Landkaartje

Het landkaart is elke dag in de tuin te bewonderen, zowel in voorjaar als najaar.

Het landkaartje (Araschnia levana) is een dagvlinder uit de familie Nymphalidae, de vossen, parelmoervlinders en weerschijnvlinders.

De onderkant van de vleugels is een netwerk van lijnen en daar dankt deze vlinder zijn naam aan. Bijzonder aan deze vlinder is dat er twee vormen zijn. De eerste generatie in het voorjaar is oranjerood met zwarte vlekken terwijl de zomergeneratie zwart is met een witte band en rood-oranje streepjes op de bovenvleugel. De voorjaarsgeneratie is met een voorvleugellengte van 16 tot 18 millimeter ook kleiner dan de zomergeneratie met 17 tot 21 millimeter. Door het aderwerk op de onderzijde kan de zomervorm niet verward worden met andere vlinders zoals de kleine ijsvogelvlinder of de voorjaarsvorm met parelmoervlinders. De verschillende vormen had Carolus Linnaeus in 1758 als twee verschillende soorten beschreven. De voorjaarsvorm als Papilio levana en de zomervorm als Papilio prorsa.[1] Het seizoendimorfisme wordt veroorzaakt door de diapauze die de overwinterende poppen van de voorjaarsvorm ondergaan.

Het landkaartje komt in grote delen van Europa algemeen voor en heeft als leefgebied de bossen, tuinen, en bosranden. De vlinder vliegt van zeeniveau tot 1500 meter. De vliegtijd is van mei tot en met oktober.

Bron Wikipedia  foto’s Tonnie Verheijden

Share

Grauwe Vliegenvangers

Grauwe Vliegenvangers kun je snel herkenen, doordat ze heel snel van een tak de lucht invliegen een insect vangen en weer terug op de tak gaan zitten.

De grauwe vliegenvanger (Muscicapa striata) is een kleine, onopvallende zangvogel uit de familie van vliegenvangers (Muscicapidae). Het is de enige uit het geslacht Muscicapa die in Europa voorkomt. De grauwe vliegenvanger is te zien op een Belgische postzegel ter waarde van 0,40 Euro.
Het verenkleed is grijsbruin met een gevlekte kruin en een donkerbruine vleugeltekening zonder wit. Verder heeft de vogel een iets gestreepte borst.
Grauwe vliegenvangers komen tijdens het broedseizoen in heel Europa voor. Ze broeden in gevarieerde loofbossen, dorpen met oude bomen en kleinschalig agrarisch landschap. Het is een trekvogel die overwintert in tropisch Afrika.
In Nederland arriveert de grauwe vliegenvangern in april/mei en in oktober zijn ze praktisch weer verdwenen.

De soort staat als niet bedreigd op de internationale Rode Lijst van de IUCN en als gevoelig op de Nederlandse Rode Lijst omdat de grauwe vliegenvanger sinds 1980 (en mogelijk al eerder) geleidelijk afneemt. Hoewel de vogel ook in Vlaanderen achteruitgaat, staat hij (nog) niet op de Vlaamse Rode Lijst.

Bron: Wikipedia Foto:Tonnie Verheijden

Share

De Kolibrievlinder

De Kolibrievlinder is te herkennen aan de grijze tot bruine voorvleugels met twee van elkaar af gelegen donkerbruine, dunne en enigszins grillige strepen aan de bovenzijde. De achtervleugels hebben een oranje kleur aan de bovenzijde. De spanwijdte (of vlucht) van de vleugels is ongeveer 5 centimeter.

De Kolibrievlinder komt voor in Zuid-Europa en Noord-Afrika. Het is een zeer snelle soort, de kolibrievlinder is een van de bekendste trekvlinders. In de zomer vliegen grote aantallen kolibrievlinders naar het noorden en westen van Europa en ’s winters trekken de vlinders naar zuidelijkere delen van Afrika. De vlinder wordt jaarlijks ook in België en Nederland aangetroffen. Het verspreidingsgebied van de soort strekt zich uit tot in noordelijk Scandinavië. De vlinder wordt beschouwd als een algemeen voorkomende en talrijke soort die niet wordt bedreigd.

De Kolibrievlinder beschikt over een lange tong en is in staat om stil te hangen in de lucht bij een bloem tijdens het opzuigen van nectar. Omdat de vlinder hierdoor doet denken aan een kolibrie heeft de soort de Nederlandstalige naam kolibrievlinder gekregen. In de Nederlandse taal wordt de kolibrievlinder ook wel meekrapvlinder, onrustvlinder of onrust genoemd. De naam meekrapvlinder slaat op de plant waarvan de meeste rupsen leven; meekrap. De naam onrustvlinder is te danken aan het zeer snelle vlieggedrag.

Bron: Wikipedia Foto: Tonnie Verheijden

Share

Koninginnenpage


Koninginnenpage

We hebben een Vorstelijk bezoek gehad in de tuin een Koninginnenpage kwam een bezoek brengen.

Eind april-half juni en begin juli-half september in twee generaties. In warme jaren vliegt er mogelijk een partiële derde generatie in oktober. De koninginnenpage wordt vaak bij heuveltoppen gezien waar mannetjes en vrouwtjes elkaar ontmoeten; dit gedrag wordt ‘hill-topping’ genoemd.
De vroegste datum waarop de soort is gezien is 28 maart (er zijn 4 vroegere waarnemingen, die alle uit collecties komen en waarvan het thuis opkweken niet is uitgesloten). De laatste datum waarop een vlinder is gezien is 26 oktober.

Mobiliteit
De koninginnenpage is een zeer mobiele vlinder die over grote afstanden kan zwerven. De omvang van het verspreidingsgebied fluctueert dan ook min of meer jaarlijks. In gunstige zomers zwerft hij naar het noorden en komt dan verspreid in heel Nederland voor. In gemiddelde jaren vliegt hij veel schaarser en in ongunstige jaren wordt de vlinder uitsluitend in Zuid-Limburg gezien.

Regionaal
De koninginnenpage is een zeer mobiele vlinder die over grote afstanden kan zwerven. De omvang van het verspreidingsgebied fluctueert dan ook min of meer jaarlijks. In gunstige zomers zwerft hij naar het noorden en komt dan verspreid in heel Nederland voor. In gemiddelde jaren vliegt hij veel schaarser en in ongunstige jaren wordt de vlinder uitsluitend in Zuid-Limburg gezien.
In warmere perioden zoals tussen 1930 en 1950 was de soort op veel plaatsen aanwezig. Daarna nam de stand weer af en begin jaren zestig was hij door een reeks koude en natte jaren een schaarse soort. Begin jaren tachtig was hij zelfs zeer zeldzaam, met alleen stabiele populaties op de Sint-Pietersberg en rond enkele voormalige mijnbergen in Limburg. Daarna breidde hij zich weer uit en in 2003 was er een grote invasie verspreid over het hele land. Op dit moment is de koninginnenpage een vrij schaarse standvlinder. Vaste populaties bevinden zich nu in Zuid-Limburg en in Zeeuws-Vlaanderen; de vele zwervende vlinders lijken niet in staat zich ergens permanent te vestigen.

Bron Vlinderstichting.nl Foto’s Tonnie Verheijden

Share

Schorpioenvlieg

De schorpioenvliegen (Panorpidae) zijn een familie van insecten die behoren tot de orde Mecoptera (Schorpioenvliegen). Wereldwijd zijn ongeveer 500 soorten beschreven, verdeeld over een vijftal geslachten.

Het is een interessante groep die behoort tot de oudste insectenordes die een volledige gedaanteverwisseling bezitten.

Kenmerkend voor sommige schorpioenvliegen (soorten welke behoren tot de familie van de Panorpidae) is het tangvormig orgaan dat mannetjes aan het achterlijf hebben, dat omhoog gekruld wordt gedragen en dat daarom enigszins doet denken aan de staart van een schorpioen, maar geen angel heeft en verder volkomen ongevaarlijk is. Het insect gebruikt het alleen bij de paring. De vleugels zijn vaak gevlekt. De lichaamslengte varieert van 0,9 tot 2,5 cm.

Schorpioenvliegen zijn roofinsecten, die naast dode insecten en ander aas, ook worden aangetrokken door plantaardig voedsel.

Bron: Wikipedia  Foto: Tonnie Verheijden

Share