Kleine vuurvlinder

De kleine vuurvlinder vloog vorige week in het Safaripark de Beekse Bergen nog rond in het zonnetje van bloem naar bloem.

kleine vuurvlinder  (Lycaena phlaeas)

De kleine vuurvlinder vliegt in drie generaties en is vooral te vinden bij schrale graslanden.
Familie
Deze soort is goed tot redelijk goed te determineren, ook voor een serieuze beginner.
  © De Vlinderstichting &
Werkgroep Vlinderfaunistiek
Kenmerken
Voorvleugellengte: circa 13 mm. De bovenkant van de vleugels is oranje met onregelmatige zwarte vlekken, zonder violette glans. De onderkant
van de achtervleugel is grijsbruin met kleine vlekjes; de oranje achterrandvlekken zijn niet scherp zwart afgezet en soms zelfs zeer onduidelijk.
Deze zeer eenvoudig getekende onderkant van de achtervleugel is het meest onderscheidend kenmerk ten opzichte van de andere vuurvlinder-soorten. Bij het
vrouwtje zijn de zwarte vlekken op de onderkant van de voorvleugel groot en ongeordend. De onderkant van de achtervleugel is bij het vrouwtje grijsbruin met kleine zwarte vlekjes; alleen op de achtervleugel bevinden zich oranje achterrandvlekken, die diffuus en niet zwart afgezet zijn. Soms ontbreken deze
oranje achterrandvlekken en ook komen vrouwtjes voor met kleine blauwe vlekken op de bovenkant van de achtervleugel. In Nederland worden ieder jaar enkele vlinders gezien waarbij het oranje is vervangen door lichtgeel of wit.
Gelijkende soorten
Bij de grote vuurvlinder is de onderkant van de achtervleugel lichtblauw met een oranje band langs de achterrand. De bruine vuurvlinder heeft veel zwarte stippen op de onderkant van de achtervleugel.
Voorkomen
Een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt; meestal niet in grote aantallen.
Habitat
Vrij open en meestal droge gebieden, zoals schrale plekken op de zandgronden in graslanden, heidevelden, kapvlakten, duinen, braakliggende
gronden, tuinen en bermen; ook schrale graslanden in moerassen en op vochtige heiden.
Waardplanten
Vooral schapenzuring; soms veldzuring.
Vliegtijd en gedrag
Eind april-half juni, eind juni-begin oktober en begin september-eind oktober in drie generaties. De derde generatie varieert van
jaar tot jaar sterk in omvang.
Levenscyclus
Rups: half augustus-half mei en eind mei-begin juli. De rups is meestal te vinden op de onderkant van een blad. Omdat een dun laagje van
de onderkant van het blad wordt weggevreten zijn bezette bladeren vaak goed herkenbaar door doorvallend licht. De soort overwintert als halfvolgroeide rups
in de strooisellaag. De verpopping vindt plaats onder of tussen de bladeren van de waardplant of in de strooisellaag. Bron : http://www.vlindernet.nl

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *