Zwarte Mezen

Vanmiddag kwam ook een Zwart Mees samen een aantal Koolmezen op bezoek voor voedsel.

Zwarte mezen worden ongeveer elf centimeter groot, ongeveer even groot als de pimpelmees. De kop is relatief groot, er is geen zwarte buikstreep aanwezig zoals bij de koolmees. De zwarte mees heeft twee witte vleugelstrepen, een zwarte kruin en een witte wangvlek. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit spinnetjes en insecten, in de winter zaden van sparren, de mees foerageert ook wel in loofbomen. Nestelt in boomholen, rotsspleten, of nestkasten, maar ook in gaten in de grond.

De zwarte mees komt in het overgrote deel van Europa het hele jaar voor, waaronder in Nederland en België. Zwarte mezen komen veel voor in naaldbossen en minder vaak in tuinen dan de kool- en pimpelmees.

Bron Wikipedia Foto’s Tonnie Verheijden

Share

Sperwer

De Sperwer komt ook weleens een bezoekje brengen om een vogeltje te vangen.

De Sperwer is een kleine Roofvogel.

Opvallend is de gele iris, net als de fijn gebandeerde borst en de dunne maar krachtige, gele poten. Sperwers hebben stompe vleugels met een relatief groot oppervlak.
De vleugels zijn veel breder dan van valken, waarvoor ze vaak worden aangezien.
Opvallend is het grote verschil in formaat tussen mannetje en vrouwtje.
Vrouwtjes zijn groter en zwaarder dan mannetjes en jagen op grotere prooien dan mannetjes. De lengte van kop tot staart varieert van 28 tot 38 centimeter.

Zangvogels zijn de voornaamste prooi, met name huismus, vink, merel, spreeuw en mees. Het vrouwtje vangt ook grotere prooien als de Turkse tortel.
De sperwer jaagt vanuit dekking, of met een plotselinge, snelle vlucht in het voorbijgaan.
De sperwer bouwt ieder jaar hoog in de bomen een nieuw nest, waarin één tot zes, maar meestal vier of vijf eieren worden gelegd.
Sperwers komen in heel Europa voor, met uitzondering van IJsland en het uiterste noorden van Scandinavië en Rusland.
Het verspreidingsgebied strekt zich in een gordel uit van Rusland tot Kamtsjatka, Japan en Korea.
Sperwers leven voornamelijk in bosgebieden (vaak naaldbos), maar ook in cultuurland en in steden. Vogels uit de noordelijke streken overwinteren in gematigde gebieden.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Share

Grote bonte Specht

De Grote bonte Spechten zijn een paar keer per dag in de tuin aanwezig.

In tegenstelling tot wat zijn naam doet vermoeden is de grote bonte specht een relatief kleine spechtensoort. Een volwassen exemplaar weegt doorgaans 20 tot 24 centimeter en weegt 60 tot 110 gram. De vleugelspanwijdte bedraagt 34 tot 39 centimeter.

Het verenkleed is aan de bovenzijde overwegend zwart en aan de onderzijde wit, met uitzondering van de rode anaalstreek. De veren hebben aan de bovenzijde grote, ovaalvormige witte schoudervlekken en zijn sterk gebandeerd. De kop is overwegend wit op de zijkanten en de keel. Vanaf de snavel loopt de zwarte baardstreep door in een grillige Z-vormige zwarte vlek, die naar beneden naar de borst en naar achter tot in de nek loopt. Het voorhoofd en het gedeelte rond de ogen is wit, de kruin is zwart. Net als de meeste Europese spechten is de grote bonte specht seksueel dimorf en zijn de geslachten voornamelijk te herkennen aan de koptekening. Het mannetje heeft een rode vlek in de nek, terwijl het vrouwtje een geheel zwarte kruin heeft. De drie paar buitenste staartveren zijn gebandeerd en duidelijk te zien wanneer de staart is gespreid. Net als de meeste spechten zijn de staartveren stug en dienen ze als extra ondersteuning tijdens het klimmen.

De iris is roodbruin gekleurd. De snavel is grijs en heeft fijne veren rond de neusgaten, om het inademen van fijn zaagsel te voorkomen. De tenen met krachtige klauwen zijn als bij veel spechten zygodactyl geplaatst: twee tenen staan naar voren en twee naar achteren gericht. De grijze huid op de poten is opmerkelijk dik, als bescherming tegen insectenbeten.

Zowel mannelijk als vrouwelijke juvenielen hebben een grote rode kruinvlek en een roze anaalstreek. Hierdoor lijken ze sterk op de middelste bonte specht (Dendrocoptes medius), al heeft deze geen zwart in de kruintekening. De schoudervlekken van een juveniel zijn vaak nog gebaanderd.

Share

Vinken

Vinken
Volwassen mannelijk exemplaar onderzijde wijnrood, buik wat lichter. Kruin en nek leiblauw, voorhoofd zwart. Rug donkerroodbruin. Vleugel met twee witte banden. Groenachtige stuit. Staart met witte rand.
Volwassen vrouwelijk exemplaar vleugel en staart bruiner; onderzijde lichtgrijsbruin; rug donkerder olijfgroen.
Jong als volwassen vrouwelijk exemplaar .
In de trektijd kleine of grote groepen van soortgenoten, soms bestaande uit één sekse. Zeer vaak met verwante kepen. Ook met andere zaadeters als groenling en geelgors, verder met piepers en leeuweriken.

In de winter kunnen vinken zich op de voedertafel agressief gedragen ten opzichte van andere bezoekers.

Vlucht
Wit schild en witte band op vleugel. Veel wit in staart. Golvende vlucht.

Lokroep
Een herhaald en helder pink, ook wiet en tsjwit. In vlucht en tijdens de trek een zacht tjuub-tjuub.

Zang
Heftig, melodieus “tsitsitsitsitsitsitsi-tjoe-ie-ò”. De zang is te horen van februari tot in september. Het liedje duurt maximaal 5 seconden en wordt makkelijk 10 keer per minuut herhaald. In Vlaanderen wordt het liedje ook wel “suskewiet” genoemd (en de vink ook).

Voedsel
Allerlei zaden, vooral oliehoudende; kiemend zaad, vruchten en bessen, knoppen, insecten, maar ook broodkruimels. Jongen worden met insecten grootgebracht.

Voorplanting
De vink broedt van half april tot juli. Nesten van deze “randbroeder” vindt men op verschillende hoogtes aan de rand van een bos, open plek of weg. De broedduur bedraagt 12 – 15 dagen. Hoofdzakelijk broedt het ♀, dat soms door het ♂ gevoerd wordt, vanaf het laatste ei. Beide vogels verzorgen de jongen, die het nest na 13 – 14 dagen verlaten, waarna ze nog enige tijd gevoerd worden. Meestal 2 legsels per jaar. Bigamie. Legsel: gewoonlijk 4 – 5 eieren, soms 6 of 7. Lichtblauwgroen tot roodbruin met donkerbruine vlekjes en streepjes, grijze ondervlekken. Gemiddeld 19 x 15 mm.

Share

Oude Leij

avondfoto-oude-leij

Oude Leij-De Donge in de avondzon

De Donge, in de zestiende eeuw Dongh Aa genoemd, ontstaat ten oosten van Baarle-Nassau uit enkele kleine stroompjes en heet dan Leij. Het riviertje loopt langs Alphen en Riel, en stroomt als Oude Leij Tilburg binnen. Vanaf de Bredaseweg (bij Dongewijk) heet het riviertje De Donge.

oude-leij-1000

De Donge loopt vandaar verder noordwestwaarts via Dongen naar Geertruidenberg, en mondt daar uit in de Amer. Aan het eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn de boven- en benedenloop van het riviertje van elkaar gescheiden, waardoor de bovenloop sindsdien ten westen van de Reeshof via een brede afvoersloot rechtstreeks afwatert op het Wilhelminakanaal. Inmiddels is het in de Reeshof gelegen deel weer veranderd in een meanderende stroom (Dongevallei).

 

Bron:Tilburg Wiki –  Foto’s Tonnie Verheijden

Share