s 8 kleinste in de omgeving, maar grootste volledig omheind park, met een oppervlakte van 194 km ². Het park is representatief voor de noordelijke prairies plateau ecosysteem en als zodanig, de knop en een waterkoker landschap is een mix van inheemse zwenkgras grasland, esp park en boreale bossen. Als goed, Elk Island speelt gastheer voor zowel de grootste en de kleinste landzoogdieren in Noord-Amerika, het hout bizons en dwergspitsmuis.

Afbeelding-127

Elk Island National ParkIn het vroege post- Contact geschiedenis, werd het Beaverhills gebied vooral gebruikt voor de commerciële jacht. Dit leidde tot over-jacht en de virtuele eliminatie van bever uit het gebied door de jaren 1830 en van grote hoefdieren door de jaren 1860. Het gebied werd toen waardevol voor hout tot 1894, toen brand geveegd door het gebied. In 1899, de federale overheid aangewezen het gebied de ” Cooking Lake Forest Reserve “. Maar terwijl het woud beschermd was, het deed weinig om de eland, elanden en herten bevolking te beschermen. Dus, in 1906, vijf mannen uit Fort Saskatchewan voren $ 5000 gebracht en een petitie van de federale overheid voor het opzetten van een eland heiligdom, noemde het “Elk Park”. Elk Island Park werd later federale park de status toegekend in 1913, en vervolgens aanwijzing als een officieel Nationaal Park onder de Nationale Parken Act die door het doorgegeven Canadese parlement in 1930.

DSCN0484

Bizon in de Island National Park Elk

Elk Island National Park heeft een prominente geschiedenis in grote hoefdieren behoud. Reeds in 1907, de Canadese regering kocht een van de laatste en grootste overgebleven raszuivere vlaktes bizon, de Pablo-Allard kudde, uit Montana. Dicht bij 400 bizons werden naar Elk Island verscheept als tijdelijke waystation totdat de omheining op het Park van Buffels in Wainwright werd voltooid. In 1909 werd het hek afgewerkt en 325 bizons werden verplaatst naar Buffalo National Park. Echter, 50-70 bizons ontdoken vangen en werden de voorouders van de huidige veestapel in Elk Island National Park. In 2007 waren er naar schatting 425 vlaktes bizon in Elk Island.

DSCN0435

In de late 19e eeuw, op slechts 300 houten bison bleef wereldwijd, bijna uitsluitend in Wood Buffalo National Park . Tijdens de jaren 1920, werden 6000-7000 vlaktes bizons ook verplaatst naar Wood Buffalo National Park. Deze bizons waren niet alleen besmet met brucellose en tuberculose , waarin het hout bizonkudde besmet, maar het hout en vlakten ondersoorten ook kruisten , en dus werd gedacht dat hout bizons waren volledig uitgestorven door de jaren 1940. In 1957, echter, een ziekte-vrij, hout bizonkudde van 200 werd ontdekt in de buurt Nyarling rivier in Wood Buffalo National Park. In 1965, 23 van deze bizons werden verplaatst naar de zuidkant van Elk Island National Park en vandaag blijft daar als het meest genetisch zuivere hout bison overgebleven. In 2007 werd de houten bison bevolking in Elk Island National Park geschat op 315.

Afbeelding-252

In 1951, werd een replica van een pionier hut gebouwd in het park om de eer Oekraïens-Canadezen die het gebied een pionier. Deze replica, die bekend staat als de Oekraïense Pioneer Huis, was het eerste museum of historische site ooit gewijd aan de Oekraïense immigratie in Canada. In 1993 werd het uitgeroepen tot een Classified federale monumentenlijst door de federale overheid.Pelikanen in het Park

Elk Island is de thuisbasis van de dichtste bevolking van hoefdieren (hoefdieren) in Canada. Een verscheidenheid aan wilde dieren, waaronder vlaktes bizons , hout bizons , elanden , elanden , white-tailed deer , herten , coyotes , en bevers zijn het hele jaar door bewoners, evenals meer dan 250 vogelsoorten die gevonden kunnen worden in het park op verschillende tijden van het jaar. Meest opvallende hiervan zijn de Roodhalsfuut , Amerikaanse Witte Pelikaan , Dubbel-kuif Aalscholver , Blauwe reiger , Red tailed Hawk , Amerikaanse roerdomp en de Zwaan van de Trompetter

Bron Wikipedia Canada. Foto’s Tonnie Verheijden

Bizons in Canada

Bizons

Elk Island National Park heeft een prominente geschiedenis in het behoud van grote hoefdieren. Al in 1907 kocht de Canadese regering een van de laatste en grootste overgebleven raszuivere bizons, de Pablo-Allard-kudde, uit Montana. Bijna 400 bizons werden als tijdelijk tussenstation naar Elk Island verscheept totdat het hekwerk bij Buffalo Park in Wainwright voltooid was. In 1909 was het hek klaar en werden 325 bizons verplaatst naar Buffalo National Park. Echter, 40-70 bizons ontweken de vangst en werden de voorouders van de huidige kudde in Elk Island National Park. Sinds 2007 beheert Parks Canada actief een kudde van ongeveer 400 raszuivere en ziektevrije bizons en 300 bosbizons op Elk Island. Wanneer de bizons boven dit getal komen, worden ze verkocht. De opbrengst van de verkoop gaat naar de financiering van de behoeften van nationale parken.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Northern Flicker

Canadese Specht

Noordelijke flikkeringen (Colaptes auratus) zijn bleekgele of bruine spechten die gewoonlijk worden aangetroffen met mieren en andere insecten op de grond. Ze komen veel voor in de Verenigde Staten en Canada, maar verschillende populaties hebben verschillende kleuren.

Oosterse vogels vertonen tijdens de vlucht meestal gele of gouden markeringen in de vleugels en onder de staart. Westerse vogels hebben roodachtige of kaneelkleurige markeringen. De donkere vlek op het slabbetje en de onderkant is prominent aanwezig bij zowel mannelijke als vrouwelijke vogels, hoewel alleen de mannelijke vogels de gezichtssnor hebben.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Bruin Blauwtje

Bruin blauwtje op de heide in de Gaas.

Het bruin blauwtje (Aricia agestis,  door sommige auteurs in het geslacht Plebejus geplaatst) is een vlinder uit de familie van de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes (Lycaenidae).

Er is gemakkelijk verwarring mogelijk met het vrouwtje van het icarusblauwtje, dat ook bruine vleugels heeft. Het bruin blauwtje heeft op de onderzijde van de voorvleugel echter geen vlekje aan de basis van de vleugel, het icarusblauwtje wel. Ook ligt de bovenste van de twee vlekjes aan de voorrand van de achtervleugel bij het bruin blauwtje dicht tegen de bovenste rij van vlekjes, terwijl die bij het icarusblauwtje een stuk lager ligt.

Het bruin blauwtje komt algemeen voor in Centraal- en Zuid-Europa, op warme graslanden, heiden en duinen. Als zwerver en dwaalgast kan de vlinder worden aangetroffen in Nederland en België. In het kustgebied komt de vlinder als standvlinder voor.

Het bruin blauwtje profiteert van de opwarming van de aarde en doet dit niet onopgemerkt. In 2012 vloog de soort in het Verenigd Koninkrijk 79 kilometer noordelijker dan 20 jaar daarvoor. Maar niet alleen in de UK gaat het haar voor de wind, ook in de rest van Europa doet ze het zeer goed.

De vliegtijd is van mei tot en met oktober.

Bron wikipedia Foto Tonnie Verheijden